Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS5493

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-02-2005
Datum publicatie
09-02-2005
Zaaknummer
200405421/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 mei 2004, kenmerk 28-2003, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een agrarisch bedrijf met vleesvarkens gelegen op het perceel achter [locatie] te Oirschot, kadastraal bekend gemeente Oirschot, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 19 mei 2004 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2005/2806
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200405421/1.

Datum uitspraak: 9 februari 2005.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te Oirschot,

en

het college van burgemeester en wethouders van Oirschot,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2004, kenmerk 28-2003, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een agrarisch bedrijf met vleesvarkens gelegen op het perceel achter [locatie] te Oirschot, kadastraal bekend gemeente Oirschot, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 19 mei 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 27 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op 30 juni 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 31 augustus 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten en vergunninghouder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 januari 2005, waar [een van de appellanten], in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door S.P.M. Verouden-van Leeuwen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Vergunninghouder is met bericht van verhindering niet ter zitting verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Verweerder heeft, ter zitting, gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover dat zich keert tegen de emissiewaarden vanwege de ziekenboeg en de aannames over de hokafscheiding en de voerbakgrootte per hok met betrekking tot de ziekenboeg.

   Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

   Anders dan verweerder heeft gesteld vindt de grond inzake de emissiewaarden vanwege de ziekenboeg wel zijn grondslag in de bedenkingen. Hierin is immers aangevoerd dat de door verweerder gemaakte berekening met betrekking tot het emitterend oppervlak foutief is nu daarin de ziekenboeg niet is meegenomen. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het beroep in zoverre ontvankelijk is.

   Appellanten hebben de beroepsgronden inzake de aannames over de hokafscheiding en de voerbakgrootte per hok met betrekking tot de ziekenboeg, het slechte toekomstbeleid van verweerder en het creëren van een extra agrarisch bouwblok zonder wijziging van het bestaande bestemmingsplan niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.2.    De bij het bestreden besluit verleende revisievergunning heeft betrekking op het houden van 770 vleesvarkens (traditioneel stalsysteem, hokoppervlak maximaal 0,8 m2) en 600 vleesvarkens (Groen Label-stalsysteem, hokoppervlak maximaal 0,18 m2).

2.3.    Appellanten voeren aan dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van een emitterend mestoppervlak van maximaal 0,18 m2 per dier wat betreft de varkens in stal 2. Volgens hen wordt dit oppervlak overschreden, omdat ook in de ziekenboeg een roostervloer wordt aangebracht, welke moet worden meegenomen in de berekening.

2.3.1.    Uit de aanvraag en de daarbij behorende tekening, die beide blijkens het dictum van het bestreden besluit deel uitmaken van de vergunning, blijkt dat in stal 2  600 varkens worden gehouden. Uit de aan de vergunning verbonden voorschriften 9.1.1 en 11.6.1 en de bij de aanvraag behorende beschrijving van het stalsysteem van stal 2, welke eveneens deel uitmaakt van de vergunning, blijkt dat deze varkens op een hokoppervlakte van maximaal 0,18 m2 per dier mogen worden gehuisvest. Verweerder heeft voor het bepalen van de netto beschikbare stalruimte de ziekenboeg niet meegerekend.

   De Afdeling is van oordeel dat verweerder, gelet op de omstandigheid dat zieke dieren slechts tijdelijk in de ziekenboeg worden geplaatst en na genezing weer naar hun hok terugkeren, de ziekenboeg niet bedoeld is voor reguliere huisvesting en de zich in de ziekenboeg bevindende varkens al zijn meegerekend voor het bepalen van de ammoniakemissie, zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de ziekenboeg niet behoeft te worden meegenomen in het bepalen van het emitterend oppervlak voor de varkens in stal 2. Gelet op het vorenstaande is verweerder terecht uitgegaan van een emitterend mestoppervlak van maximaal 0,18 m2 per dier.

