Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS5467

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-02-2005
Datum publicatie
09-02-2005
Zaaknummer
200404095/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 maart 2003 heeft het bureau rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage (hierna: het bureau) een verzoek van appellante om rechtsbijstand op grond van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200404095/1.

Datum uitspraak: 9 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 5 april 2004 in het geding tussen:

appellante

en

de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2003 heeft het bureau rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage (hierna: het bureau) een verzoek van appellante om rechtsbijstand op grond van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) afgewezen.

Bij besluit van 15 juli 2003 heeft de raad het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 april 2004, verzonden op 7 april 2004, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 14 mei 2004, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 9 juli 2004 heeft de raad van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de raad toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 december 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], is verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 31, tweede lid, van de Wrb wordt, indien het verzoek betrekking heeft op rechtsbijstand ter zake van echtscheiding voorwaardelijk toegevoegd, tenzij aanstonds blijkt dat beide partijen voor een toevoeging in aanmerking komen.

   Ingevolge artikel 34 tweede lid van de Wrb wordt geen rechtsbijstand verleend, indien de rechtzoekende beschikt over een eigen vermogen van ten minste € 6.370,00 indien hij alleenstaande is, dan wel van ten minste € 9.100,00 in overige gevallen.

2.1.1.    Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van het Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand (hierna: het Bdr) wordt voor de toepassing van dit besluit onder vermogen verstaan de waarde van de bezittingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, verminderd met de waarde van de schulden als bedoeld in artikel 9, tweede lid.

    Ingevolge artikel 8, eerste lid, wordt voor de vaststelling van het vermogen van de rechtzoekende uitgegaan van de toestand zoals deze is op het tijdstip dat de aanvraag om verlening van rechtsbijstand wordt ingediend.

   Ingevolge artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van  het Bdr worden voor de vaststelling van het vermogen als schulden in aanmerking genomen schulden die betrekking hebben op bijzondere uitgaven die de rechtzoekende gedwongen is te doen als gevolg van persoonlijke omstandigheden hemzelf of zijn huishouding betreffende.

2.2.    Het verzoek van appellante om een (voorwaardelijke) toevoeging ten behoeve van het voeren van een echtscheidingsprocedure is afgewezen, omdat aanstonds duidelijk was dat haar vermogen op het moment van de aanvraag de bij de wet gestelde grens overschreed.

2.3.    De rechtbank heeft in haar uitspraak van 5 april 2004 overwogen dat er geen grond is voor het oordeel dat de vaststelling door de raad van het aan appellante toekomende vermogen uit de echtelijke woning onjuist zou zijn en dat, omdat voornoemd bedrag de bij wet gestelde grenzen voor een toevoeging te boven gaat, de raad de gevraagde toevoeging terecht heeft geweigerd. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat de eerst in het kader van de beroepsprocedure naar voren gebrachte schulden, waaronder een schuld van € 8.000,00 aan een familielid, geen rol kunnen spelen, omdat daarmee bij de vaststelling van het vermogen ten tijde van de indiening van het verzoek om schadevergoeding geen rekening kon worden gehouden.

2.4.    Appellante voert hiertegen aan dat de rechtbank miskend heeft dat zij gelet op haar vermogen, ten tijde van de aanvraag recht had op een voorwaardelijke toevoeging. Zij stelt hiertoe dat zij in de bijlage bij haar verklaring omtrent inkomen en vermogen reeds melding gemaakt heeft van de ook in beroep genoemde schulden aan familieleden, waaronder een schuld van € 8.000,00 aan haar zuster. Deze schuld is ontstaan omdat zij geld had geleend om een nieuwe inboedel te kopen toen zij zonder iets mee te hebben kunnen nemen de echtelijke woning had verlaten.

2.5.    De Afdeling stelt voorop dat, zoals zij eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 15 oktober 1999, in de zaak nummer H01.98.1882 (JSV 1999, 312), schulden die zijn gemaakt om herinrichtingskosten te betalen, schulden zijn als bedoeld in artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van het Bdr. Appellante heeft de door haar genoemde schuld aan haar zuster gemaakt om haar nieuwe woonruimte in te richten. Een dergelijke schuld had derhalve in beginsel in mindering kunnen worden gebracht op het vermogen van appellante. Hoewel deze schuld slechts is genoemd in de bijlage bij de Verklaring omtrent Inkomen en Vermogen, had het op de weg van het bureau en de raad gelegen hierover in het kader van respectievelijk het verzoek om rechtsbijstand en het tegen de afwijzing ervan ingestelde beroep nadere informatie te vragen. De Afdeling neemt hierbij de aangegeven periode waarin deze schuld gemaakt is in aanmerking, alsmede de omstandigheid dat appellante zonder enige bezitting de echtelijke woning heeft verlaten en haar nieuwe woonruimte volledig diende in te richten. Gelet op deze omstandigheden was het op voorhand niet onaannemelijk dat deze schuld was gemaakt om herinrichtingskosten te betalen. De omstandigheid dat appellante bij deze schulden geen toelichting heeft gegeven en daar in administratief beroep ook niet uitdrukkelijk op is ingegaan, maakt dit in dit geval niet anders, omdat het belang van een nadere toelichting voor het bureau en de raad wel, maar voor appellant niet direct duidelijk hoefde te zijn.

2.6.    Nu, gelet op het voorgaande, niet duidelijk is of het vermogen van appellante ten tijde van de aanvraag de bij de wet gestelde grens overschreed, moet worden geoordeeld dat de beslissing op bezwaar niet is genomen met de vereiste zorgvuldigheid en niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. De rechtbank heeft dit miskend. Het hoger beroep is derhalve gegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren en het besluit van de raad van 15 juli 2003 wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) vernietigen.

2.7.    Het op artikel 8:73 van de Awb gebaseerde verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen, reeds omdat nadere besluitvorming is vereist en op de uitkomst daarvan niet kan worden vooruitgelopen.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 5 april 2004, AWB 03/3828 WRB;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage van 15 juli 2003, verzonden 1 augustus 2003, 30371;

V.    wijst het verzoek om schadevergoeding af;

VI.    gelast dat de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht (€ 133,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens    w.g. Groenendijk

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2005

164-209.