Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS4690

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-01-2005
Datum publicatie
02-02-2005
Zaaknummer
200409312/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 september 2004 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een smederij annex staalconstructiebedrijf en ambachtencentrum op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Sint-Michielsgestel, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 7 oktober 2004 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200409312/2.

Datum uitspraak: 24 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

1.    [verzoekster sub 1], gevestigd te [plaats],

2.    [verzoeker sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    [verzoekers sub 3], allen wonend dan wel gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Sint-Michielsgestel,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2004 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een smederij annex staalconstructiebedrijf en ambachtencentrum op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Sint-Michielsgestel, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 7 oktober 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben verzoekster sub 1 bij brief van 15 november 2004, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 17 november 2004, verzoeker sub 2 bij brief van 16 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 19 november 2004, en verzoekers sub 3 bij brief van 17 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 18 november 2004, beroep ingesteld. Verzoeker sub 2 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 30 november 2004. Verzoekers sub 3 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 2 december 2004.

Bij brief van 19 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 22 november 2004, heeft verzoekster sub 1 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 16 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 19 november 2004, heeft verzoeker sub 2 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van

17 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 18 november 2004, hebben verzoekers sub 3 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 6 januari 2005, waar verzoekster sub 1, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en drs. ing. C. den Hertog, gemachtigden, verzoeker sub 2 in persoon en verzoekers sub 3, waarvan [gemachtigden] in persoon en bijgestaan door mr. K.W.H. Albert, advocaat te Boxtel, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A.M.M. Exterkate en M.M. Cornielje, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Het verzoek van verzoekster sub 1 richt zich uitsluitend tot het aan de vergunning verbonden voorschrift 7.1.3. Zij betoogt dat dit voorschrift onnodig bezwarend is, nu de hieraan ten grondslag gelegde beoordeling van de door de inrichting te veroorzaken stofemissie op onjuiste wijze heeft plaatsgevonden. Zo heeft verweerder volgens verzoekster sub 1 ten onrechte de vrijstellingsbepaling uit de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (hierna: de NeR) als norm toegepast. Bovendien heeft verweerder volgens verzoekster sub 1 deze vrijstellingsbepaling op onjuiste wijze toegepast door alle bronnen van de inrichting gezamenlijk te beoordelen.

   Verzoekers sub 2 en sub 3 betogen onaanvaardbare rook-, roet- en geurhinder te ondervinden als gevolg van het in werking zijn van de onderhavige inrichting. In dit verband voeren zij aan dat de aan de vergunning verbonden voorschriften 7.1.2, 7.2.1 en 7.3.1 ontoereikend zijn ter voorkoming, dan wel voldoende beperking, van deze vorm van hinder. Volgens verzoekers sub 2 en sub 3 is verweerder ten onrechte afgeweken van de emissie-eisen uit de NeR door toepassing te geven aan de vrijstellingsbepaling uit de NeR. Voorts zijn volgens deze verzoekers ten onrechte geen emissieniveaus in de vergunning opgenomen en zijn de door verweerder voorgeschreven maatregelen onvoldoende.

2.2.1.    In voorschrift 7.1.2 is bepaald dat uitmondingen in de buitenlucht van afvoeren van ventilatiesystemen, luchtbehandelingsinstallaties of afzuigsystemen, ten aanzien waarvan in de vergunning geen andere voorschriften zijn gesteld, zodanig moeten zijn gesitueerd dat een afdoende verspreiding van dampen is gewaarborgd, zonder dat hinder buiten de inrichting wordt veroorzaakt.

   In voorschrift 7.1.3, voorzover hier van belang, is bepaald dat zes maanden na het in werking treden van de vergunning door middel van metingen en berekeningen moet worden aangetoond dat de totale emissie van stof van de inrichting minder bedraagt dan 200 kilogram op jaarbasis.

