Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS4729

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-02-2005
Datum publicatie
02-02-2005
Zaaknummer
200406930/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juli 2004, kenmerk 0405338/LE, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een melkrundveehouderij op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 8 juli 2004 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200406930/1.

Datum uitspraak: 2 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Weststellingwerf,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2004, kenmerk 0405338/LE, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een melkrundveehouderij op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 8 juli 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 17 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2004, en appellant sub 2 bij brief van 13 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op 17 augustus 2004, beroep ingesteld. Appellant sub 1 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 13 september 2004.

Bij brief van 14 oktober 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 december 2004, waar appellant sub 1, in persoon, appellant sub 2, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door J. van Weperen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigden], daar als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    De bij het bestreden besluit verleende vergunning heeft betrekking op een melkrundveehouderij voor het houden van 170 melk- en kalfkoeien. Voor de inrichting is eerder bij besluit van 23 november 1998 krachtens de Wet milieubeheer een revisievergunning verleend voor het houden van 90 melk-, kalf- en zoogkoeien en 63 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar.

2.2.    Ter zitting heeft appellant sub 1 het onderdeel van zijn beroep inhoudende dat de afstand van de binnen de inrichting aanwezige ligboxenstal tot aan zijn woning niet duidelijk is, ingetrokken.

2.3.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

   Ingevolge artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag bij de verlening van een revisievergunning de rechten die de vergunninghouder aan de eerder verleende vergunning ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van afdeling 8.1.2 van de wet.

2.4.    Appellant sub 1 stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten de afstand van de binnen de inrichting aanwezige jongveestal tot aan zijn woning vast te stellen.

   Uit de stukken, waaronder de bij de aanvraag gevoegde tekening welke blijkens het dictum van het bestreden besluit deel uitmaakt van de vergunning, blijkt dat de afstand van de jongveestal tot aan de woning van appellant sub 1 op het perceel [locatie] circa 40 meter bedraagt. Gelet hierop mist deze beroepsgrond van appellant sub 1 feitelijke grondslag.

2.5.    Appellant sub 2 stelt zich op het standpunt dat het aan de vergunning verbonden voorschrift I.23.a niet naleefbaar is, aangezien de in dat voorschrift opgenomen afstand tussen gebouw 2 en zijn woning onjuist is.

2.5.1.    In voorschrift I.23.a, voorzover hier van belang, is bepaald dat in gebouw 2, dat op een afstand van circa 20 meter uit de woning van een derde is gesitueerd, geen permanente stalling van vee mag plaatsvinden.

2.5.2.    Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting erkend dat gebouw 2 op een afstand van circa 12 meter van de woning van appellant sub 2 op het perceel [locatie] is gelegen. Gelet hierop staat vast dat voorschrift I.23.a niet kan worden nageleefd. Het bestreden besluit is in zoverre derhalve in strijd met het algemene rechtsbeginsel dat eist dat een besluit met de vereiste zorgvuldigheid wordt genomen. Deze beroepsgrond slaagt.

2.6.    Appellanten sub 1 en sub 2 betogen onaanvaardbare stankhinder te ondervinden van het in werking zijn van de onderhavige inrichting. In dit verband voeren zij aan dat verweerder bij de beoordeling van de door de inrichting te veroorzaken stankhinder ten onrechte de jongveestal buiten beschouwing heeft gelaten. Voorts stelt appellant sub 2 zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte niet heeft beoordeeld of in de onderhavige stankoverbelaste situatie aantasting van de bestaande rechten in redelijkheid kon worden vereist.

2.6.1.    Bij de beoordeling van de door de inrichting te duchten stankhinder heeft verweerder de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) gehanteerd. Bij de bepaling van de omgevingscategorieën heeft hij de brochure Veehouderij en Hinderwet (hierna: de brochure) toegepast.

2.6.2.    Ten aanzien van de jongveestal heeft verweerder in het bestreden besluit overwogen dat overeenkomstig de bij de aanvraag ingediende tekening deze stal niet meer voor permanente stalling van vee mag worden gebruikt. Hiertoe heeft hij een aantal voorschriften aan de vergunning verbonden. Om die reden heeft verweerder bij de beoordeling van het stankaspect de jongveestal buiten beschouwing gelaten.

