Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS5469

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-02-2005
Datum publicatie
09-02-2005
Zaaknummer
200410083/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 oktober 2004, kenmerk DGWM/2004/17400, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan verzoekster een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor onder meer het op- en overslaan en be- en verwerken van gevaarlijke afvalstoffen op het perceel Leeuwenhoekweg 33 te Dordrecht, kadastraal bekend gemeente Dordrecht, sectie L, nummers 2612 (gedeeltelijk) en 2744. Dit besluit is op 1 november 2004 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2005/11 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200410083/2.

Datum uitspraak: 2 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "SITA EcoService Nederland B.V.", gevestigd te Arnhem,

verzoekster,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2004, kenmerk DGWM/2004/17400, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan verzoekster een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor onder meer het op- en overslaan en be- en verwerken van gevaarlijke afvalstoffen op het perceel Leeuwenhoekweg 33 te Dordrecht, kadastraal bekend gemeente Dordrecht, sectie L, nummers 2612 (gedeeltelijk) en 2744. Dit besluit is op 1 november 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft onder meer verzoekster bij brief van 13 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op 14 december 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 13 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op 14 december 2004, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 januari 2005, waar verzoekster, vertegenwoordigd door ing. J.P. Schets en J. Muitjens, gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. C.H. Pennekamp-Topman, ing. K. Alblas en V.M.E. Deumers, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Verzoekster stelt dat voorschrift 2.1.6, aanhef en onder b, niet nodig is ter bescherming van het milieu.

   Ingevolgde dit voorschrift, voorzover hier van belang, dient vergunninghoudster de bij de aanvraag gevoegde beschrijving van het acceptatie- en verwerkingsbeleid zodanig aan te passen/aan te vullen dat op de analysecertificaten en specifieke aanleveringsvoorwaarden formulieren (SAV's en semi-SAV's), indien van toepassing, ook alle relevante parameters van de negatieve lijsten van het rapport "De verwerking verantwoord" van de werkgroep “Uitvoering aanbevelingen Commissie HOI’s en inspectieonderzoek” van november 2001 (hierna: het rapport) vermeld zijn.

   Verzoekster betoogt dat als gevolg van dit voorschrift altijd op alle stoffen van de negatieve lijsten van het rapport moet worden geanalyseerd. Volgens haar is dit gezien het rapport niet nodig; in bepaalde gevallen kan worden volstaan met een administratieve controle.

2.2.1.    Verweerder heeft gesteld dat verzoekster in haar beschrijving van haar acceptatie- en verwerkingsbeleid geen onderscheid maakt naar afvalstromen met een hoog, matig en laag risico. Hij is van mening dat, zolang dit onderscheid niet wordt gemaakt, voor alle afvalstromen het risico als hoog moet worden beschouwd. Volgens verweerder brengt dit, het rapport als uitgangspunt hanterende, met zich dat, zoals voortvloeit uit voorschrift 2.1.6, aanhef en onder b, indien van toepassing, alle relevante parameters van de negatieve lijsten van het rapport moeten worden geanalyseerd.

2.2.2.    In het rapport worden in hoofdstuk 6 uitgangspunten geformuleerd voor het acceptatie- en verwerkingsbeleid. Deze uitgangspunten zijn uitgewerkt in richtlijnen waaraan een acceptatie- en verwerkingsbeleid dient te voldoen. Deze richtlijnen zijn opgenomen in bijlage VIII van het rapport.

   Het rapport vermeldt dat tijdens het acceptatieonderzoek wordt getoetst op zogenaamde acceptatieparameters. Er wordt onderscheid gemaakt tussen karakteristieke, aanvullende en overige parameters. Karakteristieke parameters zijn parameters die worden geanalyseerd met als doel een 'fingerprint' te maken van de afvalstof, eventueel aangevuld met specifieke verwerkingscriteria. Aanvullende parameters zijn parameters van stoffen uit de negatieve lijsten die met enige regelmaat worden aangetroffen en waarvoor overschrijding van de norm leidt tot een andere afvoerroute. Parameters van stoffen uit de negatieve lijsten die slechts bij uitzondering worden aangetroffen zijn ingedeeld onder de overige parameters. Indien tijdens de vooracceptatie is geconstateerd dat stoffen voorkomen die worden genoemd onder aanvullende of overige parameters worden deze stoffen als karakteristiek aangemerkt.

