Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS5485

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-02-2005
Datum publicatie
09-02-2005
Zaaknummer
200406854/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 januari 2003 heeft de burgemeester van Eindhoven (hierna: de burgemeester) besloten het horecabedrijf "Movies" aan de Vestdijk 9 te Eindhoven (hierna: het horecabedrijf) tijdelijk te sluiten voor een periode van twee weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2005/1529
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200406854/1.

Datum uitspraak: 9 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    [appellante sub 3], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 5 juli 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

de burgemeester van Eindhoven.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2003 heeft de burgemeester van Eindhoven (hierna: de burgemeester) besloten het horecabedrijf "Movies" aan de Vestdijk 9 te Eindhoven (hierna: het horecabedrijf) tijdelijk te sluiten voor een periode van twee weken.

Bij besluit van 14 juli 2003 heeft de burgemeester het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 juli 2004, verzonden op 7 juli 2004, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 16 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 september 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 4 oktober 2004 heeft de burgemeester van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 januari 2005, waar appellant sub 1 in persoon, bijgestaan door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, appellanten sub 2 en 3, vertegenwoordigd door Van der Westen, voornoemd, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. M.C.H.G. Schavemaker, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.        Ingevolge artikel 2.3.1.5., eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Eindhoven (hierna: de APV) kan de burgemeester in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor een of meer horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2.3.1.4. van de APV geldende sluitingsuren vaststellen of tijdelijke sluiting bevelen.

       In paragraaf 14 van de notitie Horecastappenplan is vermeld dat door het bevoegd gezag direct tot sluiting van de inrichting en/of het intrekken van de drank- en horecavergunning dan wel het verlof kan worden besloten indien er sprake is van een ernstig incident en/of ernstige verstoring van de openbare orde dan wel dreigende ernstige verstoring van de openbare orde. Het horecastappenplan is dienaangaande niet van toepassing. Afhankelijk van de ernst van de gepleegde feiten wordt de duur van de sluiting gesteld op maximaal 52 weken.

2.2.        Op 27 oktober 2002 heeft zich omstreeks 04.00 uur in en nabij het horecabedrijf een incident voorgedaan dat door de burgemeester als ernstig is betiteld en op basis waarvan is overgegaan tot tijdelijke sluiting van het horecabedrijf voor een periode van twee weken.

2.3.        Appellanten betogen dat bij de beoordeling van de kwalificatie van het incident als ernstig niet kan worden volstaan met een terughoudende toetsing van de door de burgemeester verrichte belangenafweging en van de motivering van de beslissing op bezwaar. Voorts betogen appellanten dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat sprake is geweest van een ernstig incident, althans dat die conclusie onvoldoende is onderbouwd. Hierbij hebben appellanten aangevoerd dat de verklaringen van de politie over het incident tegenstrijdigheden bevatten en dat de burgemeester mede daarom ten onrechte heeft afgezien van het horen van getuigen onder ede en van het afwachten van de uitkomst van een eventuele strafrechtelijke procedure. Volgens appellanten komt aan het gebruik van pepperspray door de politie tegen appellant sub 1 geen belang toe bij de kwalificatie van het incident als ernstig, omdat een fysiek sterkere en minder onervaren politieagent geen pepperspray had hoeven gebruiken.

       Ten slotte betogen appellanten dat de rechtbank heeft miskend dat de burgemeester te lang heeft gewacht alvorens tot sluiting van het horecabedrijf over te gaan, waardoor de sluiting niet meer het herstel van de openbare orde kon beogen en de sluitingsbevoegdheid is gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die is gegeven.

2.4.        Dit betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de burgemeester bij de kwalificatie van het in de aangevallen uitspraak beschreven incident als ernstig beoordelingsruimte toekomt, en dat de burgemeester de grenzen hiervan niet heeft overschreden door het incident als een ernstig incident aan te merken.

       Dat het incident volgens appellanten ook met krachtiger fysiek optreden zonder pepperspray beëindigd had kunnen worden, doet - daargelaten of deze stelling juist is - niet af aan de ernst van de gedragingen van appellanten sub 1 en sub 2.

       De rechtbank heeft voorts met juistheid overwogen dat appellanten de gelegenheid hebben gekregen zich te verdedigen tegen de zakelijke inhoud van de processen-verbaal van de politie, alsmede dat de burgemeester kennis heeft genomen van de door appellanten ingebrachte getuigenverklaringen, en dat hij daaraan niet zodanig gewicht had moeten toekennen dat deze de op ambtseed opgemaakte processen-verbaal van de betrokken politieagenten ontkrachten. Deze getuigenverklaringen doen inhoudelijk niet wezenlijk af aan de karakterisering van de gebeurtenissen als een ernstig incident.    

2.4.1.    Anders dan appellanten betogen, kan niet worden staande gehouden dat met de sluiting van het horecabedrijf zodanig lang is gewacht dat daarmee niet meer het herstel van de openbare orde kon zijn beoogd. Nadat is gewacht totdat de voorzieningenrechter van de rechtbank bij uitspraak van 20 maart 2003 de door appellanten gevraagde voorziening heeft afgewezen, is het horecabedrijf met ingang van 24 maart 2003 gesloten. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat niet onredelijk lang is gewacht voordat daadwerkelijk is overgegaan tot sluiting, mede nu het effect van het incident geruime tijd doorwerkt in het uitgaansgebied waarin het horecabedrijf is gelegen.

2.5.        Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.        Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Matulewicz

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2005

45-450.