2.6.3.    Niet in geding is dat de omgeving van de inrichting moet worden ingedeeld in categorie III van de brochure. Voorts staat vast dat in het onderhavige geval ten aanzien van de ligboxenstal wordt voldaan aan de op grond van de Richtlijn in samenhang met de brochure minimaal in acht te nemen afstand tot in de directe omgeving van de inrichting gelegen woningen van derden, zijnde de woning van appellant sub 1 gelegen op circa 51 meter van de inrichting.

2.6.4.    In de vergunningaanvraag is geen jongvee vermeld. Op de bij deze aanvraag behorende tekening is de reeds bestaande jongveestal aangemerkt als afleverstal. In het aan de vergunning verbonden voorschrift I.23.a is bepaald dat in deze stal geen permanente stalling van vee mag plaatsvinden. In het aan de vergunning verbonden voorschrift I.23.b is bepaald dat in deze stal uitsluitend dieren aanwezig mogen zijn in afwachting van afvoer buiten de inrichting. Op grond van deze voorschriften is het derhalve toegestaan dat in deze stal dieren verblijven. Ter zitting is komen vast te staan dat pasgeboren kalveren gedurende een periode van 10 tot 14 dagen in de afleverstal kunnen verblijven, alvorens zij buiten de inrichting worden afgevoerd. Verweerder heeft aangegeven dat dit neerkomt op een wekelijkse bezetting van 0 tot 15 stuks. Het vorenstaande overziende is de Afdeling van oordeel dat verweerder bij de beoordeling van de door de inrichting te veroorzaken stankhinder de emissie afkomstig van de afleverstal ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten.

2.6.5.    Vast staat dat in het onderhavige geval ten aanzien van de afleverstal niet wordt voldaan aan de op grond van de Richtlijn in samenhang met de brochure minimaal in acht te nemen afstand tot aan in de directe omgeving van de inrichting gelegen woningen van derden, zijnde de woning van appellant sub 2 gelegen op een afstand van circa 12 meter van de inrichting. Als gevolg hiervan is sprake van een uit het oogpunt van stankhinder overbelaste situatie.

   De Afdeling overweegt dat bij veehouderijen de bestaande rechten als bedoeld in artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer, voorzover van belang voor de te veroorzaken stankhinder, slechts kunnen worden gerelateerd aan een aantal mestvarkeneenheden, voorzover het vergunde veebestand kan worden omgerekend naar mestvarkeneenheden. Voorzover geen omrekeningsfactoren beschikbaar zijn – zoals het geval is bij melk- en kalfkoeien en jongvee – kunnen bestaande rechten niet worden gerelateerd aan een aantal mestvarkeneenheden en dient te worden uitgegaan van het aantal vergunde dieren van die soort.

   Weliswaar zal bij het bestreden besluit het aantal te houden stuks jongvee afnemen ten opzichte van de eerder vergunde situatie, doch het aantal te houden melk- en kalfkoeien wordt uitgebreid met 80 stuks, hetgeen ook een uitbreiding betekent ten opzichte van het totaal aantal te houden dieren volgens de geldende vergunning, zodat wat de van de inrichting te duchten stankhinder betreft voor de genoemde woning van derden een verslechtering optreedt ten opzichte van de situatie waarop de onderliggende vergunning betrekking heeft en die uit een oogpunt van stankhinder reeds is overbelast.

   Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit wat betreft de beoordeling van stankhinder in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Deze beroepsgrond slaagt.

2.7.    Appellant sub 1 betoogt dat de afstand van de binnen de inrichting aanwezige kuilvoeropslag tot aan zijn woning te kort is.

   Ingevolge vergunningvoorschrift VIII.2 dient de kuilvoeropslag te zijn gelegen op ten minste 25 meter afstand van woningen van derden. Niet in geding is dat aan deze afstand kan worden voldaan. In hetgeen appellant sub 1 heeft aangevoerd en ook overigens ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder deze afstand niet in redelijkheid toereikend heeft kunnen achten ter voorkoming van onaanvaardbare stankhinder van de kuilvoeropslag. Deze beroepsgrond faalt.

