Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS5476

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-02-2005
Datum publicatie
09-02-2005
Zaaknummer
200405170/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 februari 2004, kenmerk G/MeB/MK/0040, heeft verweerder aan appellanten een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 5.000,00 per week, dat het op het perceel [locatie] aanwezige bouw- en sloopafval afkomstig van een gesloopte stolpboerderij niet is verwijderd of de afspraken ten aanzien van dit bouw- en sloopafval zoals neergelegd in de brief aan appellanten van 13 november 2003, niet zijn nagekomen. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 20.000,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200405170/1.

Datum uitspraak: 9 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Beemster,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2004, kenmerk G/MeB/MK/0040, heeft verweerder aan appellanten een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 5.000,00 per week, dat het op het perceel [locatie] aanwezige bouw- en sloopafval afkomstig van een gesloopte stolpboerderij niet is verwijderd of de afspraken ten aanzien van dit bouw- en sloopafval zoals neergelegd in de brief aan appellanten van 13 november 2003, niet zijn nagekomen. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 20.000,00.

Tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het hiertegen gemaakte bezwaar hebben appellanten bij brief van 17 mei 2004, bij de rechtbank Haarlem ingekomen op 18 mei 2004, beroep ingesteld. Na doorzending is het beroep bij de Raad van State ingekomen op 23 juni 2004.

Bij besluit van 23 juni 2004, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 4 februari 2004 gegrond verklaard, voorzover het zich richt tegen de aanschrijving van [een van de appellanten] en tegen de aan het besluit ten grondslag gelegde overtreding van de artikelen 1.1a en 8.1 van de Wet milieubeheer en artikel 13 van de Wet bodembescherming, en voor het overige ongegrond verklaard.

Bij brieven van 30 juli 2004 en 9 september 2004 hebben appellanten het door hen ingestelde beroep aangevuld.

Bij brief van 10 november 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten en verweerder. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 januari 2005, waar [een van de appellanten] in persoon en voorts vertegenwoordigd door mr. I.C. Holtkamp, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door J.R. Mesa en mr. M.P.J. Kuin, ambtenaren van de gemeente, en F. Dekker, gemachtigde, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Voorzover het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, overweegt de Afdeling als volgt.

   Blijkens de ontvangststempel is het bezwaarschrift van appellanten van 6 februari 2004 op 9 februari 2004 bij verweerder ingekomen. Gebleken is dat verweerder een adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft ingesteld. Verweerder heeft hiervan zo spoedig mogelijk mededeling gedaan aan appellanten, zoals bepaald in artikel 7:13, tweede lid, van de Awb. Verder heeft verweerder ingestemd met het verzoek van appellanten om de gronden van het bezwaar uiterlijk op 16 maart 2004 aan te vullen. Bij brief van 16 maart 2004 hebben appellanten nogmaals verzocht om uitstel. Verweerder heeft daarop uitstel verleend tot en met 2 april 2004. Op 1 april 2004 heeft verweerder de gronden van het bezwaar ontvangen. Vervolgens heeft verweerder appellanten bij brief van 7 juni 2004 medegedeeld dat de beslissing op bezwaar, met toepassing van het bepaalde in artikel 7:10, derde lid, van de Awb, voor ten hoogste vier weken wordt verdaagd.

   Gelet op het voorgaande is de Afdeling met verweerder van oordeel dat de beslistermijn ingevolge het bepaalde in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb is begonnen op 2 april 2004 en, na de verdaging, geëindigd op 8 juli 2004. Appellanten hebben bij brief van 17 mei 2004, bij de rechtbank Haarlem ingekomen op 18 mei 2004, derhalve op een tijdstip dat er nog geen sprake was van ingevolge artikel 6:2 van de Algemene wet bestuursrecht voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over beroep met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit, beroep ingesteld. Nu het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit prematuur is ingesteld, is de Afdeling in zoverre onbevoegd van het beroep kennis te nemen.

2.2.    Verweerder heeft bij besluit van 23 juni 2004, derhalve binnen de beslistermijn, op het bezwaarschrift beslist. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 1 mei 2002 in zaak no. 200102535/1 kan, indien de beslistermijn nog niet is verstreken, niettemin sprake zijn van toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb.