   Wat betreft de vrees van appellanten dat stal 2 mogelijk niet wordt uitgevoerd conform de vermelde Groen Label-specificatie overweegt de Afdeling dat dit een kwestie van handhaving betreft en zich derhalve niet tegen de ter beoordeling staande vergunning richt. Het bezwaar kan om die reden in deze procedure niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.4.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.5.    Appellanten stellen dat sprake is van onaanvaardbare stankhinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting. Zij betogen dat verweerder de woningen aan de [locaties] ten onrechte niet heeft aangemerkt als categorie II-objecten als bedoeld in de brochure Veehouderij en Hinderwet (hierna: de brochure). Uitgaande van een categorie II-indeling wordt volgens appellanten niet voldaan aan de minimaal aan te houden afstand.

2.5.1.    Verweerder heeft bij de beoordeling van de stankhinder de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) tot uitgangspunt genomen. Bij de bepaling van de omgevingscategorieën heeft hij de brochure gehanteerd.

2.5.2.    Uit de stukken is gebleken dat voornoemde, in de omgeving van de inrichting gelegen woningen verspreid liggen in het buitengebied. Gelet op de onderlinge afstanden tussen deze woningen is de Afdeling van oordeel dat niet kan worden geconcludeerd dat deze woningen zijn geconcentreerd in een lintbebouwing of aan het buitengebied een bepaalde woonfunctie verlenen. Verweerder heeft deze woningen daarom terecht niet aangemerkt als categorie II-objecten als bedoeld in de brochure. Verder is niet gebleken dat niet aan de minimaal in acht te nemen afstand ingevolge de Richtlijn wordt voldaan. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben betoogd geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit.

2.6.    Appellanten betogen verder dat de vergunning uit een oogpunt van cumulatieve stankhinder niet kan worden verleend, omdat de toegestane norm voor cumulatieve stankhinder wat betreft de woningen aan de [locatie] wordt overschreden.

2.6.1.    Verweerder heeft voor de beoordeling van de cumulatieve stankhinder het rapport “Beoordeling cumulatie stankhinder door intensieve veehouderij” van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Publicatiereeks Lucht, nr. 46 (hierna: het rapport) tot uitgangspunt genomen. Het in het rapport gehanteerde rekenmodel komt er op neer dat per stankgevoelig object een optelsom moet worden gemaakt van de relatieve bijdragen van de relevante inrichtingen. Hierbij moet worden uitgegaan van de afzonderlijke stallen. Volgens het rapport is in een geval als het onderhavige van een onaanvaardbare cumulatie van stankhinder sprake wanneer de som van de individuele bijdragen een waarde van 1,5 overschrijdt.

2.6.2.    Uit de door verweerder in het bestreden besluit gemaakte cumulatieberekeningen blijkt dat ten aanzien van de woningen aan de [locatie] de toetsingsnorm van 1,5 niet wordt overschreden. Niet gebleken is dat deze door verweerder uitgevoerde cumulatieberekening onjuist is. De Afdeling is daarom van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor onaanvaardbare cumulatieve stankhinder niet behoeft te worden gevreesd. Dit beroepsonderdeel treft geen doel.

2.7.    Appellanten betogen – kort weergegeven – dat conform het alara-beginsel een verplichting moet worden opgelegd tot toepassing van emissiearme technieken wat betreft de bestaande stal 1-1a. Daarbij hebben zij aangevoerd dat deze stal als Groen Label-stal dient te worden uitgevoerd. De Afdeling begrijpt dit beroepsonderdeel aldus dat appellanten van mening zijn dat de vergunning zoals deze op dit onderdeel is aangevraagd niet kan worden verleend.

2.7.1.    Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderijen (hierna: de Wav) betrekt het bevoegd gezag bij beslissingen inzake de vergunning voor de oprichting of verandering van een veehouderij de gevolgen van ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 7.

   Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wav, geldt het eerste lid niet voor voorschriften die worden gesteld met toepassing van de artikelen 8.11, 8.44, 8.45 of 8.46 van de Wet milieubeheer.

