Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS5484

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-02-2005
Datum publicatie
09-02-2005
Zaaknummer
200406606/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 maart 1999 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sint-Michielsgestel (hierna: het college) geweigerd om aan [partij] een bouwvergunning te verlenen voor een zendmast op het perceel [locatie] te [plaats], sectie […] (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Grondwet
Grondwet 93
Grondwet 94
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2005, 224
Gst. 2005, 141 met annotatie van D.E. Bunschoten
NTM/NJCM-bull. 2005, p. 574 met annotatie van Peter Mendelts
JB 2005/98
JOM 2007/673
OGR-Updates.nl 1000921
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200406606/1.

Datum uitspraak: 9 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 23 juni 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Sint-Michielsgestel.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 maart 1999 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sint-Michielsgestel (hierna: het college) geweigerd om aan [partij] een bouwvergunning te verlenen voor een zendmast op het perceel [locatie] te [plaats], sectie […] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 21 september 1999 heeft het college het daartegen door [partij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 januari 2001, verzonden op 5 februari 2001, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch, het daartegen door [partij] ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 21 september 1999 vernietigd.

Bij besluit van 8 mei 2001 heeft het college vervolgens het door [partij] tegen het besluit van 9 maart 1999 gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het bestreden besluit herroepen en aan [partij] bouwvergunning verleend voor een zendmast op het perceel.

Bij uitspraak van 8 juli 2002, verzonden op 9 juli 2002, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 8 mei 2001 vernietigd.

Bij besluit van 1 juli 2003 heeft het college het door [partij] tegen het besluit van 9 maart 1999 gemaakte bezwaar opnieuw gegrond verklaard, het bestreden besluit herroepen en aan [partij] bouwvergunning verleend voor een zendmast op het perceel.

Bij uitspraak van 23 juni 2004, verzonden op 28 juni 2004, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 9 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 september 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 15 september 2004 heeft [partij] een memorie ingediend.

Bij brief van 21 september 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 januari 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. W. Visser, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door mr. H. Groeneveld, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is verschenen [partij], bijgestaan door mr. R.T. Kirpestein, gemachtigde.

2.    Overwegingen

2.1.    Niet in geschil is dat de zendmast met een hoogte – in uitgeschoven toestand – van 18 meter in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Woongebied Beekveld, 1e uitwerking" en dat een binnenplanse vrijstelling niet mogelijk is.

2.2.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de aanvraag om verlening van een bouwvergunning is ingediend met het oog op realisering van een zendmast achter in de tuin van [partij].

2.2.1.    Dit betoog faalt. Ter zitting is aan de hand van de originele stukken komen vast te staan dat de aanvraag om verlening van een bouwvergunning is ingediend met het oog op realisering van een zendmast achter in de tuin van [partij]. De omstandigheid dat op de bouwtekeningen die behoren bij de bouwaanvraag, de stempels van binnenkomst bij het college niet op dezelfde plaats staan, leidt niet tot een ander oordeel, omdat dit wordt verklaard door het feit dat bij de bouwaanvraag drie exemplaren van de bouwtekening zijn ingediend, die ieder apart van bedoelde stempels zijn voorzien.    

2.3.    Voorts betoogt appellant, samengevat weergegeven, dat de rechtbank heeft miskend dat uit artikel 10, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) volgt dat het college, om de plaatsing van de zendmast mogelijk te maken, de vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) niet buiten toepassing kon laten.

2.3.1.    Ingevolge artikel 93 van de Grondwet hebben bepalingen van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.

   In artikel 94 van de Grondwet is bepaald dat binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften geen toepassing vinden, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

   Ingevolge artikel 10, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder  recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen.

   Ingevolge artikel 10, tweede lid, van het EVRM, voorzover thans van belang, kan de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde vrijheden worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de bescherming van de rechten van anderen.

2.3.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 22 juni 1994, in zaak no. R03.90.4205 (AB 1995, 260) is artikel 10 van het EVRM een ieder verbindende bepaling als bedoeld in artikel 94, gelezen in samenhang met artikel 93 van de Grondwet. Hieruit volgt dat voor het verlenen van een bouwvergunning het volgen van een vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19 van de WRO niet noodzakelijk is, mits is voldaan aan de voorwaarde dat de zendmast noodzakelijk is voor de uitoefening van de door artikel 10 van het EVRM gewaarborgde rechten alsmede dat zich geen situatie voordoet die, gelet op het tweede lid van artikel 10 van het EVRM, beperking van die rechten rechtvaardigt.

2.3.3.     [partij] is radio-zendamateur en beschikt over een zogenoemde A-licentie. Voor het zenden en ontvangen van informatie heeft hij een zendmast nodig. Gelet hierop faalt het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat de weigering van de gevraagde bouwvergunning geen inmenging in het recht van [partij] op zijn vrijheid van meningsuiting oplevert. Het bezwaar van appellant heeft uitsluitend betrekking op de visuele hinder, die hij van de zendmast ondervindt. De rechtbank heeft met juistheid en op goede gronden overwogen, dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de zendmast niet onevenredig bezwarend is voor anderen. Dit oordeel van de rechtbank is in hoger beroep niet inhoudelijk aangevochten. De rechtbank is  terecht tot het oordeel gekomen dat het college zich in dit geval op het standpunt mocht stellen dat het volgen van een vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19 van de WRO niet noodzakelijk is.

2.4.    Voorts heeft de rechtbank terecht en op goede gronden overwogen dat het bestreden besluit zorgvuldig is voorbereid. Anders dan appellant betoogt, is de rechtbank ingegaan op zijn betoog met betrekking tot de brief van [partij] van 17 juni 2003, die wordt genoemd in het beroepschrift van 21 augustus 2003.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Klein Nulent

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2005

218-430.