Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS5468

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-02-2005
Datum publicatie
09-02-2005
Zaaknummer
200404089/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 13 juni 2001 hebben [partijen] het college van burgemeester en wethouders van Doorn (hierna: het college) verzocht handhavend op te treden ten aanzien van de - naar hun stelling - met het geldende bestemmingsplan strijdige situatie op het naburige perceel [locatie] te Doorn (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200404089/1.

Datum uitspraak: 9 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Doorn,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 6 april 2004 in het geding tussen:

appellant

en

Het college van burgemeester en wethouders van Doorn.

1.    Procesverloop

Bij brief van 13 juni 2001 hebben [partijen] het college van burgemeester en wethouders van Doorn (hierna: het college) verzocht handhavend op te treden ten aanzien van de - naar hun stelling - met het geldende bestemmingsplan strijdige situatie op het naburige perceel [locatie] te Doorn (hierna: het perceel).

Bij besluit van 17 juni 2002 heeft het college appellant aangeschreven om vóór 1 augustus 2002 de paardenbak van het perceel te verwijderen en het gebruik van het perceel te beëindigen voorzover het meer betreft dan het laten lopen van één pony, bij gebreke waarvan het college zal overgaan tot bestuursdwang.

Bij besluit van 27 augustus 2003, gerectificeerd bij schrijven van 29 september 2003, heeft het college het daartegen door [partijen] gemaakte bezwaar gegrond verklaard voorzover dat zich richt tegen het afwijzen van hun verzoek handhavend op te treden tegen het stallen van paarden/pony’s in de opstal en het laten lopen hiervan op het onbebouwde gedeelte van het terrein, het daartegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard voorzover dat betrekking heeft op de aanschrijving van de aangebrachte afscheiding (paardenbak) als bouwvergunningsplichtig bouwwerk en de aanschrijving in die zin gewijzigd dat die geen betrekking heeft op het verwijderen van de paardenbak, maar wel op het gebruik van de opstal voor het stallen van paarden/pony's en op het gebruik van het perceel voor het laten lopen van paarden/pony’s alsmede het gebruik van het perceel voor dressuur.

Bij uitspraak van 6 april 2004, verzonden op 8 april 2004, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard voorzover hij is aangeschreven het gebruik van de opstal door drie paarden/pony’s en het laten lopen van één pony op het perceel te beëindigen en beëindigd te houden en voorzover bij dit besluit niet is beslist op het verzoek van appellant om vergoeding van zijn proceskosten in de bezwaarprocedure, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd voorzover hij is aangeschreven het gebruik van de opstal door drie paarden/pony’s en het laten lopen van één pony op het perceel te beëindigen en beëindigd te houden en voorzover bij dit besluit niet is beslist op het verzoek van appellant om vergoeding van zijn proceskosten in de bezwaarprocedure, het beroep voor het overige ongegrond verklaard en het college opgedragen om binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 13 mei 2004 heeft het college opnieuw in de zaak voorzien, voorzover de rechtbank zijn besluit heeft vernietigd en opnieuw besloten dat de aanschrijving mede betrekking heeft op het gebruik van de opstal voor het stallen van paarden/pony’s en het gebruik van het perceel voor het laten lopen van paarden/pony’s alsmede het gebruik van het perceel voor dressuur. De begunstigingstermijn is gesteld op uiterlijk 28 juni 2004.

Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft appellant bij brief van 17 mei 2004, bij de Raad van State ingekomen op 18 mei 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 15 juni 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Tegen het besluit van 13 mei 2004 heeft appellant bij brief van 16 juni 2004, ingekomen bij de rechtbank op 18 juni 2004, beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ter behandeling doorgezonden naar de Afdeling.

Bij brief van 7 juli 2004 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 29 juli 2004 hebben [partijen] een memorie ingediend.

Bij brief van 11 november 2004 heeft appellant een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 november 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. H.J. Kastein, advocaat, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.J. Knibbe, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn gehoord [partijen] in persoon, bijgestaan door mr.drs. P.M. Waszink.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Hoog Moersbergen I” heeft het perceel de bestemming “Bosgebied”.

   Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op de kaart aangewezen tot bosgebied bestemd voor de aanleg en instandhouding van bos, zulks met inachtneming van wat in het navolgende lid van dit artikel alsmede in artikelen 12 en 13 is bepaald.

   Ingevolge het tweede lid mogen op of in de in lid 1 bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken – geen gebouwen zijnde – worden gebouwd ten dienste van de in dat lid genoemde bestemming, waarvan de hoogte niet meer dan 2.00 m. mag zijn.

   Ingevolge artikel 12, eerste lid, is het verboden de gronden en opstallen te gebruiken in strijd met hun bestemming nadat deze is gerealiseerd, of anders te gebruiken dan overeenkomstig het doel waarvoor vrijstelling is verleend.

   Ingevolge artikel 15, eerste lid, is het verboden het gebruik van de gronden en bouwwerken, dat ten tijde van de vaststelling van het plan strijdig is met de bestemming, te wijzigen in een ander strijdig gebruik tenzij dat andere gebruik minder strijdig is.

2.2.    Het stallen, het laten lopen en de dressuur van drie paarden en/of pony’s betreft geen gebruik ten behoeve van de aanleg en instandhouding van het bos als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften. De rechtbank heeft derhalve met juistheid geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat dit gebruik in strijd is met de ter plaatse geldende bestemming. Dat het bos is voorzien van ruiterpaden, doet aan het bovenstaande niet af. Het betoog van appellant terzake faalt derhalve.

Voorts heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat het gebruik van het perceel en de opstal voor drie paarden en/of pony’s niet onder het overgangsrecht, als opgenomen in artikel 15, eerste lid, van de planvoorschriften valt. Niet kan staande worden gehouden dat het gebruik van het perceel en de opstal op het perceel ten behoeve van drie paarden en/of pony’s een minder strijdig gebruik betreft dan het gebruik van de opstal ten behoeve van de opslag van auto’s dat ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan plaatsvond. De omstandigheid dat het college bij brief van 18 juni 1997 aan appellant te kennen heeft gegeven dat het gebruik van het perceel en de opstal op het perceel voor één pony onder het overgangsrecht valt, kan niet aan het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van de planvoorschriften afdoen.

2.3.    De conclusie is dat is gehandeld in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat van een concreet uitzicht op legalisatie geen sprake is. Daartoe voert hij aan dat in het voorontwerpbestemmingsplan “Doorn Noord” het perceel de bestemming “Woondoeleinden I” heeft. Volgens appellant staat dat bestemmingsplan niet in de weg aan het hobbymatig houden van de paarden op het perceel.

   Dit betoog faalt. Ter zitting is verduidelijkt dat in het voorontwerpbestemmingsplan slechts een woonbestemming aan het bouwblok zal worden toegekend en het perceel voor het overige een groenbestemming zal houden, waar het houden van de drie paarden en/of pony's niet mee in overeenstemming is. Bovendien betreft het slechts een voorontwerp, dat nog aanpassing behoeft vanwege in het streekplan neergelegde contouren. Daarnaast was er ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar geen sprake van een verklaring van geen bezwaar ten behoeve van het bouwplan van appellant voor een woning op het perceel.

2.5.    Van andere bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van handhavend optreden ten aanzien van drie paarden en/of pony’s had behoren af te zien, is niet gebleken. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen. De in de brief van 18 juni 1997 gegeven toestemming ziet niet op het houden van drie paarden en/of pony’s. Het betoog van appellant dat hij slechts één pony buiten laat lopen kan niet tot een ander oordeel leiden, reeds omdat het perceel en de opstal gebruikt worden voor meer dan één pony en/of paard. Voorts kan niet worden staande gehouden dat handhavend optreden ten aanzien van het bestreden gebruik zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie had moeten worden afgezien. Het betoog dat sprake is van een reeds jarenlang bestaand gebruik, kan in ieder geval niet tot dat oordeel leiden, reeds omdat daarvan niet is gebleken. Het betoog dat de rechtbank hier ten onrechte niet op is ingegaan, leidt derhalve niet tot het daarmee beoogde doel.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, voorzover aangevochten, te worden bevestigd.

