Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS4725

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-02-2005
Datum publicatie
02-02-2005
Zaaknummer
200402537/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juli 2003 heeft de gemeenteraad van Breda, op voorstel met registratienummer 20816 van het college van burgemeester en wethouders, het bestemmingsplan "Spoorbuurt" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2005/1226
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200402537/1.

Datum uitspraak: 2 februari 2005.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellante sub 1], gevestigd te Breda,

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2003 heeft de gemeenteraad van Breda, op voorstel met registratienummer 20816 van het college van burgemeester en wethouders, het bestemmingsplan "Spoorbuurt" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 10 februari 2004, no. 930948, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 23 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 24 maart 2004, en appellant sub 2 bij brief van 8 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 13 april 2004, beroep ingesteld. Appellant sub 2 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 13 mei 2004.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant sub 2 en het gemeentebestuur van Breda. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 november 2004, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door P.M.M. Rasenberg, gemachtigde, en bijgestaan door mr. K.T.E. Huisman, advocaat te Heilig Landstichting, appellant sub 2, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A.J.A.M. van de Laar, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de gemeenteraad van Breda, vertegenwoordigd door A.J.J. Neele, ambtenaar van de gemeente.

2.    Overwegingen

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

   De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2.    Het plan voorziet in een planologische regeling voor de Spoorbuurt in Breda, voor welk gebied voorheen geen bestemmingsplan gold. Met het plan wordt beoogd een beheersregeling in het leven te roepen voor het bestaande gebied en daarnaast (vervangende) nieuwbouw mogelijk te maken op vijf ontwikkelingslocaties.

Het beroep van [appellante sub 1]

2.3.    Appellante voert allereerst aan dat in het bestreden besluit ten onrechte niet is vermeld dat zij haar bedenkingen mondeling heeft toegelicht tijdens de hoorzitting en betwijfelt of hetgeen zij daar naar voren heeft gebracht is betrokken bij de totstandkoming van het bestreden besluit.

2.3.1.    Ingevolge artikel 27, derde lid, van de WRO, stelt verweerder degenen die overeenkomstig het eerste of tweede lid tijdig bedenkingen hebben ingebracht in de gelegenheid tot het geven van een nadere mondelinge toelichting. Blijkens het procesverbaal van de hoorzitting heeft appellante op 27 oktober 2003 haar bedenkingen mondeling toegelicht. Dit is abusievelijk niet in het bestreden besluit vermeld. Voor het standpunt dat verweerder deze toelichting niet heeft betrokken bij zijn bestreden besluit heeft de Afdeling geen aanknopingspunten gevonden. Voorts is niet gebleken dat op de hoorzitting een zodanige aanvullende toelichting op de bedenkingen is gegeven dat verweerder in zijn bestreden besluit daarop uitdrukkelijk had moeten ingaan. Het betoog van appellante faalt derhalve in zoverre.

2.4.    Appellante stelt in beroep voorts dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Gemengde doeleinden (I)” voorzover het betreft haar perceel aan de [locatie]. Zij wenst dat aan het pand de bestemming “Gemengde doeleinden (II)” wordt toegekend, omdat deze bestemming niet slechts het gebruik als kantoor mogelijk maakt van de begane grond, zoals de toegekende bestemming, maar van het gehele pand. Appellante betwist dat de toegekende bestemming in overeenstemming is met het bestaande gebruik en stelt dat het pand, dat thans wordt gerenoveerd, geheel als kantoor in gebruik is geweest. Zij betwijfelt of er zwaarwegende belangen zijn die nopen tot uitsluiting van de kantoorfunctie op de verdiepingen en stelt dat haar andere panden in de omgeving wel geheel als kantoor mogen worden gebruikt.

2.4.1.    De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat het feitelijke gebruik van het pand als zodanig is bestemd. Hij stelt dat het pand aan de [locatie] tot recent nog bewoond is geweest. Gelet hierop is de bestemming “Gemengde doeleinden (I)” toegekend waarbij slechts kantoren op de begane grond zijn toegestaan en de verdiepingen hun woonfunctie dienen te behouden. Hij ziet, gelet op het gemeentelijk beleid om in het betrokken gebied de woonfunctie uit een oogpunt van sociale veiligheid en leefbaarheid te handhaven, geen aanleiding om de bestemming aan te passen.

2.4.2.    Verweerder acht dit gedeelte van het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening en heeft hieraan goedkeuring verleend. Hij onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad.

2.4.3.    Ter zitting is van de zijde van het gemeentebestuur verklaard dat begin 2001 het gebruik van de panden in het plangebied is geïnventariseerd ten behoeve van het opstellen van het voorontwerp van het bestemmingsplan. Bij deze inventarisatie is geconstateerd dat het pand niet in gebruik was als kantoor. Namens het gemeentebestuur is voorts gewezen op het Woningregister waaruit blijkt dat tot 23 augustus 2002 in het pand werd gewoond en op een op 20 april 2000 verleende sloopvergunning waarin het pand wordt omschreven als woning. Voorts heeft het gemeentebestuur recente foto's van het interieur van het pand overgelegd.

