Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS3891

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-01-2005
Datum publicatie
26-01-2005
Zaaknummer
200401725/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 februari 2002 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Noord van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) geweigerd appellant een vergunning te verlenen voor het innemen van een ligplaats met zijn [woonark] aan de [locatie], te Amsterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2005, 374

Uitspraak

200401725/1.

Datum uitspraak: 26 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 januari 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Noord.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 februari 2002 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Noord van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) geweigerd appellant een vergunning te verlenen voor het innemen van een ligplaats met zijn [woonark] aan de [locatie], te Amsterdam.

Bij besluit van 3 september 2002 heeft het dagelijks bestuur het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 januari 2004 heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 26 februari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 27 februari 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 16 april 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 26 juli 2004 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan het dagelijks bestuur toegezonden. De op 19 november 2004 ontvangen stukken zijn aan het dossier toegevoegd nadat het dagelijks bestuur ter zitting heeft verklaard daartegen geen bezwaar te hebben.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 november 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. J.C. Klompé, advocaat te Hilversum, en [omwonenden], en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. T.M. van Gorsel en F. Kuipers, beiden ambtenaar van het stadsdeel Amsterdam-Noord, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellant heeft betoogd dat de rechtbank zijn beroep niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft behandeld. Hij heeft in dat verband gesteld dat hij onvoldoende in de gelegenheid is geweest zijn bezwaren ter zitting toe te lichten en dat de twee door hem meegebrachte getuigen niet zijn gehoord. De getuige van het dagelijks bestuur, die in strijd met artikel 8:60, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet was aangekondigd, is daarentegen wel gehoord, aldus appellant.

2.1.1.    Op grond van de stukken, waaronder het proces-verbaal van de zitting, kan niet worden vastgesteld dat appellant onvoldoende gelegenheid heeft gehad zijn beroep toe te lichten. Verder waren van de getuigen, die appellant bij brief van 5 januari 2004 had aangekondigd, reeds schriftelijke verklaringen over de bewoning van de [woonark] overgelegd. De Afdeling ziet, gelet daarop, geen grond voor het oordeel dat de rechtbank zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het horen van deze getuigen redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Anders dan appellant betoogt, behoeft de beslissing om af te zien van het horen van getuigen niet in de uitspraak te worden vermeld. Ten slotte is degene die volgens appellant als getuige van het dagelijks bestuur is gehoord, blijkens de stukken niet als getuige gehoord, maar als gemachtigde van het dagelijks bestuur.

   Niet is aannemelijk gemaakt dat de rechtbank het beroep van appellant heeft behandeld in strijd met een beginsel van behoorlijke rechtspleging. Deze grond slaagt dan ook niet.

2.2.    Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat het [schip] in 1987 als woonschip op de huidige ligplaats lag en dus behoort tot het zogenoemde huidige bestand. Appellant heeft verklaringen overgelegd die bewoning van de [woonark] vanaf 1982 bevestigen, alsmede een kwitantie ten bewijze van een elektriciteitsaansluiting. Het dagelijks bestuur heeft volgens appellant geen deugdelijk tegenbewijs geleverd.  

2.2.1.    Ingevolge artikel 2.1, aanhef en onder a, van de Verordening op de haven en het binnenwater 1995 (hierna: de VHB), voor zover hier van belang, wordt onder woonboot verstaan: een vaartuig, daaronder begrepen een object te water dat hoofdzakelijk wordt gebruikt als of is bestemd tot woonverblijf.

   Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, van de VHB is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders met een woonboot een ligplaats in te nemen.

   Tot de inwerkingtreding van de VHB op 15 juli 1995 werd het begrip woonschip gedefinieerd door artikel 96 van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: de APV). Ingevolge het eerste lid, onder a, van dit artikel, zoals dit destijds luidde, wordt onder een woonschip verstaan een vaartuig, hoe ook genaamd en van welke aard ook, uitsluitend of hoofdzakelijk gebezigd als of bestemd tot woon- of nachtverblijf van een of meer personen.

   Ingevolge de Amsterdamse Verordening op de stadsdelen is de bevoegdheid van burgemeester en wethouders om te beslissen op een aanvraag om een ligplaatsvergunning overgedragen aan de dagelijkse besturen van de stadsdelen.

   Bij de uitoefening van bovengenoemde bevoegdheid hanteert het dagelijks bestuur het beleid zoals dat is vastgelegd in de Nota Woonschepenbeleid van stadsdeelraad Amsterdam-Noord van 12 december 1991 (hierna: de Nota Woonschepenbeleid). Volgens dit beleid worden alleen ligplaatsvergunningen verleend voor woonschepen die tot het zogeheten huidige bestand behoren. Tot dit bestand behoren onder andere woonschepen die in Noord zonder vergunning ligplaats innemen op een plaats die zij reeds innamen in 1987.

2.2.2.    Niet in geschil is dat de oude [woonark], die appellant, naar hij heeft gesteld, in 1997 heeft vervangen voor de huidige, grotere [woonark], in 1987 op dezelfde plaats aan de [locatie] lag.

2.2.3.    Ten behoeve van het woonschepenbeleid is begin jaren 90 een inventarisatie gemaakt van de in het stadsdeel gelegen woonschepen. Er is een lijst opgesteld waarop de schepen zijn vermeld, zoals deze door de betrokken ambtenaar zijn aangetroffen. Op die ongedateerde lijst is bij punt 1 vermeld “Dekschuit met daarachter een recreatievaartuig vermoedelijk niet bewoond, geen stroomaansluiting”. Niet in geschil is dat dit betrekking heeft op de oude [woonark]. Nadien heeft de betrokken ambtenaar, zo heeft hij ter zitting verklaard, het schip tot 1996 regelmatig gecontroleerd. Hij heeft daarbij eenmaal een tijdelijke bewoner aangetroffen. Bij alle andere bezoeken heeft hij geen bewoners aangetroffen en maakte het schip op hem een onbewoonde indruk. Hij heeft verder geconstateerd dat het schip vanaf 1993 is voorzien is van een elektriciteitsaansluiting. Van deze gewijzigde situatie heeft hij aantekening gemaakt op de inventarisatielijst.