   In artikel 6:20, vierde lid, van de Awb is, voor die gevallen waarin het bezwaar of beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, bepaald dat het bezwaar of beroep wordt geacht mede te zijn gericht tegen het besluit op de aanvraag, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt.

   Gelet hierop moet het beroep dat appellanten hebben ingesteld bij brief van 17 mei 2004, aangevuld bij brieven van 30 juli 2004 en 9 september 2004, mede worden geacht te zijn gericht tegen het besluit van 23 juni 2004.

2.3.    Appellanten stellen ter zake dat onduidelijk was welke overtreding aan het primaire besluit van 4 februari 2004 ten grondslag was gelegd, aangezien daarin zowel artikel 10.2 van de Wet milieubeheer als de artikelen 1.1a en 8.1 van die wet en artikel 13 van de Wet bodembescherming werden vermeld. Volgens appellanten komt het bestreden besluit, waarin verweerder aan de opgelegde last onder dwangsom enkel strijd met artikel 10.2 van de Wet milieubeheer ten grondslag heeft gelegd, neer op een nieuw primair besluit in plaats van een beslissing op bezwaar. Voorts heeft verweerder in het bestreden besluit niet gemotiveerd waarom niet ook de eerder genoemde wettelijke bepalingen aan het besluit ten grondslag hadden kunnen liggen, aldus appellanten.

2.3.1.    Verweerder heeft tijdens controlebezoeken geconstateerd dat een grote hoeveelheid bouw- en sloopafval, afkomstig van een gedeeltelijk gesloopte boerderij, over het perceel [locatie] te [plaats] was verspreid en deels met doek was afgedekt, waarover een laagje fijn granulaat was gestort. Volgens verweerder is daarmee primair sprake van een overtreding van artikel 10.2 van de Wet milieubeheer, dat onder meer ziet op het in of op de bodem brengen van afvalstoffen buiten een inrichting. Om een einde te maken aan deze overtreding heeft verweerder bij besluit van 4 februari 2004 een last onder dwangsom opgelegd. In dit besluit heeft verweerder tevens opgemerkt dat sprake is van overtreding van de artikelen 1.1a en 8.1 van de Wet milieubeheer en artikel 13 van de Wet bodembescherming.

2.3.2.    Bij het bestreden besluit heeft verweerder, gelet op artikel 7:11 van de Awb, het dwangsombesluit heroverwogen. Deze heroverweging heeft verweerder, zo leidt de Afdeling uit de stukken af, aanleiding gegeven het dwangsombesluit te herroepen, in die zin – voorzover hier van belang – dat de last onder dwangsom wordt opgelegd uitsluitend in verband met overtreding van artikel 10.2 van de Wet milieubeheer. Bij de beslissing op bezwaar is de last onder dwangsom niet inhoudelijk veranderd. Nu verweerder de overtreding van artikel 10.2 van de Wet milieubeheer bij de beslissing op bezwaar als grondslag in stand heeft gehouden, en het bestreden besluit derhalve in zoverre neerkomt op handhaving van het besluit van 4 februari 2004, valt niet in te zien dat sprake is van een nieuw primair besluit, zoals appellanten betogen.

   Voorzover appellanten wijzen op de onduidelijkheid in het besluit van 4 februari 2004 met betrekking tot de overtreding welke aan de last onder dwangsom ten grondslag is gelegd, overweegt de Afdeling dat verweerder bij het bestreden besluit, zoals hierboven weergegeven, dit mogelijke zorgvuldigheidsgebrek heeft hersteld. Verweerder heeft naar het oordeel van de Afdeling, onder verwijzing naar het bij het bestreden besluit gevoegde advies van de commissie voor bezwaar- en beroepschriften, afdoende gemotiveerd waarom de heroverweging ertoe heeft geleid dat de last onder dwangsom wat de wettelijke grondslag betreft, niet geheel gehandhaafd kon blijven. Verder is de Afdeling van oordeel dat in het dwangsombesluit van 4 februari 2004 de overtreding van artikel 10.2 van de Wet milieubeheer duidelijk wordt omschreven en inzichtelijk gemaakt, zodat het, in zoverre in bezwaar gehandhaafde, besluit geen aanleiding geeft tot enig misverstand daaromtrent.