2.7.    Gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank van 6 april 2004 heeft het college bij besluit van 13 mei 2004 opnieuw een beslissing genomen op het bezwaar van appellant en het bezwaar van [partijen] voorzover deze zien op het vernietigde deel van het besluit van 4 september 2004. Ingevolge de artikelen 6:18 en 6:19, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), moet het hoger beroep van appellant worden geacht mede te zijn gericht tegen dat besluit.

2.8.    Het college heeft bij het besluit van 13 mei 2004 alsnog een motivering gegeven voor zijn standpunt dat het niet wenst af te zien van handhavend optreden tegen het gebruik van het perceel en de opstal voor één pony.

2.9.    Anders dan appellant betoogt behoefde het college appellant niet opnieuw te horen, nu geen sprake is van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Daarom behoefde het evenmin een nieuw advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften in te winnen.

2.10.    Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het gebruik van het perceel en de opstal voor één pony evenmin onder het overgangsrecht, als opgenomen in artikel 15, eerste lid, van de planvoorschriften valt. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat ook de aanwezigheid van één pony op het perceel en in de opstal, een intensiever gebruik van het perceel betreft dan het gebruik van uitsluitend de opstal ten behoeve van de opslag van auto’s dat ten tijde van de peildatum plaatsvond, zodat niet kan worden staande gehouden dat sprake is van een gebruik dat minder strijdig is dat het gebruik dat op de peildatum plaatsvond als bedoeld in voormeld planvoorschrift. De omstandigheid dat het college bij brief van 18 juni 1997 aan appellant te kennen heeft gegeven dat het gebruik van het perceel en de opstal op het perceel voor één pony onder het overgangsrecht valt, kan, zoals hiervoor reeds is overwogen, niet aan het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van de planvoorschriften afdoen.

2.11.    De conclusie is dat het gebruik van het perceel en de opstal op het perceel voor één pony in strijd is met het bestemmingsplan, zodat het college ook hiertegen handhavend kon optreden.

2.12.    Zoals hiervoor reeds is overwogen, is van een concreet uitzicht op legalisatie geen sprake. Ook ten tijde van het nemen van het besluit van 13 mei 2004 was geen sprake van een door gedeputeerde staten afgegeven verklaring van geen bezwaar ten behoeve van het bouwplan voor een woning op het perceel. Voorts kan de brief van 18 juni 1997, anders dan appellant betoogt, niet worden aangemerkt als een (onherroepelijk) besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Indien een bestuursorgaan, los van een aanvraag om vergunning, vrijstelling of ontheffing, op een daartoe strekkend verzoek een oordeel geeft over de vraag of een voorgenomen gebruik in overeenstemming is met de planvoorschriften, betreft dit in het algemeen geen publiekrechtelijke rechtshandeling in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Hierop kan een uitzondering gemaakt worden indien het doen van een aanvraag onevenredig bezwarend is of het uitlokken van een verzoek om handhaving wegens het intreden van onomkeerbare gevolgen of anderszins onevenredig bezwarend is. Daarvan is hier geen sprake. De Afdeling neemt verder in aanmerking dat derden niet bij de brief van 18 juni 1997 zijn betrokken. Bij de overtreder van een wettelijk voorschrift gewekt vertrouwen kan geen afbreuk doen aan de in beginsel bestaande aanspraak van een omwonende op handhaving van het bestemmingplan. De brief biedt derhalve geen grond voor het aannemen van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college van handhavend optreden tegen het gebruik van het perceel en de opstal op het perceel voor één pony had behoren af te zien. Voorts is niet gebleken dat dit optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Het college heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat ook het gebruik van het perceel voor één pony overlast en schade aan de waarden van het bosgebied veroorzaakt, zodat niet kan worden staande gehouden dat van vorenbedoelde onevenredigheid sprake is.

2.13.    Het beroep is ongegrond.

2.14.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;

II.    verklaart het door [appellant] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Doorn van 13 mei 2004 gemaakte bezwaar ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Duursma

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2005

378.