Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS3918

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-01-2005
Datum publicatie
26-01-2005
Zaaknummer
200403739/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 oktober 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wûnseradiel (hierna: het college) vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en bouwvergunning verleend aan Woningstichting “De Friese Greiden” (hierna: de stichting) voor het plaatsen van woningen en winkels op het adres Lieuwkemastraat te Makkum, op de percelen kadastraal bekend Makkum A 4721 en 4093.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200403739/1.

Datum uitspraak: 26 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden van 23 april 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Wûnseradiel.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wûnseradiel (hierna: het college) vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en bouwvergunning verleend aan Woningstichting “De Friese Greiden” (hierna: de stichting) voor het plaatsen van woningen en winkels op het adres Lieuwkemastraat te Makkum, op de percelen kadastraal bekend Makkum A 4721 en 4093.

Bij besluit van 2 maart 2004 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en vrijstelling verleend van de betreffende voorschriften van de bestemmingsplannen "Maggenheim", "Makkum-Oost" en "Makkum-Kom" en voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 april 2004, verzonden op 26 april 2004, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 5 mei 2004, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 mei 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 november 2004, waar  het college, vertegenwoordigd door mr. S. Lemstra en mr. L.T. van der Velde, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Daar is ook gehoord de stichting, vertegenwoordigd door mr. I. van der Meer, advocaat te Leeuwarden.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

   Ingevolge artikel 19, vierde lid, van de WRO, wordt vrijstelling krachtens het eerste lid, niet verleend voor een project dat wordt uitgevoerd in een gebied waarvoor:

a. het bestemmingsplan niet tijdig overeenkomstig artikel 33, eerste lid, is herzien of

b. geen vrijstelling overeenkomstig artikel 33, tweede lid, is verleend, tenzij voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening ter inzage is gelegd.

2.2.    Het project voorziet, voorzover hier van belang, in de bouw van 4 winkelunits met een totale oppervlakte van 1663 m2, 24 woningen, die onderdeel uitmaken van het winkelcomplex en 6 vrijstaande woningen. In de grootste winkelunit, die een oppervlakte heeft van 1238 m2, wordt een supermarkt ondergebracht. Deze supermarkt, die thans aan de ds. L. Touwenlaan in Makkum is gevestigd, wordt tevens uitgebreid. In één van de winkelunits zal voorts een slijterij worden gevestigd. Ten aanzien van de twee overige winkelunits is niet duidelijk wat daarin zal worden gevestigd.

2.3.    Tussen partijen is niet in geschil dat het project in strijd is met de ter plaatse geldende bestemmingsplannen "Maggenheim", "Makkum-Oost" en "Makkum-Kom". Om het project desondanks mogelijk te maken heeft het college vrijstelling verleend met toepassing van artikel 19, eerste en vierde lid, van de WRO. Vast staat dat zowel ten tijde van het primaire besluit als ten tijde van de bestreden beslissing op bezwaar een voorbereidingsbesluit gold.  Voorts heeft het college van gedeputeerde staten van Friesland (hierna: het college van gedeputeerde staten) op 23 oktober 2002 een verklaring van geen bezwaar afgegeven ten behoeve van het project.

2.4.    Appellanten betogen allereerst dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de verleende vrijstelling in strijd is met het gemeentelijk beleid en provinciaal beleid en verwijzen in dat verband onder meer naar het rapport "Makkum detailhandel, horeca en toerisme" van mei 1991 (hierna: het VOM-rapport) waarin de resulaten van een in 1991 uitgevoerd distributie planologisch onderzoek en het gewenste beleid ten aanzien van de detailhandel in Makkum zijn neergelegd. Dit rapport is meegenomen in het bestemmingsplan "Makkum-Kom" dat op 31 maart 1999 door de raad van de gemeente Wûnseradiel is vastgesteld.

   Dit betoog faalt. Het gemeentelijk beleid, zoals vastgelegd in het hiervoor genoemde bestemmingsplan, houdt in dat vestiging van nieuwe bedrijven buiten het gebied van de Kerkstraat, het Plein en de Markt (het zogenoemde toernooiveld) zoveel mogelijk dient te worden beperkt. Nu het project geen nieuwvestiging betreft, doch de verplaatsing en uitbreiding van een bestaande supermarkt en uitbreiding van die supermarkt binnen het toernooiveld niet mogelijk is, is het project niet in strijd met dat gemeentelijk beleid, temeer nu het volgens het VOM-rapport eveneens wenselijk is dat bestaande supermarkten worden uitgebreid.

