Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS5504

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-02-2005
Datum publicatie
09-02-2005
Zaaknummer
200404951/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 november 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode (hierna: het college) aan [vergunninghouder] met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 1997" en bouwvergunning verleend voor het realiseren van een bedrijfsgebouw op het perceel [locatie], kadastraal bekend gemeente Sint-Oedenrode, sectie […], nr. […] (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:26
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Woningwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2005, 98 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
M en R 2005, 40K
Module Ruimtelijke ordening 2005/170
JB 2005/85 met annotatie van EvdL
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200404951/1.

Datum uitspraak: 9 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Vereniging voor Natuurbehoud & Milieubeheer in Midden- en Noord-Oost-Brabant "Het groene hart" en de Stichting Brabantse Milieufederatie, gevestigd te Boxtel onderscheidenlijk Tilburg,

appellanten,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 11 mei 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 november 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode (hierna: het college) aan [vergunninghouder] met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 1997" en bouwvergunning verleend voor het realiseren van een bedrijfsgebouw op het perceel [locatie], kadastraal bekend gemeente Sint-Oedenrode, sectie […], nr. […] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 23 maart 2004 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 mei 2004, verzonden op 21 mei 2004, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 16 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 9 september 2004 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 september 2004, is namens de boomkwekerij een reactie ingediend.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 september 2004, is namens het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: gedeputeerde staten) een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 december 2004, waar appellanten, vertegenwoordigd door H.C. Gerringa, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door J.A.F.M. van Vorstenbosch, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar de [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. R.E. Wannink, advocaat te ’s-Hertogenbosch, en gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door J.V. Nefkens, ambtenaar der provincie, gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, voorzover hier van belang, kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan bij de Afdeling hoger beroep instellen tegen een uitspraak van de rechtbank.

   Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

   Ingevolge artikel 8:26, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank tot de sluiting van het onderzoek ter zitting ambtshalve, op verzoek van een partij of op hun eigen verzoek belanghebbenden in de gelegenheid stellen als partij aan het geding deel te nemen.

2.2.    De Afdeling heeft in de uitspraak van 28 april 2004 in zaak no. 200305905/1 (AB 2004,259), gedaan op het door het college van gedeputeerde staten ingestelde hoger beroep tegen de vernietiging door de voorzieningenrechter van een in bezwaar gehandhaafd besluit tot verlening van vrijstelling met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO en bouwvergunning, overwogen dat dit college niet als belanghebbende in de zin van artikel 37 van de Wet op de Raad van State in samenhang met artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht kan worden aangemerkt.    

   Nu ingevolge artikel 8:26, eerste lid, van de Awb slechts belanghebbenden in de gelegenheid kunnen worden gesteld aan het geding deel te nemen, kan het college in een situatie als de onderhavige, waarin door het college geen hoger beroep is ingesteld, niet op de voet van deze bepaling aan dit geding deelnemen. Het verlenen door het college van gedeputeerde staten van een verklaring van geen bezwaar is echter een noodzakelijke voorwaarde voor het verlenen van een vrijstelling als hier aan de orde. In de procedure in rechte tegen zodanige vrijstelling dient dat college derhalve als partij van rechtswege te worden aangemerkt.

2.3.    Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

2.4.    Het inmiddels gerealiseerde bouwplan betreft de bouw van een loods van ongeveer 65 x 66 x 16 meter op het perceel ten behoeve van een op het perceel gevestigde boomkwekerij.

2.5.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied 1997” (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming “Agrarisch gebied –A–”. Op de zich op het perceel bevindende bouwblokken rust de medebestemming “Agrarische bedrijfsdoeleinden –A–“

   Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn de gronden, op de kaart aangewezen voor “Agrarische bedrijfsdoeleinden –A–“ bestemd voor de uitoefening van één agrarisch bedrijf per bestemmingsvlak.

   Ingevolge artikel 16, vierde lid, van de planvoorschriften, gelden voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de aanwijzingen op de detailplankaarten alsmede de volgende bepalingen:

a. gebouwen en bouwwerken zijn, voorzover hier van belang, slechts binnen het bouwvlak toegestaan;

b. de goot- en nokhoogte van de gebouwen mogen respectievelijk ten hoogste 4,5 meter en 9 meter bedragen;

c. t/m k. (…).

   Vast staat en niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het bepaalde in artikel 16, vierde lid, aanhef en onder a en b, van de planvoorschriften.

   Teneinde de loods te kunnen realiseren heeft het college met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling van het bestemmingsplan verleend.

2.6.    In de ruimtelijke onderbouwing waarvan het bouwplan is voorzien heeft het college, kort weergegeven, aangegeven dat het gebruik van het perceel ten behoeve van een boomkwekerij in overeenstemming is met de bestemming “Agrarische bedrijfsdoeleinden”, dat het perceel op grond van het bestemmingsplan noch op grond van het streekplan "Brabant in balans" (hierna: het streekplan 2002) bijzondere natuur- of landschapswaarden heeft en dat het bouwplan zich verdraagt met het provinciale beleid, zoals neergelegd in het streekplan 2002.

