Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS3892

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-01-2005
Datum publicatie
26-01-2005
Zaaknummer
200404711/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 oktober 2002 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister) vastgesteld dat [wederpartij] niet voldoet aan de eisen van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen en haar rijbewijs ongeldig verklaard voor alle categorieën.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 130
Wegenverkeerswet 1994 131
Reglement rijbewijzen
Reglement rijbewijzen 103
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2005/30
VR 2006, 29
Module Rijbewijzen 2014/516

Uitspraak

200404711/1.

Datum uitspraak: 26 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Algemeen Directeur van de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 19 mei 2004 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Enschede

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2002 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister) vastgesteld dat [wederpartij] niet voldoet aan de eisen van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen en haar rijbewijs ongeldig verklaard voor alle categorieën.

Bij besluit van 17 april 2003 heeft de Minister het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 mei 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 7 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op 8 juni 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 28 juni 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 25 augustus 2004 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 november 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door J.A. Stelt-Launspach en W. van Os, werkzaam bij de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, en [wederpartij] in persoon, bijgestaan door mr. P.M.H. Meiborg-Bartholomeus, advocaat te Almelo, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de Regeling) worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

   Paragraaf 8.8 van de bijlage behorende bij de Regeling, getiteld “Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)” luidt als volgt: Voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen is een specialistisch rapport vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport - geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.

2.2.    Appellant betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Minister niet tot de conclusie heeft kunnen komen dat er bij [wederpartij] sprake was van alcoholmisbruik.

   Ingevolge voornoemde paragraaf 8.8 van de bijlage, behorende bij de Regeling, is een specialistisch rapport vereist voor de beoordeling of sprake is van alcoholmisbruik. Uit dit op verzoek van de Minister opgestelde specialistisch rapport blijkt, dat psychiater D.G. Buiten concludeert dat [wederpartij] niet voldoet aan de DSM-IV criteria van alcoholafhankelijkheid of alcoholmisbruik. Ook de nadien op initiatief van [wederpartij] geraadpleegde psychiater J.R. Kramer komt in zijn rapport met betrekking tot de DSM-IV criteria van alcoholafhankelijkheid of alcoholmisbruik tot eenzelfde conclusie. Gelet op deze conclusie neergelegd in twee onderzoeksrapporten heeft de Minister zich niet zonder nader onderzoek op het standpunt kunnen stellen dat er bij [wederpartij] sprake is van alcoholmisbruik, en derhalve is de beslissing op bezwaar in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

   Anders dan appellant in hoger beroep betoogt, kan enkel op grond van de bij het eerste laboratoriumonderzoek bij [wederpartij] vastgestelde (lichte) verhoging van de Gamma GT-waarde, daargelaten dat dit slechts één van de aspecten is die de deskundigen hebben onderzocht, niet tot alcoholmisbruik worden geconcludeerd. Uit de overgelegde rapporten is immers af te leiden dat een lichte verhoging van de Gamma GT-waarde, zoals in casu aan de orde, niet zonder meer de conclusie rechtvaardigt dat sprake is van alcoholmisbruik, reeds omdat deze verhoging ook door andere klinisch relevante oorzaken of ziekten kan worden veroorzaakt. Daarbij komt dat de overige laboratoriumwaarden, waaronder de CDT-waarde, zich binnen de grenzen van de normaalwaarden bevonden.

   Voorzover appellant met de verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 26 maart 1999 in zaak no. H01.98.1285 (AB 1999, 240) en van 28 augustus 2002 in zaak no. 200200098/1 heeft betoogd dat op basis van een verhoging van de Gamma GT-waarde ook kan worden geconcludeerd tot alcoholmisbruik als op basis van de DSM-IV criteria alcoholmisbruik niet is vastgesteld, faalt dit betoog, nu voornoemde uitspraken niet een verhoging van de Gamma GT-waarde betroffen, maar een verhoogde CDT-waarde.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4.    Appellant dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt de Algemeen Directeur van de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen in de door [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen te worden betaald aan [wederpartij].

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Zwemstra

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2005

91-450.