2.8.    Appellant sub 1 betoogt onaanvaardbare geluidhinder te ondervinden van het in werking zijn van de onderhavige inrichting. In dit verband voert hij aan dat de aan de vergunning verbonden geluidgrenswaarden ontoereikend zijn ter voorkoming, dan wel voldoende beperking, van geluidhinder. Volgens appellant sub 1 zijn deze geluidgrenswaarden niet gebaseerd op de werkelijke geluidbelasting ter plaatse.

2.8.1.    Ter voorkoming, dan wel voldoende beperking, van geluidhinder heeft verweerder de voorschriften I.16.a en I.16.b aan de vergunning verbonden.

   Ingevolge voorschrift I.16.a mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en de daarin verrichte werkzaamheden en plaatsvindende activiteiten, ter plaatse van woningen van derden en – voorzover binnen een afstand van 50 meter van de inrichting geen woningen van derden aanwezig zijn – op enig punt 50 meter van de inrichting niet meer bedragen dan 55, 50 en 45 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

   Ingevolge voorschrift I.16.b mogen, onverminderd het gestelde in voorschrift 16.a, incidentele verhogingen van geluidniveaus (LAmax), die het gevolg zijn van de in de inrichting aanwezig vast opgestelde toestellen en installaties en de daarin verrichte werkzaamheden en plaatsvindende activiteiten, gemeten in de meterstand <fast> niet groter zijn dan 15 dB(A) boven de in voorschrift 16.a genoemde getalswaarden.

2.8.2.    Verweerder heeft voor de beoordeling van de van de inrichting te duchten directe geluidhinder kennelijk hoofdstuk 4 en hoofdstuk 3, paragraaf 3.2, van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (verder te noemen: de Handreiking) als uitgangspunt gehanteerd.

            In de Handreiking is bepaald dat zolang er nog geen gemeentelijke nota industrielawaai is vastgesteld bij het opstellen van de geluidvoorschriften gebruik moet worden gemaakt van de systematiek van richt- en grenswaarden zoals die in hoofdstuk 4 van de Handreiking zijn opgenomen.

             In de Handreiking staan richtwaarden vermeld die zijn gerelateerd aan de aard van de woonomgeving en die als uitgangspunt worden gehanteerd bij het stellen van geluidgrenswaarden. Voor bestaande inrichtingen beveelt de Handreiking aan om bij herziening van vergunningen de richtwaarden voor woonomgevingen opnieuw te toetsen. Overschrijding van de richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Overschrijding van het referentieniveau van het omgevingsgeluid tot een maximum etmaalwaarde van 55 dB(A) kan volgens de Handreiking in sommige gevallen toelaatbaar worden geacht op grond van een bestuurlijk afwegingsproces, waarbij geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol dienen te spelen.

   Voor het maximale geluidniveau geldt op grond van de Handreiking een voorkeursgrenswaarde van het equivalente geluidniveau vermeerderd met 10 dB(A) en zijn waarden van 70, 65 en 60 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode ten hoogste aanvaardbaar.

2.8.3.    In het bestreden besluit heeft verweerder bij de beoordeling van de door de inrichting te veroorzaken directe geluidhinder overwogen dat met het opstellen van de aan de vergunning verbonden geluidvoorschriften rekening is gehouden met de wat geluidhinder betreft bestaande rechten voor de inrichting en de met het bestreden besluit ten opzichte hiervan doorgevoerde wijzigingen.

2.8.4.    De in voorschrift I.16.a opgenomen geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau overschrijden de als hoogste aanvaardbare richtwaarden uit de Handreiking. Op grond van de stukken staat vast dat verweerder bij het vaststellen van de geluidgrenswaarden geen rekening heeft gehouden met deze richtwaarden. Evenmin zijn echter metingen dan wel berekeningen verricht van het ter plaatse heersende referentieniveau van het omgevingsgeluid. Gelet hierop is onduidelijk of de in voorschrift I.16.a gestelde geluidgrenswaarden een toereikend beschermingsniveau bieden. Dit geldt eveneens voor de in voorschrift I.16.b gestelde geluidgrenswaarden, nu de hoogte hiervan afhankelijk is gesteld van de hoogte van de in voorschrift I.16.a gestelde geluidgrenswaarden. De in voorschrift I.16.b gebezigde term "incidentele verhogingen van geluidniveaus" is voorts niet gedefinieerd. In zoverre verdraagt dit voorschrift zich niet met het uit het beginsel van de rechtszekerheid voortvloeiende vereiste dat een voorschrift, verbonden aan een vergunning, duidelijk en slechts voor één uitleg vatbaar is.