   Anders dan appellanten stellen is het project voorts evenmin in strijd met het provinciale beleid, zoals neergelegd in de Kadernota Streekplan 2005-2015 en de Handleiding gemeentelijke plannen 2000. Ter zitting is door het college naar voren gebracht dat de supermarkt primair bedoeld is voor het verzorgingsgebied, namelijk Makkum en directe omgeving alsmede de recreanten van onder meer het recreatiecentrum "De Holle Poarte". Voorts is er op grond van planologische motieven afgewogen waar plaats en ruimte is voor de supermarkt. Er zijn verschillende locaties onderzocht en de keuze voor de huidige locatie is gemotiveerd in de door het bureau BügelHajema Adviseurs opgestelde ruimtelijke onderbouwing. Ook heeft er volgens het college overleg plaatsgevonden met de plaatselijke ondernemers, namelijk met het bestuur van de Makkumer Middenstandsvereniging, die instemt met de verplaatsing en uitbreiding van de supermarkt en met de Vereniging Ontwikkeling Makkum die daar eveneens voor pleit.

   Evenals de voorzieningenrechter is de Afdeling voorts van oordeel dat in de Detailhandelsvisie van de Kamer van Koophandel, waarnaar door appellanten eveneens is verwezen, geen gemeentelijk of provinciaal beleid is neergelegd.

2.5.    Volgens appellanten heeft het college voorts ten onrechte nagelaten een distributie planologisch onderzoek aan de ruimtelijke onderbouwing ten grondslag te leggen. Zij verwijzen in dit verband onder meer naar het VOM-rapport en naar het rapport van Kolpron Consultants van 10 december 1998 (hierna: het Kolpron-rapport).

    Dit betoog slaagt evenmin. Volgens het gemeentelijk beleid, zoals neergelegd in het bestemmingsplan "Makkum-Kom" zal slechts in geval van nieuwvestiging moeten worden aangetoond dat daardoor het distributieve evenwicht in Makkum niet onevenwichtig wordt verstoord. Nu het hier niet gaat om nieuwvestiging en volgens het gemeentelijk beleid uitbreiding van bestaande supermarkten mogelijk is, heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat een distributie planologisch onderzoek in dit geval niet noodzakelijk was. Dat, zoals appellanten stellen, door de verplaatsing en de uitbreiding van de bestaande supermarkt leegstand zal ontstaan en een duurzame ontwrichting van het bestaande winkelaanbod dreigt, is niet gebleken. Uit het Kolpron-rapport kan dat niet worden afgeleid. In dat rapport zijn de resultaten van een distributie planologisch onderzoek naar een nieuwe, derde, supermarkt in Makkum neergelegd, terwijl het in dit geval gaat om verplaatsing en uitbreiding van een bestaande supermarkt. Terecht heeft de voorzieningenrechter overwogen dat het daarbij om een wezenlijk andere situatie gaat. Zowel het VOM-rapport als het Kolpron-rapport zien voorts ruimte voor uitbreiding van een beperkte categorie speciaalzaken.

2.6.    Gelet op het vorenstaande voldoet de ruimtelijke onderbouwing aan de eisen die daaraan gesteld dienen te worden.

2.7.    Appellanten betogen voorts dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college de door hen aangedragen alternatieven niet bij de ruimtelijke onderbouwing heeft betrokken en dat door de verwezenlijking van deze alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.

   Dit betoog faalt. Terecht en op goede gronden heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat deze alternatieven niet door het college in de beschouwingen zijn betrokken, alsmede dat niet op voorhand duidelijk is dat daarmee een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. De Afdeling merkt daarbij op dat de voorzieningenrechter bij dat oordeel terecht heeft betrokken dat het bouwplan naar aanleiding van de door appellanten ingediende zienswijze nog enigszins is aangepast en dat voorts niet blijkt dat er in die alternatieven ook rekening is gehouden met de belangen van andere belanghebbenden bij het bouwplan, zoals bijvoorbeeld de toekomstige bewoners van de woningen, die tevens onderdeel van het project uitmaken.

2.8.    Geconcludeerd moet worden dat er geen grond is voor het oordeel dat het college bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de gevraagde vrijstelling te verlenen. Hetgeen appellanten voor het overige hebben aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

2.9.    Appellanten betogen terecht dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat niet is gesteld dat het bouwplan in strijd is met de gemeentelijke bouwverordening. Dit kan echter niet tot het door hen beoogde resultaat leiden. In de planvoorschriften is bepaald dat slechts gebouwd mag worden binnen het op de kaart aangegeven bebouwingsvlak. Het bebouwingsvlak is door middel van bebouwingsgrenzen op de kaart  aangegeven. Gelet daarop is de Afdeling van oordeel dat het bestemmingsplan een regeling bevat met betrekking tot de voorgevelrooilijn, zodat gelet op artikel 9, eerste lid, van de Woningwet de voorschriften met betrekking tot de voorgevelrooilijn in de gemeentelijke bouwverordening buiten toepassing blijven.

2.10.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.M. van Angeren, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.W.C.M. van Emmerik, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Angeren    w.g. Van Emmerik

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2005

398.