   De uitgebreidheid van het acceptatieonderzoek is afhankelijk van de mate van risico – hoog, matig of laag – die het bedrijf loopt bij het accepteren van een bepaalde afvalstroom. Bij een hoog risico beveelt het rapport een analytisch onderzoek van alle karakteristieke parameters aan. Verder wordt in dit geval een analytisch onderzoek naar de aanvullende parameters aanbevolen, tenzij aan de hand van het administratieve onderzoek kan worden aangetoond dat dit voor één of meer aanvullende parameters niet zinvol is.

2.2.3.    Verzoekster heeft ter zitting opgemerkt nog te werken aan een acceptatie- en verwerkingsprocedure conform het rapport, met het daarbij behorende onderscheid naar risicoinschatting. De Voorzitter overweegt dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, nu verzoekster in haar beschrijving van haar acceptatie- en verwerkingsbeleid geen onderscheid maakt naar afvalstromen met een hoog, matig en laag risico, wat de uitgebreidheid van het acceptatieonderzoek betreft voor alle afvalstromen het risico als hoog moet worden beschouwd.

   Naar het oordeel van de Voorzitter is het echter niet in overeenstemming met het rapport dat in het geval sprake is van een afvalstroom met een hoog risico, indien van toepassing, alle relevante parameters van de negatieve lijsten van het rapport moeten worden geanalyseerd. Immers uit het rapport volgt dat van een analytisch onderzoek naar de aanvullende parameters kan worden afgezien, indien aan de hand van het administratieve onderzoek kan worden aangetoond dat dit voor één of meer aanvullende parameters niet zinvol is. Verder hoeft geen analytisch onderzoek naar de overige parameters te worden gedaan.

   Gelet op het bovenstaande heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voorschrift 2.1.6, aanhef en onder b, nodig is ter bescherming van het milieu.

2.3.    Verzoekster kan zich niet vinden in voorschrift 3.1.2, aanhef en onder d.

   Ingevolge dit voorschrift, voorzover hier van belang, dient vergunninghoudster de bij de aanvraag gevoegde beschrijving van de administratieve organisatie en interne controle zodanig aan te passen/aan te vullen dat uitgevoerde analyses en bewaartermijnen van monsters conform de richtlijnen van het rapport plaatsvinden.

   Ter zitting heeft verzoekster haar verzoek toegespitst op de bewaartermijnen van de monsters. Hieromtrent heeft zij opgemerkt dat de monsters bij haar standaard twee maanden bewaard blijven en dat deze termijn in de praktijk voldoende is gebleken. Een standaard bewaartermijn van twee maanden is volgens verzoekster administratief gezien makkelijker te realiseren dan een bewaartermijn die per monster verschillend is.

2.3.1.    In bijlage VI "Randvoorwaarden voor de monstername- en analyseprocedure" van het rapport wordt over de bewaartermijn van monsters van partijen afvalstoffen het volgende vermeld. Monsters van inkomende partijen bij acceptatie dienen ten minste te worden bewaard totdat volledige interne be- en/of verwerking heeft plaatsgevonden. Monsters genomen bij ijkpunten in het proces dienen ten minste te worden bewaard tot en met twee weken nadat de bijbehorende afvalstoffen intern zijn be- en/of verwerkt en zijn getoetst aan de criteria. Monsters van afvalstoffen die worden afgevoerd naar derden dienen ten minste te worden bewaard tot en met een maand na de datum dat de partij door derden is geaccepteerd.

   De Voorzitter overweegt dat er een gerede kans bestaat dat bij een standaard bewaartermijn voor alle monsters van twee maanden niet altijd wordt voldaan aan de in het rapport genoemde bewaartermijn. In hetgeen verzoekster heeft aangevoerd ziet de Voorzitter verder geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voorschrift 3.1.2, aanhef en onder d, nodig is ter bescherming van het milieu.

2.4.    Verzoekster acht voorschrift 12.3.6 onnodig bezwarend.

   Ingevolge dit voorschrift moet de vakindeling van de opslag van gevaarlijke (afval)stoffen in emballage, die vallen onder de categorieën van de richtlijn van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen 15-2 (hierna: richtlijn CPR 15-2), door middel van een bouwkundige constructie met een brandwerendheid van dertig minuten of gangpaden van ten minste 3,5 meter plaatsvinden.

