Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS4734

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-02-2005
Datum publicatie
02-02-2005
Zaaknummer
200405432/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 december 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode (hierna: het college) vrijstelling en bouwvergunning verleend aan de Stichting kapel van de Heilige Martinus (hierna: de stichting) voor de bouw van een kapelletje op een perceel aan het Everse Akkerpad (ongenummerd), sectie C, nummer 1848, te Sint-Oedenrode (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200405432/1.

Datum uitspraak: 2 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 27 mei 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode (hierna: het college) vrijstelling en bouwvergunning verleend aan de Stichting kapel van de Heilige Martinus (hierna: de stichting) voor de bouw van een kapelletje op een perceel aan het Everse Akkerpad (ongenummerd), sectie C, nummer 1848, te Sint-Oedenrode (hierna: het perceel).

Bij besluit van 24 juni 2003 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 mei 2004, verzonden op 28 mei 2004, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 28 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op 2 juli 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 5 augustus 2004 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 december 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door J.A.F.M. van Vorstenbosch, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Daar is ook gehoord de stichting, vertegenwoordigd door T.C.J.W. Gevers en A.L.C. van de Ven.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend teneinde appellant de gelegenheid te geven te reageren op een ter zitting door het college overgelegd stuk. De reactie van appellant is aan de andere partij toegezonden.

Met toestemming van partijen is afgezien van een hernieuwde behandeling ter zitting.

2.    Overwegingen

2.1.    Het perceel aan de rand waarvan het kapelletje, dat inmiddels is opgericht, zich bevindt, is een bosperceel. De woning van appellant bevindt zich op ongeveer 150 meter afstand van het kapelletje en is gelegen op het naastgelegen perceel, waarvan appellant eigenaar is.

2.2.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1997" rust op het perceel de bestemming "Natuurgebied" –Ng-".

   Ingevolge artikel 5, vijfde lid, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, mag op de gronden niet worden gebouwd, behoudens vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van deze voorschriften.

   Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van de in tabel 1 genoemde bepalingen.

   Ingevolge tabel 1, voorzover hier van belang, kan vrijstelling verleend worden van de artikelen 4 tot en met 8 van de planvoorschriften ten behoeve van het oprichten van een kapelletje.

   Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, bevat dit artikel het toetsingskader voor de toepassing van de vrijstellings- en wijzigingsbevoegdheden zoals omschreven in artikel 19.

   Ingevolge artikel 20, ongenummerd, kunnen burgemeester en wethouders van de bouwvoorschriften binnen de bestemming "Natuurgebied" vrijstelling verlenen ten behoeve van de oprichting van een kapelletje, mits:

(1) het kapelletje op een zorgvuldige wijze landschappelijk wordt ingepast;

(2) de maximale oppervlakte 10 m2, de maximale goothoogte 3 m en de maximale nokhoogte 4,5 m bedragen.

2.3.    Appellant betoogt allereerst dat het college niet met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de planvoorschriften vrijstelling heeft kunnen verlenen omdat in het bestemmingsplan, zoals dat ter inzage is gelegd, in artikel 20, lid 28, van de planvoorschriften een andere tekst was opgenomen en de op lid 27 van artikel 20 van de planvoorschriften volgende tekst is toegevoegd nadat het bestemmingsplan is vastgesteld.

   Dit betoog faalt. Het ontwerp-bestemmingsplan heeft met ingang van 14 mei 1998 ter inzage gelegen. Uit het voorstel van het college aan de raad tot het vaststellen van het bestemmingsplan blijkt dat na de ter inzage legging van het ontwerp-bestemmingsplan het betreffende voorschrift is aangepast en dat daaraan de mogelijkheid tot het verlenen van vrijstelling ten behoeve van het oprichten van een kapelletje is toegevoegd. Niet is gebleken dat het door de gemeenteraad op 24 september 1998 vastgestelde bestemmingsplan niet conform artikel 26 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening ter inzage is gelegd, zodat, anders dan appellant heeft gesteld, ervan wordt uitgegaan dat artikel 20 met het ongenummerde onderdeel ter inzage heeft gelegen en onderdeel uitmaakt van het vastgestelde en goedgekeurde bestemmingsplan. Het college heeft derhalve met toepassing van deze bepaling vrijstelling ten behoeve van het kapelletje kunnen verlenen.

2.4.    Appellant komt voorts op tegen het oordeel van de rechtbank dat het college bij afweging van alle belangen in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen voor de bouw van het kapelletje. Hij voert in dit verband aan dat het kapelletje door het naastgelegen bosperceel niet aan het zicht wordt onttrokken en dat hij derhalve visuele hinder zal blijven ondervinden van het kapelletje. Voorts zal hij overlast ondervinden van het kapelletje. Volgens appellant wordt er in het aangrenzende natuurgebied "De Moerkuilen" gedeald door jongeren en zal het kapelletje een welkom onderdak voor deze jongeren vormen. Ook zijn er inmiddels bankjes geplaatst bij het kapelletje en vinden er bij het kapelletje regelmatig festiviteiten plaats, zoals bruiloften en feesten van de carnavalsvereniging, aldus appellant.

   Dit betoog treft geen doel. De rechtbank heeft met juistheid vastgesteld dat het kapelletje is gesitueerd in de rand van een bosperceel en dat daarop vanuit de woning van appellant, die is gelegen op circa 150 meter afstand van het kapelletje en aan de andere zijde van het bosperceel, geen zicht bestaat, zodat appellant daarvan geen visuele hinder ondervindt. De vrijstelling en bouwvergunning zien voorts niet op de geplaatste bankjes, zodat daartegen in het kader van deze procedure niet kan worden opgekomen. Voorzover sprake is van het door appellant gestelde gebruik van   kapelletje en de omliggende gronden, is niet gebleken dat dergelijk gebruik ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing op bezwaar was te voorzien, zodat het college daarmee in het kader van de bouwvergunning en de belangenafweging bij de vrijstelling geen rekening hoefde te houden. Indien dat gebruik in strijd is met het bestemmingsplan kan appellant het college om handhaving verzoeken.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.W.C.M. van Emmerik, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Van Emmerik

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2005

398.