Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS3898

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-01-2005
Datum publicatie
26-01-2005
Zaaknummer
200402494/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 augustus 2003, kenmerk VI/Z11997/OdH/MdB, heeft verweerder zijn toestemming om, met gebruikmaking van de procedure als bedoeld in artikel 28 van de Verordening 259/93/EEG van 1 februari 1993, betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en vanuit de Europese Gemeenschap (hierna: de Verordening), verontreinigde grond uit Frankrijk in te voeren, ingetrokken. Voorts heeft verweerder aan appellante een last onder dwangsom opgelegd in verband met de overtreding van artikel 10.60, eerste lid, van de Wet milieubeheer in samenhang gelezen met artikel 26 van de Verordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2005/9 met annotatie van Van der Meijden
M en R 2005, 28K
Milieurecht Totaal 2005/3259

Uitspraak

200402494/1.

Datum uitspraak: 26 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Afvalstoffen Terminal B.V.", gevestigd te Moerwijk,

appellante,

en

de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 augustus 2003, kenmerk VI/Z11997/OdH/MdB, heeft verweerder zijn toestemming om, met gebruikmaking van de procedure als bedoeld in artikel 28 van de Verordening 259/93/EEG van 1 februari 1993, betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en vanuit de Europese Gemeenschap (hierna: de Verordening), verontreinigde grond uit Frankrijk in te voeren, ingetrokken. Voorts heeft verweerder aan appellante een last onder dwangsom opgelegd in verband met de overtreding van artikel 10.60, eerste lid, van de Wet milieubeheer in samenhang gelezen met artikel 26 van de Verordening.

Bij besluit van 11 februari 2004, kenmerk VI/BZ 4412, verzonden op 12 februari 2004, heeft verweerder het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en heeft hij het besluit van 27 augustus 2003 ingetrokken voorzover het de last onder dwangsom betreft met dien verstande dat een vervangende last onder dwangsom terzake van de overtreding van artikel 10.60, eerste lid, van de Wet milieubeheer in samenhang gelezen met artikel 26 van de Verordening is opgelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 23 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Bij brief van 12 augustus 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 december 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.A.G. Welschen, ing. B. Schijven, mr. O.W. de Hollander en ing. C. Huijbregts, ambtenaren van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn primaire besluit van 27 augustus 2003 gehandhaafd, waarbij hij zijn toestemming van 14 april 2003, kenmerk FR 63396, om met gebruikmaking van de procedure als bedoeld in artikel 28 van de Verordening verontreinigde grond zoals omschreven in het kennisgevingsformulier met kenmerk FR 63396 en in het bijbehorende analyserapport in te voeren uit Frankrijk ten behoeve van be- en verwerking in de thermische reinigingsinstallatie in de inrichting van appellante, heeft ingetrokken.

   Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat het monster dat door hem is genomen van de 60 ton (twee vrachten) verontreinigde grond die is ingevoerd op grond van de kennisgeving met kenmerk FR 63396, niet overeenkomt met het analyserapport dat bij deze kennisgeving is gevoegd. Hij heeft gesteld dat uit de analyseresultaten van de bemonsterde partij blijkt dat het percentage polycyclische aromatische koolwaterstoffen (hierna: PAK) afwijkt van de kennisgeving. Bovendien zijn volgens verweerder cyanides aangetroffen, terwijl in het bij de kennisgeving gevoegde analyserapport geen cyanides zijn vermeld. Daarnaast is het gehalte arseen dermate hoog dat appellante de betreffende vrachten niet had mogen accepteren, aldus verweerder.