   Volgens dat plan is het gebied waarbinnen het bouwplan is geprojecteerd gelegen in het deel van de Agrarische hoofdstructuur dat een landbouwfunctie heeft. Uitgangspunt is dat in die zogeheten AHS-landbouw agrarische bouwblokken mogen worden uitgebreid, tenzij overwegende bezwaren van natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, water- en bodemhuishoudkundige of milieuhygiënische aard zich daartegen verzetten.

2.7.    Appellanten betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college in redelijkheid geen vrijstelling heeft kunnen verlenen. Daartoe voeren zij aan dat in het gebied waarin het bouwplan is voorzien sprake is van bijzondere cultuurhistorische, natuur- en landschapswaarden.

2.7.1.    Dit betoog faalt. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de gronden waarop het bouwplan is geprojecteerd zodanig bijzondere natuur- en landschapswaarden hebben dat het college rechtens van het verlenen van vrijstelling had behoren af te zien.

   Het advies van Arcadis van 25 januari 2002, waarop appellanten zich beroepen, doet hieraan, naar de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen, niet af. Appellanten hebben in dit verband uitsluitend een bij dit advies behorende kaart, “kaart 5”, overgelegd. Deze biedt op zichzelf geen grond voor het oordeel dat sprake is van bijzondere waarden, als hiervoor bedoeld.

   De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat het TNO-rapport “Watersystemen in beeld” van november 2000, waaruit volgens appellanten volgt dat het perceel is gelegen in een belangrijke kwelwaterzone, aan het vorenstaande niet afdoet. Niet aannemelijk is geworden dat het realiseren van de loods leidt tot verstoring van de waterhuishouding in het gebied waarin de loods is gerealiseerd. De voorzieningenrechter heeft bovendien terecht in aanmerking genomen dat het door appellanten gestelde natte gebiedskarakter al aan de orde is geweest in het kader van het door hen ingestelde beroep tegen het besluit van gedeputeerde staten tot goedkeuring van het bestemmingsplan "Buitengebied 1997" en dat de Afdeling daarin blijkens de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2002, in zaak no. 199900791/1, geen aanleiding heeft gezien alsnog goedkeuring aan de agrarische bestemming van het gebied te onthouden.    

   De stelling van appellanten dat het gebied waarin het bouwplan is gerealiseerd is gelegen in een zogenaamd "Belvédère-gebied", dat in de rijksnota “Belvédère” is aangemerkt als gebied met een hoge concentratie van cultuurhistorische waarden en dat het gebied al eerder als waardevol cultuurlandschap (“WCL”) was aangemerkt, kan evenmin tot een ander oordeel leiden. Naar ter zitting van de Afdeling door gedeputeerde staten is uiteengezet zijn de cultuurhistorische waarden van het Belvédère-gebied op provinciaal niveau uitgewerkt in de Cultuurhistorische Waardenkaart 2002 en heeft het gebied waarin het bouwplan is gerealiseerd op die kaart geen nadere waardering.

   Ook de omstandigheid dat het gebied waarin het bouwplan is gerealiseerd, naar appellanten stellen, in de recente Nota Ruimte blijkens de PKB-kaart 7 wordt aangemerkt als nationaal landschap “Groene woud” kan niet tot een ander oordeel leiden, reeds omdat deze nota dateert van na het besluit van 23 maart 2004. Gelet hierop kan het ontwerp-reconstructieplan voor het gebied "De Meierij", in welk gebied de loods is gelegen, evenmin tot een ander oordeel leiden, nog daargelaten dat deze nota nog in de ontwerp-fase verkeert en, voorzover thans van belang, met name ziet op de toelaatbaarheid van bomenteelt als zodanig in het gebied en niet op de toelaatbaarheid van de bouw van gebouwen ten behoeve van die teelt.

   Ook de enkele stelling van appellanten dat het gebied waarin de loods is gerealiseerd deel uitmaakt van de Landinrichting “Sint-Oedenrode” kan niet tot het oordeel leiden dat de gronden waarop het bouwplan is geprojecteerd zodanig bijzondere natuur- en landschapswaarden hebben dat het college niet in redelijkheid tot het verlenen van vrijstelling heeft kunnen besluiten. Gelet op het vorenstaande valt, anders dan appellanten betogen, dan ook niet in te zien dat door het college of door gedeputeerde staten in strijd met het provinciaal beleid is gehandeld.

2.8.    Het betoog van appellanten dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de noodzaak van de op te richten bedrijfsloods niet uit de stukken kan worden afgeleid, mist, gelet op het advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen van 11 januari 2001, feitelijke grondslag.

2.9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Klein Nulent

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2005

218-423.