   In voorschrift 7.2.1 is bepaald dat de uitmonding van het emissiepunt van de bakoven op zodanige hoogte dient te zijn gelegen dat een afdoende verspreiding van de geëmitteerde lucht in de buitenlucht is gewaarborgd. Ingevolge dit voorschrift moet deze hoogte tenminste 1 meter boven de hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de uitmonding gelegen gebouwen zijn. In voorschrift 7.3.1 is hetzelfde bepaald ten aanzien van de smidsvuren.

2.2.2.    Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder bij de invulling van de hem in het kader van de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer toekomende beoordelingsvrijheid, wat betreft de beoordeling van de door de inrichting te veroorzaken rook-, roet- en geurhinder, aansluiting gezocht bij de systematiek van de NeR en meer in het bijzonder bij paragraaf 2.4.1. van de NeR. Daarin is een vrijstellingsbepaling opgenomen, die inhoudt dat wanneer de vracht van een bron op jaarbasis lager is dan het 1000-voudige van de waarde van de van toepassing zijnde grensmassastroom (0,2 kg/uur voor stof), hetgeen neerkomt op een emissie van 200 kilogram per jaar, de emissie van deze bron kan worden uitgesloten bij de bepaling van het voorzieningenniveau. Verweerder heeft bij zijn beoordeling de vrijstellingsbepaling uit de NeR als norm gehanteerd en in voorschrift 7.1.3 bepaald dat de inrichting niet meer dan 200 kilogram stof per jaar mag emitteren.

   Uit rapporten behorende tot de vergunningaanvraag en wetenschappelijke gegevens blijkt volgens verweerder dat als gevolg van het in werking zijn van de onderhavige inrichting de grenswaarde van 200 kilogram stof per jaar wordt overschreden. Aangezien voorzieningen volgens verweerder niet mogelijk zijn, heeft hij de vergunning geweigerd voorzover het 254 demonstraties en het gebruik van houtkachels binnen de inrichting betreft en onder meer de in de voornoemde voorschriften neergelegde maatregelen getroffen.

2.2.3.    De Voorzitter overweegt dat op basis van de thans voorgelegde gegevens geen definitief oordeel kan worden gevormd omtrent de vraag of aan de door verweerder in het bestreden besluit gehanteerde norm een voldoende milieuhygiënische onderbouwing ten grondslag is gelegd en de vraag of verweerder de vrijstellingsbepaling uit de NeR op juiste wijze heeft toegepast. Daartoe dient nader onderzoek plaats te vinden, hetgeen het kader van deze procedure te buiten gaat. Eerst de Afdeling zal hierover een definitief oordeel kunnen geven.

   In paragraaf 2.4.1 van de NeR wordt ervan uitgegaan dat wanneer de norm die geldt voor toepassing van de vrijstellingsbepaling niet wordt overschreden, een acceptabel hinderniveau wordt bereikt. Niet gebleken is dat de onderhavige inrichting met de vergunde bedrijfvoering de in voorschrift 7.1.3 gestelde norm van 200 kilogram stof per jaar overschrijdt. Wat betreft het betoog van verzoekers sub 2 en sub 3 dat verweerder verdergaande voorzieningen en maatregelen aan vergunninghoudster had moeten opleggen, overweegt de Voorzitter dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting op voorhand niet is gebleken van zodanige voorzieningen en maatregelen dat verweerder die in redelijkheid had moeten voorschrijven. Gelet hierop ziet de Voorzitter geen reden om te oordelen dat in afwachting van de behandeling van het geding in de bodemprocedure moet worden gevreesd voor zodanige rook-, roet- en geurhinder vanwege de inrichting dat hierin, gelet op de betrokken belangen, aanleiding zou moeten worden gevonden tot het inwilligen van het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening van verzoekers sub 2 en sub 3. Nu de in voorschrift 7.1.3 gestelde meetverplichting voor verzoekster sub 1 echter onlosmakelijk is verbonden met voornoemde norm van 200 kilogram per jaar, ziet de Voorzitter, bij afweging van de betrokken belangen, wel aanleiding de na te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.3.    Verzoekers sub 2 en sub 3 betogen onaanvaardbare directe geluidhinder te ondervinden als gevolg van het in werking zijn van de onderhavige inrichting. In dat kader voeren zij aan dat de aan de vergunning verbonden voorschriften 6.1.1, 6.1.2, 6.1.3, 6.1.8, 6.1.9 en 6.2.1 ontoereikend zijn ter voorkoming, dan wel voldoende beperking van geluidhinder. Daarnaast betogen verzoekers sub 3 dat in de vergunning ten onrechte geen grenswaarden voor het stemgeluid zijn opgenomen.

