Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS4731

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-02-2005
Datum publicatie
02-02-2005
Zaaknummer
200407113/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 november 2003 heeft verweerder krachtens artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer een melding geaccepteerd van [vergunninghouder] voor een verandering van zijn veehouderij annex veehandel op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200407113/1.

Datum uitspraak: 2 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 november 2003 heeft verweerder krachtens artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer een melding geaccepteerd van [vergunninghouder] voor een verandering van zijn veehouderij annex veehandel op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 20 juli 2004, kenmerk 04U0010178, verzonden op dezelfde dag, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 20 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 6 oktober 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant en vergunninghouder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 december 2004, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. J.J.M. Goltstein, advocaat te Kerkrade, en A.M.A. Höppener-Wellens, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door T.H.M. Mertens, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghouder, in persoon en bijgestaan door mr. A.J. Likkel, gemachtigde, daar als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij besluit van 2 mei 1996 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan vergunninghouder een oprichtingsvergunning verleend voor de onderhavige inrichting.

   De melding heeft betrekking op de bouw van een nieuwe veestal ter vervanging van een reeds bestaande stal alsmede de bouw van een loods ter overkapping van bedrijfsactiviteiten die voorheen in de buitenlucht plaatsvonden. Deze bedrijfsactiviteiten omvatten het laden, lossen en sorteren van vee alsmede een poetsplaats.

2.2.    Eerst ter zitting heeft appellant betoogd dat de geldende vergunning is komen te vervallen nu meer dan 3 jaar van deze vergunning geen gebruik is gemaakt. Het aanvoeren van deze grond in dit stadium van de procedure is in strijd met de goede procesorde. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat appellant deze niet eerder in de procedure naar voren had kunnen brengen. Voornoemde grond kan derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.3.    Appellant betoogt dat verweerder ten onrechte is afgeweken van het advies van de bezwaarschriftencommissie.

2.3.1.    Ingevolge artikel 7:13, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voorzover hier van belang, wordt, indien de beslissing op het bezwaar afwijkt van het advies van de commissie, in de beslissing de reden voor die afwijking vermeld.

2.3.2.    Uit de stukken blijkt dat door de Centrale Bezwaarschriftencommissie Kerkrade op 1 juni 2004 een advies is uitgebracht met betrekking tot de onderhavige zaak. In haar advies heeft de bezwaarschriftencommissie verweerder geadviseerd het bezwaar van appellant gegrond te verklaren, het primaire besluit te herroepen en te besluiten dat de door vergunninghouder ingediende melding niet wordt geaccepteerd.

   Verweerder heeft in het bestreden besluit de reden van het afwijken van het advies van de commissie vermeld. Hetgeen appellant aanvoert leidt de Afdeling niet tot het oordeel dat verweerder in de beslissing op bezwaar onvoldoende heeft vermeld waarom hij is afgeweken van het advies. Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.4.    Appellant heeft – kort samengevat – aangevoerd dat de voorgenomen wijzigingen zullen leiden tot een toename van de geluid- en stankhinder die hij door het in werking zijn van de inrichting ondervindt en daarmee tot grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de geldende vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken. In dit verband wijst hij erop dat de nieuwe stal groter is dan de destijds vergunde stal en dat de loods op een andere locatie binnen de inrichting zal worden gerealiseerd dan de gesloopte stal. Bovendien is verweerder volgens appellant bij de beoordeling van de ingediende melding ten onrechte uitgegaan van de feitelijke situatie en niet van de vergunde situatie. Tot slot betoogt appellant dat in het onderhavige geval niet had kunnen worden volstaan met een melding, maar een revisievergunning had moeten worden aangevraagd.

2.4.1.    Ingevolge artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer geldt een voor een inrichting verleende vergunning tevens voor veranderingen van de inrichting of de werking daarvan die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken, onder de voorwaarde dat:

   a. deze veranderingen niet leiden tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend;

   b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de vergunninghouder schriftelijk overeenkomstig de krachtens het zevende lid, onder a, gestelde regels aan het bevoegd gezag is gemeld, en

   c. het bevoegd gezag aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan de aanhef en onderdeel a en de verandering naar zijn oordeel geen aanleiding geeft tot toepassing van de artikelen 8.22, 8.23 of 8.25.

2.4.2.    De Afdeling stelt voorop dat de melding niet kan worden geweigerd enkel op grond van de omstandigheid dat de nieuw te bouwen veestal groter is dan in de eerder vergunde situatie en de nieuw op te richten loods op een andere plaats binnen de inrichting zal worden gebouwd dan waar de reeds gesloopte stal was gesitueerd. Eerst indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer moet de melding worden geweigerd. Evenmin is in geding de vraag of verweerder een revisievergunning van vergunninghouder dient te verlangen. Dit is, gezien artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, pas aan de orde indien een milieuvergunning wordt gevraagd, hetgeen thans niet het geval is. In zoverre slaagt het beroep van appellant niet.

2.4.3.    Voor de omvang van de door de inrichting te veroorzaken milieubelasting is de vergunde situatie bepalend. Op grond van de geldende vergunning mogen 108 mestvarkeneenheden binnen de inrichting worden gehouden, verdeeld over verschillende diercategorieën. Op de tot de aanvraag behorende tekeningen zijn de stallen aangegeven. De geldende vergunning staat verder toe dat het laden, lossen en sorteren van de dieren willekeurig waar op het terrein van de inrichting plaatsvindt. Hetzelfde geldt voor de ligging van de poetsplaats. Aan de geldende vergunning zijn geluidgrenswaarden verbonden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerder bij de beoordeling van de melding is uitgegaan van de vergunde situatie.

   Bij de onderhavige melding wordt het veebestand niet gewijzigd. Verder is gebleken dat de voor stank relevante emissiepunten van de loods en de stal op grotere afstand van de woning van appellant komen te liggen dan onder de geldende vergunning het geval is. De melding ziet er verder op dat de genoemde bedrijfsactiviteiten in de te bouwen loods plaatsvinden, waarmee deze activiteiten niet alleen inpandig worden verricht, maar ook op grotere afstand van de woning van appellant dan mogelijk was onder de geldende vergunning. Bovendien is in de melding aangegeven dat de omvang van de bedrijfsactiviteiten – en daarmee de door de inrichting te veroorzaken geluidbelasting – met de melding niet wordt uitgebreid. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt noch is anderszins gebleken dat na realisering van de beoogde wijzigingen binnen de inrichting niet meer kan worden voldaan aan de in de geldende vergunning opgenomen geluidgrenswaarden.

   Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de gemelde veranderingen leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de geldende vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken. Dit beroepsonderdeel slaagt niet.

2.5.    Voorzover appellant heeft aangevoerd dat de geldende vergunning had moeten worden geweigerd en dat hij voorts ten onrechte door verweerder niet in kennis is gesteld van het verlenen van deze vergunning, overweegt de Afdeling dat deze gronden niet zijn gericht tegen het bestreden besluit. Dit beroepsonderdeel faalt.

2.6.    Het beroep is ongegrond.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.M. van Angeren, Voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Angeren    w.g. De Vink

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2005

154-443.