Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS4735

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-02-2005
Datum publicatie
02-02-2005
Zaaknummer
200401878/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juni 2003 heeft de gemeenteraad van Nieuwegein, op voorstel van burgemeester en wethouders van 6 mei 2003, het bestemmingsplan "Blokhoeve" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2005/98
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200401878/1.

Datum uitspraak: 2 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2003 heeft de gemeenteraad van Nieuwegein, op voorstel van burgemeester en wethouders van 6 mei 2003, het bestemmingsplan "Blokhoeve" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 27 januari 2004, no. 2004REG000026i, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 26 februari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 4 maart 2004, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 5 juli 2004.

Bij brief van 7 mei 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 15 oktober 2004. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 december 2004, waar appellant, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. B.J. van Wulfften Palthe, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is de gemeenteraad van Nieuwegein, vertegenwoordigd door J.C. van Galen en R.T. van Schaik, ambtenaren van de gemeente, daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2.    Het plangebied ligt ten noorden van Nieuwegein en wordt begrensd door de Taludweg in het noorden, het spoor van de sneltram in het oosten en zuidoosten, de Symfonielaan in het zuiden en de A.C. Verhoefweg in het westen. Met het plan wordt onder meer beoogd de bouw van 700 woningen en van kantoren mogelijk te maken. Verweerder heeft het plan grotendeels goedgekeurd.

2.3.    Appellant komt in beroep tegen het bestreden besluit voorzover verweerder daarbij goedkeuring heeft verleend aan het plan. Hij heeft onder meer als formeel bezwaar aangevoerd dat de gemeentelijke Commissie voor bezwaar- en beroepschriften onbevoegd was een hoorzitting naar aanleiding van de ingediende zienswijzen te houden. Hij is daarom niet op de door deze commissie gehouden hoorzitting verschenen.

2.3.1.    Ingevolge artikel 23, eerste lid, onder d, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening stelt de gemeenteraad degenen die hun zienswijzen kenbaar hebben gemaakt in de gelegenheid tot het geven van een nadere mondelinge toelichting.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft niet de gemeenteraad, maar de Commissie voor bezwaar- en beroepschriften een hoorzitting gehouden naar aanleiding van de ingediende zienswijzen. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting moet de Afdeling ervan uitgaan dat de gemeenteraad van Nieuwegein het horen inzake zienswijzen niet aan deze commissie heeft opgedragen. Appellant is derhalve niet in de zin van genoemd artikelonderdeel in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze mondeling toe te lichten.

Het plan is dan ook vastgesteld in strijd met artikel 23, eerste lid, onder d, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Voorzover verweerder bij het bestreden besluit het plan niettemin heeft goedgekeurd, heeft hij gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om in zoverre goedkeuring te onthouden.

Gezien het vorenstaande behoeven de overige bezwaren van appellant geen bespreking.

2.4.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 27 januari 2004, no. 2004REG000026i, voorzover verweerder daarbij goedkeuring aan het plan heeft verleend;

III.    onthoudt goedkeuring aan het onder II vermelde deel van het door de gemeenteraad van Nieuwegein op 26 juni 2003 vastgestelde bestemmingsplan "Blokhoeve";

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dit is vernietigd;

V.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Utrecht in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 19,41; het bedrag dient door de provincie Utrecht te worden betaald aan appellant;

VI.    gelast dat de provincie Utrecht aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 136,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman    w.g. Soede

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2005

270-425.