Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS5502

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-02-2005
Datum publicatie
09-02-2005
Zaaknummer
200405266/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 mei 2002 heeft de raad van de gemeente Sittard-Geleen (hierna: de gemeenteraad) geweigerd een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) te nemen en tevens vrijstelling geweigerd als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO voor het oprichten van een tuincentrum, een bouwmarkt en een drive-in voor bouwmaterialen, en voor het aanleggen van een buitenverkoopterrein op het perceel van appellanten aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200405266/1.

Datum uitspraak: 9 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], gevestigd te [plaatsen],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 19 mei 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

de raad van de gemeente Sittard-Geleen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2002 heeft de raad van de gemeente Sittard-Geleen (hierna: de gemeenteraad) geweigerd een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) te nemen en tevens vrijstelling geweigerd als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO voor het oprichten van een tuincentrum, een bouwmarkt en een drive-in voor bouwmaterialen, en voor het aanleggen van een buitenverkoopterrein op het perceel van appellanten aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 20 februari 2003 heeft de gemeenteraad het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 mei 2004, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 28 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 26 juli 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 25 oktober 2004 heeft de gemeenteraad van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 januari 2005, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. G.H.J. Heutink, advocaat te Amsterdam, en de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. R. Stiekema, advocaat te Waalre, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het perceel heeft in het geldende bestemmingsplan "Uitbreidingsplan in hoofdzaken van de gemeente Sittard" een agrarische bestemming.

   Appellanten exploiteren op het perceel een tuincentrum van 17.553 m2. Zij wensen de bebouwing zodanig aan te passen dat een tuincentrum ontstaat met verkoopvloeroppervlakte (vvo) van 4.580 m2, een bouwmarkt van 8.778 m2, een drive-in voor bouwmaterialen van 1.087 m2 en een buitenverkoopterrein ten behoeve van het tuincentrum van 1.560 m2.

   Aangezien dit bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, dat ouder is dan tien jaar, hebben appellanten de gemeenteraad gevraagd te verklaren dat een bestemmingsplan wordt voorbereid en vervolgens vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan.

   De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat het realiseren van een bouwmarkt en een inkrimping van het tuincentrum op het perceel afbreuk doet aan het in het voorontwerp-bestemmingsplan "Tuinboulevard" neergelegde beleid het thema "tuin en groen" een zwaar accent te geven mede vanwege de ligging nabij het nog aan te leggen landschapspark, de in dat voorontwerp opgenomen ruimte voor ten hoogste 6.000 m2 voor bouwmarkt reeds is vergund, het verplaatsingbeleid voor bedrijven die elders niet meer gewenst zijn op grond van het detailhandelsbeleid in gedrang zal komen en gewacht moet worden op de regionale structuurvisie inzake detailhandel, waartoe thans in overleg met omliggende gemeenten onderzoek wordt verricht en die er toe kan leiden dat op deze locatie ruimte dient te worden gereserveerd voor het segment woninginrichting.

2.2.    Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de WRO, voor zover hier van belang, kan de gemeenteraad verklaren dat een bestemmingsplan wordt voorbereid.

   Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. (..).

   Ingevolge het vierde lid van artikel 19 wordt vrijstelling krachtens het eerste lid niet verleend voor een project dat wordt uitgevoerd in een gebied waarvoor

   a. het bestemmingsplan niet tijdig overeenkomstig artikel 33, eerste lid, is herzien of

   b. geen vrijstelling overeenkomstig artikel 33, tweede lid, is verleend, tenzij voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening ter inzage is gelegd.

2.3.    Het betoog dat de rechtbank heeft miskend dat het toepassingsbereik van artikel 21, eerste lid, van de WRO is beperkt tot het bevriezen van de gebruiksmogelijkheden van een plangebied om ongewenste planologische ontwikkelingen te weren, hebben appellanten ter zitting ingetrokken.

2.4.    Voorts heeft de gemeenteraad, anders dan appellanten betogen, bij de beslissing op een verzoek om een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de WRO te nemen een grote mate van beleidsvrijheid. Een dergelijke beslissing is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij het bestuursorgaan bestaan over de wenselijke planologische ontwikkelingen. De omstandigheid dat de gemeenteraad niet heeft voldaan aan zijn uit artikel 33, eerste lid, van de WRO voortvloeiende verplichting tot herziening van het bestemmingsplan, maakt dit niet anders, nu de in deze bepaling opgenomen termijn een termijn van orde is. De overweging van de rechtbank dat de rechter een terughoudende toetsing dient te verrichten, is dan ook juist.

2.5.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het standpunt van de gemeenteraad dat, gelet op de hiervoor weergegeven argumenten, op dit moment geenszins vaststaat dat de grootschalige invulling die appellanten voor het perceel voorstaan een wenselijke planologische ontwikkeling is, niet kennelijk onredelijk is. Het betoog van appellanten dat uit het meest recente marktonderzoek van Ecorys Kolpron van 22 juli 2002 blijkt dat er voor het initiatief van appellanten voldoende marktruimte aanwezig is en dat geen risico voor duurzame ontwrichting van de voorzieningenstructuur bestaat, leidt niet tot het beoogde doel. De gemeenteraad mag de uitkomsten van dat onderzoek, naar ter zitting is verklaard, gebruiken om eerst te komen tot een regionale structuurvisie inzake detailhandel.

2.6.    Ook anderszins biedt hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de weigering van de gemeenteraad een voorbereidingsbesluit te nemen in strijd is met het recht of met één of meer beginselen van behoorlijk bestuur.

2.7.    Gelet hierop ontbrak, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, de bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO, zodat de gemeenteraad ook die vrijstelling terecht heeft geweigerd.

2.8.    Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het beroep van appellanten terecht ongegrond heeft verklaard.

2.9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens    w.g. Nolles

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2005

291.