   Nu de ingevoerde vrachten grond niet overeenkomen met de door appellante ten behoeve van de kennisgeving met kenmerk FR 63396 aangeleverde gegevens, is verweerder van mening dat appellante zich schuldig heeft gemaakt aan sluikhandel door het door een onjuiste voorstelling van zaken verkrijgen van toestemming. Verweerder heeft appellante dan ook opgedragen de (twee) in Nederland opgeslagen vrachten grond op rechtens toegestane wijze milieuhygiënisch verantwoord te verwijderen teneinde de overtreding van artikel 10.60, eerste lid, van de Wet milieubeheer - zijnde sluikhandel als bedoeld in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c - in samenhang gelezen met artikel 26, derde lid, van de Verordening te doen beëindigen. Indien de reeds ontvangen vrachten niet binnen 6 weken na het van kracht worden van het bestreden besluit op rechtens toegestane wijze milieuhygiënisch verantwoord zijn verwijderd, wordt blijkens het bestreden besluit een dwangsom verbeurd van € 10.000,00 per week met een maximum van € 100.000,00.

2.2.    Appellante is van mening dat de samenstelling van de grond die door verweerder is geanalyseerd niet representatief is. Zij vindt het niet meer dan logisch dat, indien slechts de grond afkomstig uit twee vrachtwagens (ongeveer 2% van de totale partij) wordt geanalyseerd, er verschillen optreden ten opzichte van het monster dat aan de kennisgeving ten grondslag heeft gelegen. Uit deze verschillen kan volgens appellante niet worden geconcludeerd dat het overgebrachte deel van de verontreinigde grond niet dezelfde fysische en chemische eigenschappen heeft als de grond die in Frankrijk ligt opgeslagen.

   Appellante kan zich voorts niet verenigen met de conclusie van verweerder dat zij een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven ter verkrijging van de toestemming om afvalstoffen over te brengen. Zij voert hiertoe aan dat, gezien de resultaten van de bodemonderzoeken, er voor haar geen reden was om de in Frankrijk opgeslagen partij grond te analyseren op cyanide. In het tussen haar en de kennisgever, het Franse nutsbedrijf EDF GDF Services Loire (hierna: EDF GDF), gesloten contract van 10 december 2002 is per ongeluk een passage opgenomen betreffende het reinigen van de grond van organische en cyanide verontreinigingen, aldus appellante. Zij wijst er verder op dat zij er geen belang bij heeft de aanwezigheid van cyanide in de grond te verzwijgen, nu zij een vergunning heeft voor het verwerken van cyanidehoudende grond en de aanwezigheid van cyanide derhalve geen belemmering vormt voor de voorgenomen verwerkingswijze. Wat betreft het arseengehalte merkt appellante op dat in voornoemd contract duidelijk is aangegeven dat het arseengehalte een directe toepassing niet mogelijk maakt en dat voorzien wordt dat het materiaal na reiniging eerst geïmmobiliseerd zal worden. De immobilisatie vindt, zoals gebruikelijk is, plaats bij derden, aldus appellante. Voorts blijkt uit haar acceptatieplan, zo stelt appellante, dat de betreffende partij op grond van het arseengehalte mag en kan worden geaccepteerd.

2.3.    Ingevolge artikel 10.60, eerste lid, van de Wet milieubeheer is het verboden handelingen te verrichten als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Verordening.

   Artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening bepaalt dat als sluikhandel wordt beschouwd elke overbrenging van afvalstoffen die geschiedt met een door vervalsing, een onjuiste voorstelling van zaken of fraude verkregen toestemming van de bevoegde autoriteiten.

   Ingevolge artikel 26, derde lid, van de Verordening – voorzover hier van belang - zorgt de bevoegde autoriteit van bestemming ervoor dat de betrokken afvalstoffen, indien de sluikhandel de verantwoordelijkheid is van de ontvanger, op een milieuhygiënisch verantwoorde wijze worden verwijderd door de ontvanger.

   Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Verordening – voorzover hier van belang - kan, met inachtneming van zijn verplichtingen uit hoofde van de toepasselijke artikelen 3, 6, 9, 15, 17, 20, 22, 23 en 24, de kennisgever gebruik maken van een procedure van algemene kennisgeving, wanneer voor verwijdering of nuttige toepassing bestemde afvalstoffen met dezelfde fysische en chemische eigenschappen periodiek via dezelfde route naar dezelfde ontvanger worden overgebracht.