   Ingevolge artikel 3, vierde lid, van de Wav geldt het eerste lid – onverminderd artikel 7 – evenmin bij het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 7.35 van de Wet milieubeheer met betrekking tot een veehouderij, bij de voorbereiding waarvan krachtens hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer een milieu-effectrapportage dient te worden gemaakt.

   Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wav wordt een vergunning voor het veranderen van een veehouderij geweigerd, indien de aanvraag betrekking heeft op een uitbreiding van het aantal dieren van een of meer diercategorieën en een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied.

   Ingevolge artikel 6, tweede lid, van de Wav wordt, indien geen van de tot de veehouderij behorende dierenverblijven geheel of gedeeltelijk is gelegen in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied, een vergunning voor het veranderen van een veehouderij geweigerd, indien de veehouderij onder de reikwijdte van Richtlijn 96/61 van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (hierna: de IPPC-Richtlijn) valt, en de toename van de ammoniakemissie uit de dierenverblijven als gevolg van de uitbreiding een belangrijke toename van de verontreiniging veroorzaakt.

2.7.2.    De Afdeling overweegt allereerst dat uit het stelsel van de Wet milieubeheer volgt dat het bevoegde gezag dient te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. De door appellanten voorgestane maatregel wordt niet in de aanvraag vermeld. Verder stelt de Afdeling vast dat geen van de tot de veehouderij behorende dierenverblijven is gelegen in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied en dat de inrichting niet valt onder de werkingssfeer van de IPPC-Richtlijn. De vergunning kan derhalve niet worden geweigerd op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Wav. Voorts staat vast dat de in artikel 3, vierde lid, van de Wav bedoelde situatie zich niet voordoet.

   Anders dan appellanten naar voren hebben gebracht, kan de vergunning evenmin worden geweigerd op grond van de vaststelling dat niet voldaan kan worden aan het alara-beginsel. Op grond van artikel 3, derde lid, van de Wav en artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer kunnen aan de vergunning slechts voorschriften worden verbonden. Aldus heeft verweerder de vergunning voor het houden van vleesvarkens in stal 1-1a in zoverre terecht niet geweigerd. Ook overigens vindt de Afdeling op grond van hetgeen uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door appellanten voorgestane maatregel redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

2.8.    Appellanten hebben voorts bezwaren aangevoerd die verband houden met de door de inrichting veroorzaakte geluidhinder. Daarbij hebben zij betoogd dat, gelet op de huidige belasting en de thans vergunde uitbreiding van de inrichting, ten onrechte geen akoestisch onderzoek naar de vanwege de inrichting te duchten geluidhinder heeft plaatsgevonden. Zij stellen dat, onder andere vanwege de ventilatoren, niet aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan. Ter beperking van geluidhinder dienen er naar de mening van appellanten geluidbeperkende voorzieningen te worden getroffen. Voorts betogen appellanten dat de door verweerder uitgevoerde geluidberekening niet correct is, omdat de diverse afstanden tot de omliggende woningen onjuist zijn.

2.8.1.    Ingevolge voorschrift 6.1.1 mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAR,LT) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten in de representatieve bedrijfssituatie, ter plaatse van de dichtstbijgelegen woningen van derden niet meer bedragen dan:

- 40 dB(A) op 1,5 m hoogte in de uren gelegen tussen 07.00 en 19.00 uur;

- 35 dB(A) op 5,0 m hoogte in de uren gelegen tussen 19.00 en 23.00 uur;

- 30 dB(A) op 5,0 m hoogte in de uren gelegen tussen 23.00 en 07.00 uur.

   Ingevolge voorschrift 6.1.2 mag het maximale geluidniveau (LAmax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten in de representatieve bedrijfssituatie, ter plaatse van de dichtstbijgelegen woningen van derden niet meer bedragen dan:

- 70 dB(A) op 1,5 m hoogte in de uren gelegen tussen 07.00 en 19.00 uur;

- 45 dB(A) op 5,0 m hoogte in de uren gelegen tussen 19.00 en 23.00 uur;

- 40 dB(A) op 5,0 m hoogte in de uren gelegen tussen 23.00 en 07.00 uur.

