Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS3909

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-01-2005
Datum publicatie
26-01-2005
Zaaknummer
200404831/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo (hierna: het college) appellante onder oplegging van een dwangsom gelast om het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het recreatiewoonverblijf op de [locatie], huisje […], te Ermelo als hoofdwoonverblijf te beëindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200404831/1.

Datum uitspraak: 26 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 26 april 2004 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Ermelo.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo (hierna: het college) appellante onder oplegging van een dwangsom gelast om het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het recreatiewoonverblijf op de [locatie], huisje […], te Ermelo als hoofdwoonverblijf te beëindigen.

Bij besluit van 3 april 2003 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard onder verwijzing naar het advies van de commissie voor bezwaarschriften van 13 maart 2003.

Bij uitspraak van 26 april 2004, verzonden op 4 mei 2004, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 14 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op 15 juni 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 6 juli 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 6 augustus 2004 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 23 november 2004 heeft appellante een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 december 2004, waar het college, vertegenwoordigd door mr. N. van Olst-van Esch en mr. R.A. Oosterveer, ambtenaren der gemeente, zijn verschenen. Appellante is met bericht niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan 'Buitengebied 1983' is permanente bewoning van de recreatiewoning in strijd met dit bestemmingsplan. Uit dit artikel vloeit voort dat de recreatiewoning uitsluitend voor recreatieve doeleinden mag worden gebruikt.

2.2.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3.    Op 14 maart 1996 heeft het college een nieuw handhavingsbeleid vastgesteld inzake de permanente bewoning van recreatiewoonverblijven in Ermelo. Degenen die konden bewijzen dat zij op die datum permanent woonden in een recreatiewoonverblijf konden een persoonlijke gedoogstatus verkrijgen, mits zij hiertoe voor 1 juni 1996 een aanvraag indienden. In de tekst van de publicatie in het Ermelo’s Nieuwsblad van 14 maart 1996 is aangegeven dat ook opgetreden wordt tegen degenen die stellen al op die datum permanent te wonen in een recreatiewoonverblijf, maar die niet voor 1 juni 1996 een persoonlijke gedoogstatus hebben aangevraagd.

    Appellante heeft geen aanvraag als hiervoor bedoeld ingediend.

2.4.    Op 21 januari 1993 is aan de toenmalige partner van appellante een ontheffing voor permanente bewoning van de recreatiewoning verleend tot 1 februari 1995.

    Anders dan appellante betoogt heeft de rechtbank terecht overwogen dat zij aan de verleende ontheffing niet het gerechtvaardigde vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat zij de permanente bewoning van de recreatiewoning mocht voortzetten. Daargelaten de vraag of de ontheffing tevens appellante gold, overweegt de Afdeling dat bij de ontheffing is aangegeven dat deze tot 1 februari 1995 geldig was en derhalve ruim een jaar voor de invoering van het nieuwe beleid zijn geldigheid heeft verloren.

    Het college heeft op 25 mei 1993 een brief verzonden aan de toenmalige partner van appellante waarin hij mededeelt dat hoewel hij ingevolge een uitspraak van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State geen ontheffingen meer kan verlenen, dit geen gevolgen heeft voor reeds verleende ontheffingen, welke geldig blijven. Anders dan appellante betoogt kan uit deze brief niet worden afgeleid dat hiermee is beoogd voorbij te gaan aan de op de ontheffing vermelde einddatum.

2.5.    Het betoog van appellante dat de rechtbank ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom haar beroep op bijzondere omstandigheden faalt, nu dit berust op een onjuiste lezing van de aangevallen uitspraak. In de op voormelde overweging volgende overwegingen heeft de rechtbank het beroep van appellante op de door haar naar voren gebrachte bijzondere omstandigheden gemotiveerd verworpen.

2.6.    Het betoog van appellante dat de rechtbank heeft miskend dat bij de beoordeling van haar beroep op het gelijkheidsbeginsel uit diende te worden gegaan van het feitelijk gebruik van de recreatiewoning faalt, nu de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat het geval waarnaar zij verwijst een uitzonderlijke situatie betrof, waarbij met name van belang was dat de betrokkene, anders dan appellante, voor het in werking treden van het nieuwe beleid in de Gemeentelijke Basisadministratie ingeschreven stond.

2.7.    De klacht van appellante dat de rechtbank ten onrechte een aantal beroepsgronden onbesproken heeft gelaten, is terecht voorgedragen doch kan niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

    De omstandigheid dat het bestemmingsplan niet binnen de in artikel 33 van de WRO genoemde termijn is herzien kan geen rol spelen. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het een termijn van orde betreft. Van belang is slechts het bestemmingsplan zoals dat geldt.

    Het betoog dat het beperken van het gebruik van de recreatiewoning zich niet verdraagt met artikel 1 van het eerste protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en artikel 8 van het EVRM, heeft de Afdeling eerder in onder meer de uitspraak van 12 november 2003, in zaak no. <a target="_blank" href='http://rvs.projectcolor.nl/verdicts/verdict_details.asp?verdict_id=5415'>200301877/1</a> (Gst. 2004, 7207, 80) verworpen. Uit de overwegingen in die uitspraak, waarbij de Afdeling blijft en waaraan het betoog van appellante niet afdoet, vloeit voort dat dit betoog faalt.        

2.8.    Voorts faalt het betoog van appellante dat er geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan, aangezien er ter plaatse geen sprake is van een recreatiebedrijf en haar woning niet kan worden beschouwd als een recreatiewoning. Zoals het college in het besluit van 4 april 2003 terecht onder verwijzing naar het advies van de commissie voor bezwaarschriften heeft overwogen is uit de stukken in het dossier voldoende aannemelijk geworden dat de woning van appellante dient te worden beschouwd als een recreatiewoning en dat zij daarin haar hoofdverblijf heeft.

    Het betoog van appellante dat het bestemmingsplan oneigenlijke bepalingen bevat, omdat daarin is opgenomen dat alleen personen die hun vaste verblijfplaats elders hebben voor hun recreatie verblijf kunnen houden in recreatiewoonverblijven faalt eveneens. De op de betreffende gronden rustende bestemming "Verblijfsrecreatieterrein" brengt met zich dat regulering van het verblijf noodzakelijk is. Er is geen grond voor het oordeel dat sprake is van een oneigenlijk gebruik van deze bevoegdheid.

2.9.    Voorzover is gesteld dat het gebruik van de recreatiewoningen voor permanente bewoning dient te worden gelegaliseerd door toepassing van de zogenoemde toverformule, slaagt dit niet. De Afdeling overweegt daartoe dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit hetgeen appellante heeft aangevoerd niet blijkt dat de woning naar objectieve maatstaven niet meer zinvol overeenkomstig de geldende bestemming kan worden gebruikt.

2.10.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin    w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2005

17-444.