Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS4724

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-02-2005
Datum publicatie
02-02-2005
Zaaknummer
200402173/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 oktober 2003, kenmerk WVO 8658, heeft verweerder de bij besluit van 18 juli 2000, kenmerk 6012, krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren aan de rechtsvoorganger van appellante verleende vergunning voor het brengen van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in oppervlaktewateren afkomstig van overslagactiviteiten aan de Oostkade 5 te Sluiskil, gewijzigd. Dit besluit is op 20 februari 2004 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200402173/1.

Datum uitspraak: 2 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Heros Sluiskil B.V.", gevestigd te Sluiskil,

appellante,

en

de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2003, kenmerk WVO 8658, heeft verweerder de bij besluit van 18 juli 2000, kenmerk 6012, krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren aan de rechtsvoorganger van appellante verleende vergunning voor het brengen van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in oppervlaktewateren afkomstig van overslagactiviteiten aan de Oostkade 5 te Sluiskil, gewijzigd. Dit besluit is op 20 februari 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 12 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 10 juni 2004.

Bij brief van 16 april 2004, aangevuld op 28 juni 2004, heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 28 september 2004. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante en verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 december 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. G.A. van der Veen, advocaat te Breda, en mr. ing. A. de Bode en ing. M. Stouten, gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.J. de Lange-Bekker, advocaat te Middelburg, en J. Snoep en ing. Taroenodikromo, beiden ambtenaar bij Rijkswaterstaat, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellante voert aan dat vergunning is gevraagd voor het in twee zuiveringsstraten verwerken van afvalwater afkomstig van derden. Verweerder heeft ten onrechte en in afwijking van de aanvraag uitsluitend voor zuiveringsstraat 2 het verwerken van afvalwater afkomstig van derden (met uitzondering van het percolaat van de Koegorspolder) vergund. Hierdoor wordt de flexibiliteit in de bedrijfsvoering beperkt en wordt zij gedwongen forse investeringen te doen om de zuiveringsstraten fysiek te scheiden, aldus appellante.

2.1.1.    Verweerder stelt dat hij op grondslag van de aanvraag heeft beslist. Hij stelt in dit kader dat ten behoeve van de aanvraag diverse malen vooroverleg tussen verweerder en appellante heeft plaatsgevonden en door appellante meerdere conceptaanvragen zijn opgesteld. In het licht hiervan heeft hij de definitieve aanvraag beoordeeld.

2.1.2.    Ingevolge het aan de vergunning van 18 juli 2000 verbonden voorschrift 3, eerste lid, mogen uitsluitend de afvalwaterstromen genoemd in bijlage 7 door middel van een werk worden geloosd.

   In bijlage 7, behorende bij de bestreden vergunning, is - kort samengevat - bepaald dat naar straat 1 worden getransporteerd de  bedrijfsgebonden afvalwaterstromen en het percolaat van de Koegorspolder en naar straat 2 het al dan niet voorbehandeld afvalwater/ waterige afvalstromen van derden.

   In voorschrift 6, eerste lid, onder a en onder b, zijn voor het effluent van de afvalwaterzuiveringsinstallatie lozingseisen gesteld, waarbij een onderscheid is gemaakt in het effluent afkomstig van straat 1 en straat 2.