   Appellante betwist de juistheid van het woningregister. Voorts heeft zij overgelegd een koopovereenkomst van 7 november 2001 waarin wordt verklaard dat de verkoper het pand heeft gebruikt als kantoor en dat partijen dat gebruik zien als het normale gebruik, een uittreksel van het kadaster van 7 november 2001 waarin het pand als kantoor wordt genoemd, een eerdere akte van levering van 10 augustus 2000 waarin wordt vermeld dat de koper het gekochte kan gebruiken als kantoor en een akte van levering van 12 augustus 2002 waarin is vermeld dat het verkochte door de koper te gebruiken is als kantoor.

   De Afdeling overweegt dat voorzover de door appellante overgelegde stukken betrekking hebben op de situatie na de gemeentelijke inventarisatie, deze reeds hierom niet kunnen dienen om de onjuistheid van deze inventarisatie wat betreft het pand van appellante aan te tonen. Ook uit de omstandigheid dat in de akte van 10 augustus 2000 is vermeld dat de koper het gekochte kan gebruiken als kantoor, vloeit niet zonder meer voort dat het pand op dat moment ook daadwerkelijk als kantoor in gebruik was.

   De namens de gemeenteraad overgelegde recente foto's van het interieur van het pand, dat momenteel gerestaureerd wordt, sluiten niet uit dat de verdiepingen van het pand recent als kantoor in gebruik zijn geweest, doch evenmin kan op grond van de foto's worden uitgesloten dat deze op het moment van de gemeentelijke inventarisatie als woning in gebruik zijn geweest.

   Het vorenstaande in aanmerking nemend ziet de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de gemeentelijke inventarisatie in zoverre ondeugdelijk is geweest. Het feit dat de gemeenteraad zich heeft gebaseerd op deze inventarisatie, die in de loop van het jaar 2001 is geschied, heeft verweerder, gelet op de voorbereidingstijd die met het vaststellen van een bestemmingsplan gepaard gaat, niet onredelijk hoeven achten.

   Naar het oordeel van de Afdeling heeft de gemeenteraad zich voorts op het standpunt kunnen stellen dat het alsnog als zodanig bestemmen van een kantoorfunctie op de verdiepingen uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening ongewenst is. Het gemeentelijk beleid dat is gericht op het behoud van de woonfunctie nu het grote aantal kantoren de omgevingskwaliteit ter plaatse dreigt aan te tasten, acht de Afdeling niet onredelijk.

2.5.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

   Het beroep is in zoverre ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.6.    Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden” betreffende zijn pand aan de [locatie]. Hij voert aan dat het pand bestaat uit een benedenverdieping, nummer […], die in gebruik is geweest als kantoorruimte en nu wordt gerenoveerd, en twee bovenverdiepingen, nummer […], die gebruikt worden als woonruimte. Appellant stelt dat de bestemming “Woondoeleinden” geen recht doet aan de bestaande situatie op de benedenverdieping.

2.6.1.    De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat het feitelijke gebruik van de benedenverdieping als zodanig is bestemd. Het pand van appellant aan de [locatie] staat te boek als woning en heeft derhalve de bestemming “Woondoeleinden” gekregen. Hij ziet, gelet op het gemeentelijk beleid om geen nieuwe kantoren toe te laten, geen aanleiding om de bestemming aan te passen.

2.6.2.    Verweerder onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad.

2.6.3.    Ter zitting is namens de gemeenteraad verklaard dat het huisnummer […] niet bekend is. Appellant heeft ter zitting gesteld dat sprake is van twee voordeuren, een voor de benedenverdieping met nr. […] en een voor de bovenverdiepingen met nr. […]. Deze situatie is volgens appellant normaal aan de [locatie]. Van de zijde van de gemeenteraad en verweerder is hierover ter zitting geen opheldering verschaft. Gelet hierop bestaat gerede twijfel over de juistheid van de gemeentelijke inventarisatie voorzover het dit plandeel betreft. Verweerder heeft dit miskend. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb in zoverre dient te worden vernietigd.

Proceskosten

2.7.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van appellant sub 2 gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 10 februari 2004, 930948, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" betreffende het perceel aan de [locatie];

III.    verklaart het beroep van appellante sub 1 ongegrond;

IV.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de door appellant sub 2 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 22,51; het bedrag dient door de provincie Noord-Brabant te worden betaald aan appellant sub 2;

V.    gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellant sub 2 het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 136,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman    w.g. de Groot

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2005

210-445.