Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS4738

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-02-2005
Datum publicatie
02-02-2005
Zaaknummer
200404875/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 oktober 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maasdonk (hierna: het college) de bij besluit van 4 juni 1996 aan appellant verleende bouwvergunning, voor zover deze betrekking heeft op de bouw van een vleesvarkensstal, een stierenstal, een machineloods/werkplaats en een sleufsilo, ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2005, 59 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
Module Ruimtelijke ordening 2005/1468
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200404875/1.

Datum uitspraak: 2 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 26 april 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Maasdonk.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maasdonk (hierna: het college) de bij besluit van 4 juni 1996 aan appellant verleende bouwvergunning, voor zover deze betrekking heeft op de bouw van een vleesvarkensstal, een stierenstal, een machineloods/werkplaats en een sleufsilo, ingetrokken.

Bij besluit van 15 mei 2003 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 april 2004, verzonden op 4 mei 2004, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 14 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 juli 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 10 augustus 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 januari 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. Th.J.H.M. Linssen, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door ing. M.D.N. Deenik en J.F.C. van Delft, ambtenaren der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De op 4 juni 1996 verleende bouwvergunning heeft betrekking op de bouw van een vleesvarkensstal, een stierenstal, een machineloods/werk-plaats, een sleufsilo en een (tweede) bedrijfswoning. Appellant heeft de bedrijfswoning gebouwd. Met de bouw van de stierenstal, machineloods en sleufsilo is geen begin gemaakt. De vleesvarkensstal is voor een deel gebouwd.

2.2.    Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a. en c., van de Woningwet, voor zover hier van belang, kan het college van burgemeester en wethouders de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken indien blijkt, dat het de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave heeft verleend dan wel indien binnen de in de bouwverordening bepaalde termijn geen begin is gemaakt met de bouwwerkzaamheden. In artikel 4.1 van de gemeentelijke bouwverordening is deze termijn bepaald op 26 weken na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning.

2.3.    Vaststaat dat niet binnen de in de bouwverordening gestelde termijn van 26 weken is begonnen met de bouw van de stierenstal, de machineloods en de sleufsilo. Gelet hierop heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college bevoegd was de bouwvergunning, voor zover betrekking hebbend op die bouwwerken, in te trekken. Ook is, anders dan appellant heeft betoogd, juist het oordeel van de rechtbank dat geen grond bestaat voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid toepassing heeft kunnen geven aan die bevoegdheid. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het standpunt van het college dat ter plaatse geen volwaardige veehouderij is opgericht dan wel op zeer korte termijn zal worden opgericht, onjuist is. Het college heeft dan ook het belang om onnodige verstening van het buitengebied tegen te gaan, doorslaggevend kunnen achten.

   Gelet hierop geeft hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding voor de conclusie dat de rechtbank het beroep van appellant tegen het gehandhaafde besluit tot intrekking van de bouwvergunning, voor zover betrekking hebbende op de bouw van een stierenstal, een machineloods/werkplaats en een sleufsilo, ten onrechte ongegrond heeft verklaard.

2.4.    De vleesvarkensstal is voor ongeveer de helft gebouwd. In de achterwand zijn grote overhead deuren aangebracht. Verder ontbreken een vloer, mestputten en een ventilatie-toevoersysteem voor een groen label stal.

2.5.    Het college heeft vastgesteld dat de stal in afwijking van de verleende vergunning is gebouwd, nimmer is benut voor de huisvesting van varkens, maar wordt gebruikt voor niet-agrarische opslag. Aanpassing aan de bouwvergunning vergt een kostbare investering en verlening van een bouwvergunning voor niet-agrarische opslag acht het college in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Maasdonk". Het college verbindt hieraan de conclusie dat appellant nimmer de intentie heeft gehad een varkensstal te bouwen en het eigenlijke gebruiksdoel in de aanvraag heeft verzwegen en heeft de bouwvergunning ingetrokken, omdat deze tengevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend.

2.6.    Appellant heeft voldoende aannemelijk gesteld dat tot het kleiner bouwen en het vooralsnog niet aanbrengen van de mestputten, de vloer en de ventilatie-openingen voor een groen label stalsysteem eerst bij de uitvoering van het bouwplan, enkele maanden na de afgifte van de vergunning, is besloten. Appellant wilde meer zekerheid verkrijgen omtrent de betrouwbaarheid van het gekozen stalsysteem en omtrent de nader voorgeschreven oppervlakte per gehuisvest varken. Het niet aanbrengen van een vloer bevestigt deze lezing, omdat – naar niet is betwist – de ontbrekende voorzieningen, nu de vereiste diepte wel aanwezig is, daardoor alsnog kunnen worden aangebracht, zij het tegen hogere kosten. Het ontbreken van een vloer maakt het bouwwerk ook minder geschikt voor andere doeleinden. Vóórdat tot afbouw kon worden besloten, werd appellant, naar hij stelt, geconfronteerd met problemen in de varkenshouderij die naar zijn oordeel tot op heden aan een zinvolle exploitatie van een vleesvarkensbedrijf in de weg staan.

   In het licht hiervan is hetgeen het college omtrent de gang van zaken heeft vastgesteld en overigens aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd onvoldoende om de conclusie te trekken dat appellant nooit de intentie heeft gehad een vleesvarkensstal te bouwen en het standpunt te onderbouwen, dat de bouwvergunning wegens het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens is verleend.

   Gelet hierop berust de bij de beslissing op bezwaar gehandhaafde intrekking van de bouwvergunning op de aangegeven grond voor zover het de vleesvarkensstal betreft, in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht, niet op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit miskend.

2.7.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover betrekking hebbend op de vleesvarkensstal. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 15 mei 2003 alsnog gegrond verklaren en tevens dat besluit voor zover het de handhaving van de intrekking van de bouwvergunning voor de vleesvarkensstal betreft vernietigen.

2.8.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 26 april 2004, Awb 03/1762 WW, voorzover betrekking hebbend op de vleesvarkensstal;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Maasdonk van 15 mei 2003, GB/II, voorzover het de handhaving van de intrekking van de bouwvergunning voor de vleesvarkensstal betreft;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Maasdonk in de door appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1288,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Maasdonk te worden betaald aan appellant;

VI.    gelast dat de gemeente Maasdonk aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht (€ 205,00 + € 175) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens    w.g. Nolles

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2005

291.