2.1.3.    In paragraaf 6.1 van de aanvraag, gedateerd 26 augustus 2002, staat dat appellante voornemens is, naast de bedrijfsgebonden afvalwaterstromen, afvalwater afkomstig van derden in de biologische afvalwaterzuiveringsinstallatie, die bestaat uit twee zuiveringsstraten, te verwerken. In paragraaf 6.4 staat vermeld dat afvalwater afkomstig uit de tankenparken 1 en 2 zal worden verwerkt in zuiveringsstraat 1. Uit paragraaf 6.2 blijkt dat afvalwater van derden zal worden opgeslagen in de tankenparken 1 en 2. In paragraaf 6.4.1 staat vermeld dat de procesvoering van de biologische afvalwaterzuiveringsinstallatie zal worden gewijzigd, zodanig dat beide zuiveringsstraten kunnen worden gebruikt voor het verwerken van afvalwater van derden. Daarbij zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd: “de slib- en waterlijn van straat 1 en 2 worden zoveel mogelijk gescheiden, straat 1 wordt primair gebruikt voor het verwerken van bedrijfsgebonden afvalwaterstromen, in geval van zware regenval is verwerking van overflow in straat 2 mogelijk, slib dient tussen de straten uitgewisseld te kunnen worden in geval van calamiteiten”. Verder staat vermeld dat volledige scheiding van straat 1 en 2 niet mogelijk is en de verwerking van het slib in de sliblijn voor beide straten gezamenlijk wordt uitgevoerd. Het hierbij vrijkomende water wordt in de influenttank van straat 1 gebracht. In paragraaf 7.1, waarin de prognose voor de effluentkwaliteit wordt vermeld, staat dat, omdat het effluent van beide straten naar één effluentput (P2) wordt geleid, verdunning van de percolaatstraat wordt bewerkstelligd indien ook de tweede straat in bedrijf is.

   Gelet op het bovenstaande en gelet op de context van de aanvraag, kan naar het oordeel van de Afdeling de aanvraag niet anders worden begrepen dan dat vergunning is gevraagd voor het in de zuiveringsstraten 1 en 2 verwerken van afvalwater afkomstig van derden en het lozen van het afvalwater vanuit één effluentput en niet het gebruik van en de lozing vanuit twee gescheiden zuiveringsstraten. De Afdeling overweegt in dit kader dat aan de door appellante opgestelde en met verweerder besproken conceptaanvragen niet de betekenis toekomt die verweerder daaraan heeft toegekend, omdat verweerder gehouden is te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend.

2.1.4.    Het vorenstaande laat onverlet dat door middel van het stellen van voorschriften maatregelen kunnen worden voorgeschreven die tot gevolg hebben dat wordt afgeweken van hetgeen is aangevraagd. Een dergelijk afwijken van de aanvraag om vergunning kan niet zover gaan dat de grondslag van de aanvraag wordt verlaten. In verband met de vraag of daarvan in het onderhavige geval sprake is, is van belang dat nu is voorgeschreven dat, met uitzondering van het percolaat uit de Koegorspolder, alleen in zuiveringsstraat 2 afvalwater van derden mag worden verwerkt en nu aparte lozingseisen zijn gesteld voor het effluent van beide zuiveringsstraten, appellante genoodzaakt wordt de twee zuiveringsstraten fysiek te scheiden en de procesvoering in de inrichting aan te passen. Hiermee heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling op een wezenlijk punt afgeweken van hetgeen is aangevraagd, waardoor hij de grondslag van de aanvraag heeft verlaten, hetgeen in strijd is met het stelsel van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren in samenhang bezien met de Wet milieubeheer.

    Verweerder had bij de beslissing op de aanvraag dienen te beoordelen of ten aanzien van de twee aangevraagde zuiveringsstraten voor de verwerking van afvalwater van derden binnen het kader van de grondslag van de aanvraag door het stellen van voorschriften voldoende bescherming kan worden geboden tegen de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater en de doelmatige werking van het betrokken zuiveringstechnische werk en, indien verweerder van oordeel is dat dit niet mogelijk is, de gevraagde vergunning dienen te weigeren. Het beroep is in zoverre gegrond.

2.2.    De Afdeling ziet in het vorenstaande aanleiding om het gehele besluit te vernietigen en een beoordeling van de overige bezwaren van appellante achterwege te laten.

2.3.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 16 oktober 2003, WVO 8658;

III.    veroordeelt de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 692,78, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door het ministerie van Verkeer en Waterstaat te worden betaald aan appellante;

IV.    gelast dat het ministerie van Verkeer en Waterstaat aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Van Driel

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2005

414.