Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS4728

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-02-2005
Datum publicatie
02-02-2005
Zaaknummer
200405550/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 oktober 2003 heeft de gemeenteraad van Borne, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 23 september 2003, het bestemmingsplan "Wensink Noord" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200405550/1.

Datum uitspraak: 2 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2003 heeft de gemeenteraad van Borne, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 23 september 2003, het bestemmingsplan "Wensink Noord" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 11 mei 2004, kenmerk RWB/2003/3618, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief van 5 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 6 juli 2004, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 3 augustus 2004.

Bij brief van 31 augustus 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 26 oktober 2004 (hierna: het deskundigenbericht).

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 januari 2005, waar verweerder, vertegenwoordigd door O. Westra, ambtenaar van de provincie, is verschenen. Voorts zijn [partijen] daar gehoord. [appellanten], alsmede de gemeenteraad van Borne zijn ter zitting niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

   De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2.    Het plan voorziet in een geactualiseerde juridisch-planologische regeling voor een deel van de bebouwde kom van Borne en is in hoofdzaak conserverend van aard. Het plangebied ligt direct ten zuiden van het centrum en wordt globaal begrensd door de Hofstraat/de Bleek/Aanslagsweg, de Grotestraat, de Europastraat en de Stationsstraat.

2.3.    Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan een gedeelte van het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" en de aanduiding 'zone onbebouwd' voor gronden aan de [locatie]. Daartoe heeft hij overwogen dat de eigenaar van deze gronden, blijkens een ingediende aanvraag om een bouwvergunning, daar een uitbreiding van zijn berging wil realiseren en niet is gebleken van dwingende redenen die zich daartegen verzetten. Uitbreiding van de berging op deze gronden acht verweerder aanvaardbaar.

2.3.1.    [appellanten] stellen dat verweerder ten onrechte in zoverre goedkeuring aan het plan heeft onthouden. Zij voeren aan dat het toekennen van de aanduiding 'zone onbebouwd' aan de omstreden gronden in overeenstemming is met het gemeentelijke beleid zoals verwoord in de plantoelichting. Door een uitbreiding van de bestaande berging op deze gronden komt volgens hen de bereikbaarheid van hun perceel verder onder druk te staan. Ter plaatse is bovendien reeds een berging gebouwd welke in overeenstemming is met dit plan, aldus appellanten. In vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan biedt dit plan volgens hen bovendien al ruimere bebouwingsmogelijkheden voor de gronden aan de [locatie].

Bij de besluitvorming heeft verweerder volgens appellanten niet alle relevante stukken betrokken en zijn zij niet in de gelegenheid gesteld een toelichting te geven.

2.3.2.    In de plantoelichting is ten aanzien van de aanduiding 'zone onbebouwd' vermeld dat als uitgangspunt geldt dat op gronden met deze aanduiding niet mag worden gebouwd teneinde het straatbeeld te beschermen. Deze gronden behouden een onbebouwd en groen karakter waardoor volgens de plantoelichting een soepele overgang naar het aangrenzende openbaar gebied ontstaat. Uit de plankaart blijkt dat het deel van de gronden met de aanduiding 'zone onbebouwd' waaraan verweerder goedkeuring heeft onthouden niet aan de straat dan wel overig openbaar gebied grenst. Deze onthouding van goedkeuring doet derhalve geen afbreuk aan de hierboven verwoorde doelstellingen van de toegekende aanduiding zoals vermeld in de plantoelichting. Daar komt bij dat, zoals uit het deskundigenbericht blijkt, op de noordelijke grens van de gronden aan de [locatie] een twee meter hoge schutting staat. De gronden gelegen tussen deze schutting en de gronden met de aanduiding 'zone onbebouwd' waaraan verweerder goedkeuring heeft onthouden, hebben eveneens de aanduiding 'zone onbebouwd'. Een eventuele uitbreiding van de bestaande berging op deze gronden zal, bezien vanaf het perceel van appellanten, dan ook slechts op enige afstand achter deze schutting kunnen plaatsvinden en derhalve niet of nauwelijks van invloed zijn op het straatbeeld. Een dergelijke uitbreiding zal evenmin van invloed zijn op de bereikbaarheid van het perceel van appellanten, nu deze niet kan worden gerealiseerd op of grenzend aan gronden die toegang tot het perceel van appellanten bieden.

   Het standpunt van verweerder dat het toekennen van de aanduiding 'zone onbebouwd' aan de omstreden gronden de voorgenomen uitbreiding van de berging onmogelijk maakt is juist. De door appellanten genoemde omstandigheden dat de beoogde uitbreiding van de berging ook niet mogelijk was op grond van het voorgaande bestemmingsplan, er inmiddels een berging passend binnen dat bestemmingsplan is gebouwd en de bebouwingsmogelijkheden in het voorliggende plan ruimer zijn dan in het voorgaande bestemmingsplan, doen daar niet aan af. Deze omstandigheden geven voorts geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is gebleken van dwingende redenen die zich tegen de voorgenomen uitbreiding van de berging verzetten.

   Niet is gebleken dat verweerder bij zijn besluitvorming niet alle relevante stukken heeft betrokken. De Afdeling ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in dit geval uit een oogpunt van zorgvuldige besluitvorming gehouden was alvorens te besluiten tot onthouding van goedkeuring appellanten in de gelegenheid te stellen een toelichting te geven. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is niet in te zien dat de belangen van appellanten door de onthouding van goedkeuring en de eventueel daaruit voortvloeiende uitbreiding van de berging worden geschaad.

2.3.3.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Hieruit volgt dat verweerder terecht in zoverre goedkeuring heeft onthouden aan het plan. Het beroep is ongegrond.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Rop, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto    w.g. Rop

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2005

417.