Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS4737

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-02-2005
Datum publicatie
02-02-2005
Zaaknummer
200404830/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 september 2002 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) geweigerd aan het college van burgemeester en wethouders van Alkemade een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening af te geven voor het oprichten van een reclamezuil op het industrieterrein "De Lasso" te Roelofarendsveen op het perceel, kadastraal bekend gemeente Alkemade, sectie B, nummer 4595 (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200404830/1.

Datum uitspraak: 2 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Minister van Verkeer- en Waterstaat, projectorganisatie “Hogesnelheidslijn-Zuid”, gevestigd te Utrecht,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 mei 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2002 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) geweigerd aan het college van burgemeester en wethouders van Alkemade een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening af te geven voor het oprichten van een reclamezuil op het industrieterrein "De Lasso" te Roelofarendsveen op het perceel, kadastraal bekend gemeente Alkemade, sectie B, nummer 4595 (hierna: het perceel).

Bij besluit van 1 april 2003 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 mei 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 11 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 27 september 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 december 2004, waar het college, vertegenwoordigd door J.J. Zuiderwijk en ing. E. Schepers, beiden ambtenaar der provincie, zijn verschenen. Appellant is, met bericht, niet ter zitting verschenen.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek desverzocht heropend teneinde appellant in de gelegenheid te stellen een nader stuk over te leggen. Van die gelegenheid heeft appellant bij brief van 3 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 4 januari 2005, gebruik gemaakt. Het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland is in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Met toestemming van partijen heeft de Afdeling een nadere zitting achterwege gelaten.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 22 februari 2001 is namens appellant bouwvergunning gevraagd voor het oprichten van een reclamezuil op het perceel. Het perceel grenst direct aan de snelweg A4 en is gelegen aan de oostzijde van die weg. De reclamezuil heeft een hoogte van 21,5 meter en zou aan de zijde van de snelweg voorzien worden van reclameborden met een oppervlakte variërend van 12x4 meter tot 7x2 meter.

   Ten behoeve van dit bouwplan is bij het college bij brief van 28 februari 2002, ingekomen bij het college op 21 juni 2002, een aanvraag voor een verklaring van geen bezwaar ingediend.

2.2.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “De Lasso Noord, eerste herziening” rust op het perceel de bestemming “Bedrijven (B)”, met de nadere aanwijzing (z).

   Vaststaat dat het realiseren van de reclamezuil in strijd is met die bestemming.

2.3.    Het college heeft het verzoek om een verklaring van geen bezwaar getoetst aan de Nota Planbeoordeling 2002. Deze is vastgesteld op 20 maart 2002 en bekendgemaakt op 31 mei 2002. In deze nota is, voorzover thans van belang, vermeld dat bouwactiviteiten op de grens van het stedelijk gebied met een uitstraling naar het landelijk gebied landschappelijk moeten worden ingepast.

   Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat landschappelijke inpassing door het hoogteverschil met de omliggende bebouwing en de aanwezige begroeiing en door de functie van de reclamezuil (deze dient juist goed zichtbaar te zijn in de omgeving) redelijkerwijs niet mogelijk is. Voorts heeft het er in het besluit van 24 september 2002 op gewezen dat de welstandscommissie "Stichting dorp, stad & land" op 23 november 2001 een negatief advies heeft uitgebracht over het bouwplan.

2.4.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat appellant aan de omstandigheid dat de aanvraag om bouwvergunning reeds dateerde van 22 februari 2001 de gerechtvaardigde verwachting mocht ontlenen dat zou worden getoetst aan de Nota Planbeoordeling 1998.

   Dit betoog faalt. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat het college bij het nemen van een besluit omtrent een verklaring van geen bezwaar rekening dient te houden met alle relevante feiten en omstandigheden die op dat moment bekend zijn, derhalve ook met de omstandigheid dat de Nota Planbeoordeling 2002 op dat moment al bekend was gemaakt. Daarenboven is van belang dat ook de aanvraag voor een verklaring van geen bezwaar bij het college is ingediend na het bekendmaken van de Nota Planbeoordeling 2002. De rechtbank heeft dan ook terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat erop mocht worden vertrouwd dat zou worden getoetst aan de Nota Planbeoordeling 1998.

2.5.    Appellant betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college het bouwplan ten onrechte in strijd met een goede ruimtelijke ordening heeft geacht. Daartoe voert hij aan dat de uitstraling van de reclamezuil naar het landelijk gebied zeer beperkt is.

   Dit betoog vormt een herhaling van het bij de rechtbank betoogde. De rechtbank heeft dit betoog terecht en op goede gronden verworpen. De bij brief van 3 januari 2005 door appellant overgelegde kaart met toelichting leidt de Afdeling niet tot een ander oordeel.

2.6.    Het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen ten onrechte geen doorslaggevend gewicht heeft toegekend aan het belang van appellant, vormt evenzeer een herhaling van het bij de rechtbank betoogde. De rechtbank heeft dit betoog terecht en op goede gronden verworpen.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Klein Nulent

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2005

218-423.