2.3.1.    Uit de aanvraag, die blijkens het dictum van het bestreden besluit deel uitmaakt van de vergunning, volgt dat ten aanzien van de door de onderhavige inrichting te veroorzaken geluidbelasting een onderscheid moet worden gemaakt tussen de representatieve en de niet-representatieve bedrijfssituatie. In de niet-representatieve bedrijfssituatie vinden 10 maal per jaar tussen 19.00 en 24.00 uur verkeersbewegingen met een touringcar plaats en vinden er 2 maal per jaar open museumdagen plaats.

2.3.2.    Ter voorkoming, dan wel voldoende beperking, van directe geluidhinder in de representatieve bedrijfssituatie heeft verweerder voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau de voorschriften 6.1.1 en 6.1.2 aan de vergunning verbonden.

   Verweerder heeft voor de beoordeling van de van de inrichting te duchten directe geluidhinder de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (verder te noemen: de Handreiking) als uitgangspunt gehanteerd. In de Handreiking staan richtwaarden vermeld die zijn gerelateerd aan de aard van de woonomgeving en die als uitgangspunt worden gehanteerd bij het stellen van geluidgrenswaarden.

   Blijkens het bestreden besluit is verweerder bij de onderhavige inrichting uitgegaan van een nieuwe inrichting. De woningen aan de Hoefsmid moeten volgens verweerder worden getypeerd als een rustige woonwijk met weinig verkeer in de zin van de Handreiking. Dit is door verzoekers sub 2 en sub 3 niet bestreden. Ten aanzien van deze woningen zijn in vergunningvoorschrift 6.1.1 geluidgrenswaarden van 45, 40 en 35 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode opgenomen, welke grenswaarden overeenkomen met de richtwaarden uit de Handreiking voor een dergelijke woonomgeving.

   Ten aanzien van de woningen aan de Venkant op het industrieterrein heeft verweerder gekozen voor de hoogste richtwaarden uit de Handreiking voor een woonwijk in de stad, te weten 50, 45 en 40 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Deze grenswaarden zijn in vergunningvoorschrift 6.1.2 opgenomen.

   Wat betreft het stemgeluid van bezoekers van de inrichting overweegt de Voorzitter dat voorzover dit al door verweerder bij de beoordeling van de door de inrichting te veroorzaken geluidhinder zou moeten worden betrokken, deze vorm van geluidhinder wordt genormeerd door de in de voorschriften 6.1.1 en 6.1.2 gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau.

2.3.3.    Voorts heeft verweerder ter voorkoming, dan wel voldoende beperking, van directe geluidhinder in de representatieve bedrijfssituatie voor het maximale geluidniveau voorschrift 6.1.3 aan de vergunning verbonden.

   De Voorzitter overweegt dat de in voornoemd voorschrift gestelde grenswaarden gelijk zijn aan de waarden die volgens de Handreiking nog als acceptabel worden aangemerkt.

2.3.4.    Het vorenstaande overziende is de Voorzitter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in de voorschriften 6.1.1, 6.1.2 en 6.1.3 opgenomen geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau in de representatieve bedrijfssituatie toereikendheid zijn ter voorkoming, dan wel voldoende beperking, van onaanvaardbare geluidhinder. Gelet hierop komt het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening van verzoekers sub 2 en sub 3 in zoverre niet voor inwilliging in aanmerking.