   Wat betreft de verwijzing van verweerder naar de voor de onderhavige inrichting bestaande rechten stelt de Afdeling voorop dat bestaande rechten niet kunnen worden ontleend aan vergunde grenswaarden, maar alleen aan destijds vergunde activiteiten die een bepaald geluidniveau tot gevolg hebben. De Afdeling stelt vast dat met het bestreden besluit het aantal te houden dieren binnen de inrichting wordt uitgebreid, hetgeen, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, ten opzichte van de onderliggende vergunning een toename betekent van het bij deze reeds vergunde activiteit behorende geluidniveau, zodat hieraan in zoverre geen bestaande rechten kunnen worden ontleend.

   Het bestreden besluit, voorzover daaraan de voorschriften I.16.a en I.16.b zijn verbonden, is derhalve in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, dat eist dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevant feiten, alsmede met artikel 3:46 van die wet, dat eist dat een besluit berust op een deugdelijke motivering. Wat de in voorschrift I.16.b gebezigde term "incidentele verhogingen van geluidniveaus" betreft, is het bestreden besluit bovendien in strijd met het beginsel van de rechtszekerheid.

   Deze beroepsgrond slaagt.

2.9.    Appellant sub 1 betoogt in de avond- en nachtperiode onaanvaardbare indirecte geluidhinder te ondervinden als gevolg van het in werking zijn van de onderhavige inrichting.

   Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is de Oosterstreek een drukke doorgaande weg. Mede gezien het aantal en soort aangevraagde en vergunde vervoersbewegingen is de Afdeling van oordeel dat het verkeer van en naar de inrichting ter hoogte van de woning van appellant sub 1 door zijn rij- en stopgedrag niet meer te onderscheiden is van het overige verkeer dat op deze weg aanwezig kan zijn, zodat het moet worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Gelet hierop kan de geluidhinder die afkomstig is van het verkeer van en naar de inrichting ter plaatse van de woning van appellant sub 1 niet meer worden toegerekend aan het in werking zijn van de inrichting. Hierin is dan ook geen reden gelegen de gevraagde vergunning te weigeren dan wel voorschriften aan de vergunning te verbinden. Deze beroepsgrond faalt.

2.10.    Appellanten sub 1 en sub 2 hebben zich in hun beroepschriften voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenkingen. In de considerans van het bestreden besluit is verweerder ingegaan op deze bedenkingen. Appellanten sub 1 en sub 2 hebben noch in hun beroepschriften, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging van de bedenkingen onjuist zou zijn. De beroepen van appellanten sub 1 en sub 2 zijn in zoverre ongegrond.

2.11.    De beroepen van appellanten sub 1 en sub 2 zijn gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond. Aangezien de stank- en geluidaspecten bepalend zijn voor de beantwoording van de vraag of de gevraagde vergunning kan worden verleend, dient het bestreden besluit in zijn geheel te worden vernietigd.

2.12.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen van appellanten sub 1 en sub 2 gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Weststellingwerf van 6 juli 2004, kenmerk 0405338/LE;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Weststellingwerf in verband met de behandeling van de beroepen gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 322,00 voor appellant sub 1, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en tot een bedrag van € 644,00 voor appellant sub 2, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; de bedragen dienen door de gemeente Weststellingwerf te worden betaald aan appellanten sub 1 en sub 2;

IV.    gelast dat de gemeente Weststellingwerf aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht (€ 136,00 voor appellant sub 1 en € 136,00 voor appellant sub 2) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.M. van Angeren, Voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Angeren    w.g. De Vink

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2005

154-443.