Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS4710

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-02-2005
Datum publicatie
02-02-2005
Zaaknummer
200406277/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juni 2003 heeft college van burgemeester en wethouders van Abcoude (hierna: het college) appellant, onder oplegging van een dwangsom, gelast het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de africhtstal voor paarden (hierna: de loods) op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente Abcoude, als opslagplaats voor meubelen te beëindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2005/4421
Module Ruimtelijke ordening 2005/3393
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200406277/1.

Datum uitspraak: 2 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 13 juli 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Abcoude.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2003 heeft college van burgemeester en wethouders van Abcoude (hierna: het college) appellant, onder oplegging van een dwangsom, gelast het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de africhtstal voor paarden (hierna: de loods) op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente Abcoude, als opslagplaats voor meubelen te beëindigen.

Bij besluit van 9 december 2003 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 juli 2004, verzonden op 13 juli 2004, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 20 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 20 juli 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 23 augustus 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 28 oktober 2004 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 30 december 2004 heeft appellant een nader stuk ingediend. Dit is aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 januari 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door A.A.J. Plateijn, directeur van Plateijn Consulting te Baambrugge, en J.C.M. van Schie, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.S. Beems, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied” (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming “Agrarische bebouwing”.

   Ingevolge artikel 4, lid A, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, mogen op deze gronden uitsluitend worden gebouwd:

- bouwwerken, in ruimtelijke samenhang ten opzichte van elkaar, welke blijkens aard en indeling rechtstreeks en uitsluitend ten dienste van een agrarisch bedrijf staan;

- bedrijfsgebouwen en andere bouwwerken ten behoeve van het verrichten van agrarische loonwerkzaamheden, mits deze gebouwen en andere bouwwerken een onderdeel vormen van een agrarisch bedrijf.

   Ingevolge artikel 4, lid C, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, is het verboden de in lid A bedoelde opstallen te gebruiken op een wijze of tot een doel in strijd met de aan de grond gegeven bestemming. Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt gerekend het gebruik voor de uitoefening van enige tak van handel en/of bedrijf met uitzondering van een agrarisch bedrijf of agrarisch loonwerkbedrijf.

2.1.1.    In de op 28 augustus 2001 door gedeputeerde staten van Utrecht vastgestelde “Handleiding Bestemmingsplan Buitengebied” (hierna: de handleiding) zijn aanbevelingen opgenomen over de wijze waarop in een bestemmingsplan inhoud kan worden gegeven aan verschillende ruimtelijke aspecten in het landelijk gebied. De handleiding vormt een hulpmiddel bij het ontwikkelen en herzien van bestemmingsplannen voor het buitengebied. In het achtste hoofdstuk van de handleiding, waarmee provinciale staten van Utrecht op 7 oktober 2002 hebben ingestemd, wordt als beleid ten aanzien van het hergebruiken van vrijkomende agrarische bebouwing vermeld dat sprake moet zijn van algehele bedrijfsbeëindiging of bedrijfsverplaatsing en dat de vrijkomende grond voor agrarische doeleinden in gebruik moet blijven, of worden ingericht voor natuurontwikkeling (dan wel een combinatie hiervan), overeenkomstig de aan het desbetreffende gebied toegekende functie.

2.2.    Bij besluit van 7 april 1998 heeft het college aan appellant bouwvergunning verleend voor het oprichten van een africhtstal voor paarden. Niet in geschil is dat appellant de loods, door daarin goederen op te slaan, niet heeft gebruikt overeenkomstig deze vergunning. De opslag is ook in strijd met de aan de grond gegeven bestemming.

2.3.    De conclusie is dat is gehandeld in strijd met artikel 4, lid C, van de planvoorschriften, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

2.4.    Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4.1.    Appellant betoogt onder meer, samengevat weergegeven, dat de rechtbank heeft miskend dat er ten tijde van het bestreden besluit concreet uitzicht op legalisatie bestond. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het africhten en het stallen van paarden niet kan worden aangemerkt als het uitoefenen van een agrarisch bedrijf. In het verlengde hiervan is appellant van mening dat sprake is geweest van agrarische bedrijfsbeëindiging, zodat volgens hem een beroep kan worden gedaan op het hiervoor genoemde beleid van gedeputeerde staten ten aanzien van het hergebruiken van vrijkomende agrarische bebouwing ter legalisering van het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de loods.

2.4.2.    Dit betoog faalt. Er is geen sprake geweest van agrarische bedrijfsbeëindiging, reeds omdat – los van de vraag of het africhten en stallen van paarden op zichzelf wel als agrarische bedrijfsactiviteiten kunnen worden aangemerkt – de omstandigheid dat appellant in de stal bezig zou zijn geweest met het africhten van één of twee paarden onvoldoende is om te concluderen dat ter plaatse een bedrijf werd uitgeoefend. Gelet op het vorenstaande is niet voldaan aan de voorwaarden neergelegd in de hiervoor genoemde handleiding.

Bovendien is ter zitting gebleken dat het toekomstige bestemmingsplan voor het buitengebied – dat overigens ook niet voorziet in legalisering van de opslag – zich pas in het stadium van een ambtelijk voorontwerp bevindt. Uit de door appellant genoemde omstandigheden kan daarom niet worden afgeleid dat er ten tijde van het bestreden besluit concreet zicht op legalisering bestond. De omstandigheid dat ter zitting door het college is verklaard dat een verzoek om herziening van het bestemmingsplan niet op voorhand zal worden afgewezen, geeft geen grond voor een ander oordeel.  De rechtbank is terecht tot de conclusie gekomen dat geen concreet uitzicht op legalisatie bestaat.

2.4.3.    Nu in hetgeen appellant heeft gesteld ook overigens geen grond is te vinden voor het oordeel dat handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat daarvan behoorde te worden afgezien, heeft de rechtbank op juiste gronden geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot handhavend optreden.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Klein Nulent

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2005

218-476.