2.3.5.    Ter voorkoming, dan wel voldoende beperking, van directe geluidhinder in de niet-representatieve bedrijfssituatie heeft verweerder voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau de voorschriften 6.1.4, 6.1.5, 6.1.6, 6.1.7, 6.1.8, 6.1.9 en 6.2.1 aan de vergunning verbonden.

   In voorschrift 6.1.4, voorzover hier van belang, is bepaald dat in afwijking van de voorschriften 6.1.1, 6.1.2 en 6.1.3, 10 keer per jaar een touringcar de inrichting mag aandoen tussen 19.00 en 24.00 uur. In de voorschriften 6.1.5, 6.1.6 en 6.1.7 zijn voor deze bedrijfssituatie geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau opgenomen. In de voorschriften 6.1.8 en 6.1.9 zijn geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau in deze bedrijfssituatie opgenomen. In voorschrift 6.2.1 zijn transportbewegingen, voorzover deze plaatsvinden in de dagperiode, uitgezonderd van de geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau.

2.3.6.    Gelet op de aard en omvang van de incidentele bedrijfsactiviteiten en de in de voorschriften 6.1.5 – 6.1.9 opgenomen geluidgrenswaarden ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat in afwachting van de behandeling van het geding in de bodemprocedure moet worden gevreesd voor zodanige geluidhinder vanwege de inrichting dat hierin, gelet op de betrokken belangen, aanleiding zou moeten worden gezien een voorlopige voorziening te treffen.

2.4.    Verzoekers sub 2 en sub 3 stellen zich op het standpunt dat de gestelde geluidgrenswaarden niet kunnen worden nageleefd. Hiertoe voeren zij – kort samengevat – aan dat in het bij de aanvraag gevoegde akoestisch rapport op diverse punten is uitgegaan van onjuiste bronvermogens, dat bepaalde correcties niet zijn doorgevoerd, dat de uitgevoerde metingen onvolledig zijn, dat het binnen de inrichting voortgebrachte muziekgeluid ten onrechte niet is beoordeeld en dat de getroffen voorzieningen onvoldoende zijn.

   Bij het vaststellen van de geluidniveaus voor de onderhavige inrichting heeft verweerder zich gebaseerd op het bij de aanvraag gevoegde akoestisch rapport van De Roever Milieuadvisering van 29 september 2003. Volgens dit rapport kan aan de gestelde geluidgrenswaarden worden voldaan. In hetgeen is aangevoerd ziet de Voorzitter voorshands onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat niet alle relevante geluidbronnen bij dat onderzoek zijn betrokken en dat de aannames en berekeningen die daarin zijn gemaakt onvolledig en onjuist zijn.

2.5.    In hetgeen verzoekers sub 2 en sub 3 overigens naar voren hebben gebracht, voorzover het daarbij gaat om aspecten die betrekking hebben op het belang van de bescherming van het milieu, ziet de Voorzitter evenmin aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

2.6.    Gelet op het voorgaande ziet de Voorzitter aanleiding de verzoeken van verzoekers sub 2 en sub 3 om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7.    Ten aanzien van verzoekster sub 1 dient verweerder op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van verzoekers sub 2 en sub 3 bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Sint-Michielsgestel van 21 september 2004, voorzover het voorschrift 7.1.3 betreft;

II.    wijst de verzoeken van verzoekers sub 2 en sub 3 af;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Sint-Michielsgestel in de door verzoekster sub 1 in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 689,03, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Sint-Michielsgestel te worden betaald aan verzoekster sub 1;

IV.    gelast dat de gemeente Sint-Michielsgestel aan verzoekster sub 1 het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 273,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis    w.g. Van Hardeveld

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2005

312-443.