   Verzoekster is van mening dat kan worden volstaan met gangpaden van 2,4 meter. In dit kader voert zij aan dat van gangpaden van 2,4 meter wordt uitgegaan in het Programma van eisen nr. 92/1894/6339 betreffende de brandmeld- en partiële sprinklerinstallatie met doormeldinstallatie en dat dit Programma van eisen ten tijde van de oprichting van de inrichting is goedgekeurd door het Bureau voor Sprinkler-beveiliging.

2.4.1.    Paragraaf 4.6.1 van de richtlijn CPR 15-2 vermeldt dat de in een opslagplaats aanwezige gevaarlijke stoffen of bestrijdingsmiddelen in gescheiden vakken moeten zijn opgeslagen. Scheiding tussen vakken kan plaatsvinden met behulp van een gangpad van ten minste 3,5 meter, een scheidingsconstructie met een brandwerendheid van dertig minuten welke uitsluitend is gebaseerd op het criterium vlamdichtheid of een muur met een brandwerendheid van ten minste dertig minuten.

   De in voorschrift 12.3.6 verlangde breedte van het gangpad is, anders dan de door verzoekster toereikend geachte breedte van 2,4 meter, in overeenstemming met paragraaf 4.6.1 van de richtlijn CPR 15-2. De vraag of het vergunnen van het opslaan met gangpaden van 2,4 meter zou kunnen worden gerechtvaardigd met een beroep op bestaande rechten vergt een nadere beoordeling waartoe de onderhavige procedure zich niet leent. Bij afweging van de betrokken belangen ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.5.    Verzoekster kan zich niet vinden in voorschrift 12.5.1.

   Ingevolge dit voorschrift dient de wand van afdeling 4 – waar bewerkingen met brandgevaarlijke (afval)stoffen plaatsvinden – ter plaatse van de dieseltank een brandwerendheid te hebben van ten minste zestig minuten.

   Verzoekster betoogt dat de richtlijn van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen 9-6 (hierna: richtlijn CPR 9-6) wat dit aspect betreft niet hoeft te worden gevolgd dan wel dat richtlijn CPR 9-6 afwijken toelaat. Zij betoogt dat kan worden volstaan met een brandwerendheid van deze wand van dertig minuten, nu ten tijde van de melding in 1995 aangaande de tank door verweerder geen nadere eisen zijn gesteld en tevens een automatische sprinklerinstallatie aanwezig is. Verweerder gaat er volgens haar verder ten onrechte van uit dat de dieseltank tegen de muur van de afdeling is geplaatst. De afstand tussen de muur en de tank bedraagt volgens haar ongeveer een meter.

2.5.1.    Paragraaf 4.6.3 in samenhang met paragraaf 4.3.3 van de richtlijn CPR 9-6 schrijft een bepaalde afstand voor tussen de buitenwand van een dubbelwandige tank tot enig tot de inrichting behorend brandbaar gebouwonderdeel of een bewaarplaats van brandgevaarlijke stoffen. Voor een tank met een maximale inhoud van 5 m3 bedraagt deze afstand drie meter. Indien het onmogelijk is om de voorgeschreven afstand in acht te nemen, moet het gebouw of de bewaarplaats zijn voorzien van een brandwerende constructie met een brandwerendheid van ten minste zestig minuten bepaald overeenkomstig NEN 6069.

   De Voorzitter overweegt dat de desbetreffende dieseltank een dubbelwandige tank is met een inhoud van 5 m3 en deze tank op minder dan drie meter van een bewaarplaats van brandgevaarlijke stoffen is geplaatst.

   De in voorschrift 12.5.1 voorgeschreven brandwerendheid van zestig minuten strookt met paragraaf 4.6.3 in samenhang met paragraaf 4.3.3 van de richtlijn CPR 9-6; de door verzoekster toereikend geachte brandwerendheid van dertig minuten niet. De vraag of dit laatste zou kunnen worden gerechtvaardigd met een beroep op bestaande rechten vergt een nadere beoordeling waartoe de onderhavige procedure zich niet leent. Bij afweging van de betrokken belangen ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.6.    Gelet op het bovenstaande ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.7.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 20 oktober 2004, kenmerk DGWM/2004/17400, voorzover het voorschrift 2.1.6, onder b betreft;

II.    wijst het verzoek voor het overige af;

III.    gelast dat de provincie Zuid-Holland aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 273,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd    w.g. Kuipers

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2005

271-446.