   De beroepsgronden treffen geen doel.

2.4.    Appellanten stellen verder dat verweerder bij het bestreden besluit ten onrechte de begunstigingstermijn, die afliep op 22 maart 2004, niet heeft verlengd. Door de onduidelijkheid met betrekking tot de overtreding welke aan de last onder dwangsom ten grondslag is gelegd, was verweerder hiertoe gehouden, aldus appellanten. Verder voeren appellanten in dit verband aan dat de uitspraak van de Voorzitter op hun verzoek om voorlopige voorziening met betrekking tot het primaire besluit na het einde van de begunstigingstermijn bekend is geworden. Volgens appellanten was het voorts niet mogelijk, mede vanwege de opslag van zwaar bouwmateriaal op het terrein waaronder het puin was aangebracht, binnen de gestelde termijn aan de last te kunnen voldoen.

2.4.1.    Verweerder acht de gestelde begunstigingstermijn toereikend. Hij bestrijdt dat het niet mogelijk zou zijn binnen deze termijn maatregelen te treffen om een einde te maken aan de illegale situatie. In verband hiermee voert hij aan dat reeds voorafgaande aan het dwangsombesluit met appellanten afspraken waren gemaakt over de wijze en het tijdstip waarop een einde moest worden gemaakt aan de illegale situatie. Onder meer was afgesproken dat het puin eind 2003 zou zijn opgeruimd. Volgens verweerder hebben appellanten de vermeende onmogelijkheid toen niet aangevoerd. Naar de mening van verweerder is, gelet op het tijdstip waarop de begunstigingstermijn afliep, geruime tijd de gelegenheid geboden om de overtreding te beëindigen.

2.4.2.    De Afdeling overweegt allereerst dat, voorzover appellanten beogen te stellen dat het vertrouwen is gewekt dat de begunstigingstermijn zou worden verlengd, van enig doen of nalaten van verweerder waaraan appellanten de gerechtvaardige verwachting hebben kunnen ontlenen dat van handhaving van de, in het dwangsombesluit gestelde begunstigingstermijn zou worden afgezien, niet is gebleken.

   Voorts ziet de Afdeling, gelet op het vorenoverwogene inzake de door appellanten gestelde onduidelijkheid met betrekking tot de overtreding welke aan de last onder dwangsom ten grondslag is gelegd, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in verband daarmee de begunstigingstermijn had moeten verlengen. Verder heeft de Voorzitter in zijn uitspraak van 7 april 2004 het dwangsombesluit wat de opgelegde begunstigingstermijn betreft niet geschorst, dan wel een andere voorlopige voorziening ter zake getroffen, zodat verweerder terecht stelt dat ook om die reden geen termen aanwezig waren om tot verlenging van de begunstigingstermijn over te gaan.

   Voorzover appellanten betogen dat het onmogelijk was om tijdig aan de last te voldoen, overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is geworden dat vanwege de opslag van bouwmateriaal op het terrein waaronder het puin was aangebracht, dan wel vanwege de bloembollen in het achterliggende veld, de situatie ter plaatse niet tijdig in overeenstemming kon worden gebracht met de wet.

   Ook in hetgeen appellanten verder hebben aangevoerd, ziet de Afdeling, gelet op de motivering van verweerder, geen grond voor het oordeel dat een begunstigingstermijn van ruim zes weken onvoldoende zou zijn om de nodige maatregelen te treffen om de verbeuring van dwangsommen te voorkomen. Niet aannemelijk is geworden dat niet binnen de gestelde termijn, zij het wellicht met aanzienlijke inspanningen en kosten, aan de opgelegde last kon worden voldaan.

   Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen vasthouden aan de begunstigingstermijn zoals gesteld in het primaire besluit. De beroepsgronden treffen geen doel.

2.5.    Gelet op het voorgaande is het beroep, voorzover de Afdeling bevoegd is daarvan kennis te nemen, ongegrond.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart zich onbevoegd van het beroep, voorzover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaarschrift, kennis te nemen;

II.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.L. Toorenburg-Bovenkerk, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Toorenburg-Bovenkerk

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2005

334.