   Ingevolge artikel 28, derde lid, van de Verordening – voorzover hier van belang - trekken de betrokken bevoegde autoriteiten hun toestemming voor deze procedure in via een officiële mededeling aan de kennisgever, indien de samenstelling van de afvalstoffen niet met de kennisgeving overeenkomt of de aan de overbrenging gestelde voorwaarden niet in acht worden genomen.

2.4.    Wat betreft de intrekking van de toestemming om de afvalstoffen zoals genoemd in het kennisgevingsformulier met kenmerk FR 63396 in te voeren, overweegt de Afdeling als volgt.

   Uit de stukken is gebleken dat de partij grond die in Nederland wordt ingevoerd, bestaat uit 3.000 ton verontreinigde grond afkomstig van een bodemsanering bij een vestiging van EDF GDF in St. Etienne. Voor de overbrenging van deze partij grond door middel van ongeveer 120 vrachtwagentransporten is door EDF GDF een kennisgeving gedaan op grond van artikel 28 van de Verordening. Omdat van deze procedure enkel gebruik kan worden gemaakt indien de afvalstoffen dezelfde fysische en chemische eigenschappen bezitten, heeft een monsternemer van appellante ten behoeve van de kennisgeving de grond conform de Nederlandse procedures bemonsterd en is de grond geanalyseerd op de te verwachten verontreinigende stoffen, aldus appellante. Deze analyse is blijkens de stukken de basis geweest van de kennisgeving.

   Verweerder heeft de twee ingevoerde vrachten grond bemonsterd conform de Nederlandse voornorm, de NVN 5860. Niet gebleken is dat deze wijze van bemonstering noch de daaruit voortvloeiende resultaten onjuist zijn. Uit de analyseresultaten van de door verweerder genomen monsters volgt dat zich cyanide in de grond bevindt, terwijl in de bij de kennisgeving gevoegde analyseresultaten geen cyanide is vermeld. Voorts blijkt uit de analyseresultaten van verweerder dat de percentages aan PAK en arseen afwijken van de percentages zoals deze zijn vermeld in de bij het kennisgevingsformulier gevoegde analyseresultaten.

   De Afdeling stelt vast dat een redelijke uitleg van de in de Verordening opgenomen procedure ten aanzien van het gebruik van een algemene kennisgeving met zich brengt dat iedere over te brengen vracht afvalstoffen overeen dient te komen met de (samenstelling van de) afvalstoffen zoals omschreven in het kennisgevingsformulier en in het daarbijbehorende analyserapport. Nu de ingevoerde door verweerder bemonsterde vrachten grond, in tegenstelling tot hetgeen in de kennisgeving met kenmerk FR 63396 is vermeld, cyanide bevat, heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling reeds hierom op goede gronden op het standpunt gesteld dat de samenstelling van de afvalstoffen niet overeenkomt met voornoemde kennisgeving en dat hij derhalve op grond van artikel 28, derde lid, van de Verordening tot intrekking van de verleende toestemming heeft kunnen overgaan. Dat appellante in haar inrichting wel cyanidehoudende grond mag verwerken, maakt het vorenstaande niet anders. In hetgeen appellante voor het overige op dit punt heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel.

2.5.    Ten aanzien van het betoog van appellante dat er geen overtreding van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening heeft plaatsgevonden, overweegt de Afdeling dat, zoals hierboven is vermeld, de samenstelling van de ingevoerde grond afwijkingen vertoont van de gegevens die bij de kennisgeving zijn overgelegd. Deze bij de kennisgeving gevoegde gegevens, waaronder de analyseresultaten, zijn blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting aangeleverd door appellante. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting is niet aannemelijk geworden dat appellante niet behoefde te verwachten dat geen cyanide in de grond aanwezig zou zijn. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat sprake is van sluikhandel in de zin van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, in samenhang gezien met artikel 26, derde lid, van de Verordening. In hetgeen appellante op dit punt heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel. Het vorenstaande brengt met zich dat verweerder er terecht van is uitgegaan dat sprake is van een overtreding van het in artikel 10.60, eerste lid, van de Wet milieubeheer opgenomen verbod om handelingen te verrichten als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Verordening.

2.6.    Het beroep is ongegrond.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Montagne

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2005

374.