2.8.2.    Voor de beoordeling van geluidhinder heeft verweerder de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening tot uitgangspunt genomen. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat, gezien de aard en de duur van de geluidrelevante activiteiten en de situering van de inrichting, een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk is. Daarbij heeft verweerder gewezen op het feit dat de minimale afstand van de bedrijfsgebouwen tot de woningen van derden 150 meter bedraagt. Naar de mening van verweerder kunnen de in de aan de vergunning verbonden voorschriften 6.1.1 en 6.1.2 gestelde geluidgrenswaarden worden nageleefd.

2.8.3.    Verweerder heeft zich naar het oordeel van de Afdeling op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat een akoestisch onderzoek naar de naleefbaarheid van de in voorschriften 6.1.1 en 6.1.2 gestelde geluidgrenswaarden niet noodzakelijk is. Hierbij neemt de Afdeling mede in aanmerking dat de inrichting niet behoort tot één van de categorieën inrichtingen ten aanzien waarvan op grond van artikel 5.10 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer gegevens moeten worden geleverd over de te verwachten geluidbelasting en de maatregelen die in verband daarmee worden genomen.

   Voor de beoordeling van de naleefbaarheid van de aan het bestreden besluit verbonden geluidvoorschriften heeft verweerder na het nemen van het bestreden besluit een berekening laten maken. Uit deze berekening blijkt dat door het in werking zijn van de inrichting wordt voldaan aan de in de voorschriften 6.1.1 en 6.1.2 gestelde geluidgrenswaarden. De Afdeling is niet gebleken van de onjuistheid van voornoemde berekening. Mede gelet op het vorenstaande en de aard van de inrichting en de omvang van de vergunde activiteiten ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben betoogd geen aanleiding voor het oordeel dat de in de voorschriften 6.1.1 en 6.1.2 gestelde geluidgrenswaarden niet kunnen worden nageleefd. Het beroep treft in zoverre geen doel. In hetgeen appellanten voor het overige met betrekking tot het aspect geluid hebben aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit.

2.9.    Ten aanzien van hetgeen door appellanten is aangevoerd aangaande het voorschrijven van een nulsituatie-onderzoek naar de bodemkwaliteit overweegt de Afdeling in navolging van haar uitspraak van 21 januari 1997, no. E03.95.0821 (M en R 1997/6, nr. 70), dat, indien toereikende gedragsregels en voorzieningen met het oog op de bescherming van bodem zijn voorgeschreven in de vergunning voor een (intensief) veehouderijbedrijf met reguliere activiteiten, ervan uit moet worden gegaan dat bij de naleving van die voorschriften de kwaliteit van de bodem niet in relevante mate nadelig zal worden beïnvloed. De Afdeling stelt vast dat aan de onderhavige vergunning, onder andere in hoofdstuk 2 (afvalstoffen) 3 (bodem), 9.2 (behandeling en bewaring van drijfmest) en 9.3 (behandeling en bewaring vaste mest), voorschriften zijn verbonden die zijn gericht op de bescherming van de bodem. De Afdeling is van oordeel dat verweerder deze voorschriften toereikend heeft kunnen achten om verontreiniging van de bodem te voorkomen. Ook overigens is de Afdeling niet gebleken van bijzondere omstandigheden die tot de conclusie moeten leiden dat een nulsituatie-onderzoek had moeten plaatsvinden. Het beroep treft in zoverre geen doel. Mede gelet op het vorenstaande kan het betoog van appellanten inzake het jaarlijks uitvoeren van een bodemonderzoek eveneens niet slagen.

2.10.    Het beroep is, voorzover ontvankelijk, ongegrond.

2.11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het de gronden inzake de aannames over de hokafscheiding en de voerbakgrootte per hok met betrekking tot de ziekenboeg, het slechte toekomstbeleid van verweerder en het creëren van een extra agrarisch bouwblok zonder wijziging van het bestaande bestemmingsplan betreft;

II.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd    w.g. Van Leeuwen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2005.

373.