   Het dagelijks bestuur heeft geconstateerd dat destijds niemand als bewoner van de [woonark] in het bevolkingsregister was ingeschreven. De toenmalige eigenaar had een woning elders in Amsterdam en stond op dat adres ingeschreven in het bevolkingsregister.

   Op grond van deze informatie is het dagelijks bestuur tot de conclusie gekomen dat de oude [woonark] geen woonschip was en dus niet behoorde tot het huidige bestand.

2.2.4.    Uit de APV, zoals deze destijds luidde, de VHB en de Nota Woonschepenbeleid volgt dat de oude [woonark] tot het bestand moet worden gerekend indien deze in 1987 en daarna hoofdzakelijk werd gebruikt als woonverblijf of, naar objectieve maatstaven bezien, bestemd was tot woonverblijf.

    Ten aanzien van de vraag of de oude [woonark] bestemd was tot woonverblijf, overweegt de Afdeling het volgende. Door de oude [woonark] in 1997 te vervangen, heeft appellant het dagelijks bestuur de mogelijkheid ontnomen dit schip, naar aanleiding van de vergunningaanvraag van 9 februari 2001, opnieuw te inspecteren om vast te stellen of de eerdere conclusie dat het een recreatievaartuig betrof, juist was. Nu het schip door toedoen van appellant niet meer beschikbaar is voor onderzoek, is het aan hem om aan te tonen dat het standpunt van het dagelijks bestuur onjuist is en het schip wat de bouw, de inrichting of de uiterlijke kenmerken betreft herkenbaar was als woonschip. Daarin is appellant niet geslaagd. Hij heeft weliswaar foto's overgelegd van het interieur van, naar hij heeft gesteld, de oude [woonark], doch deze foto's, daargelaten dat zij eerst in hoger beroep naar voren zijn gebracht, kunnen ook het interieur van een recreatievaartuig betreffen.

   Ten aanzien van de vraag of de oude [woonark] werd bewoond, overweegt de Afdeling dat hetgeen het dagelijks bestuur ter zake heeft gesteld, in beginsel de conclusie rechtvaardigt dat de oude [woonark] niet werd bewoond, althans niet vanaf 1990. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het schip hoofdzakelijk werd gebruikt als woonverblijf. De toelichting die twee omwonenden op verzoek van appellant ter zitting hebben gegeven op hun eerdere schriftelijke verklaringen, duidt niet onmiskenbaar op een gebruik van het schip als woonschip. Zij hebben waargenomen dat de toenmalige eigenaar, dan wel zijn dochter en later de huurder van het schip voornamelijk in de zomer op het schip verbleven. Waar zij de rest van het jaar verbleven, is bij deze omwonenden niet bekend. Ook de schriftelijke verklaring van een voormalige medewerker van Waterboot Amsterdam B.V. dat hij het schip van 1986 tot en met 1989 diverse malen van drinkwater heeft voorzien, wijst niet zonder meer op gebruik als woonverblijf. De door appellant overgelegde stukken van de Provincie Noord-Holland, waarin de [woonark] is vermeld als woonschip, dateren of van ver vóór 1987 of van ver daarna, zodat deze reeds daarom niet kunnen dienen als bewijs dat het schip vanaf 1987 werd bewoond. Bovendien blijkt uit die stukken dat bij de Provincie geen bewoners van het schip bekend waren. De door appellant overgelegde kwitantie van 22 mei 1990 wijst ten slotte evenmin op bewoning van de oude [woonark]. Ook al zou deze kwitantie betrekking hebben op een stroomaansluiting ten behoeve van de [woonark], hetgeen niet vaststaat, dan nog is daarmee niet aangetoond dat dit schip hoofdzakelijk werd gebruikt als woonverblijf.

   De rechtbank is op goede gronden tot het oordeel gekomen dat de  [woonark] niet behoefde te worden gerekend tot het huidige bestand, bedoeld in de Nota Woonschepenbeleid. Het hoger beroep slaagt daarom in zoverre niet.

2.3.    Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn betoog dat een deugdelijke belangenafweging ontbreekt. Naar zijn mening had het dagelijks bestuur moeten afwijken van zijn woonschepenbeleid.

2.3.1.    Onder verwijzing naar de uitspraak van 25 februari 2000, in zaak no. 199901690/1 (aangehecht), overweegt de Afdeling dat er geen grond is voor het oordeel dat het dagelijks bestuur in redelijkheid niet tot dit beleid heeft kunnen komen. Toepassing van het beleid leidt in dit geval tot afwijzing van de aanvraag om een ligplaatsvergunning. De financiële situatie van appellant, de woningnood en de grootte van het gezin van appellant zijn geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het dagelijks bestuur gehouden was van het beleid af te wijken. Dit betoog slaagt daarom evenmin.  

2.4.    Appellant heeft ten slotte aangevoerd dat de rechtbank zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel ten onrechte heeft verworpen. Volgens appellant is een aantal schepen na de peildatum aan het bestand toegevoegd. Ten behoeve van deze schepen zijn ligplaatsvergunningen verleend.

2.4.1.    Ten aanzien van de verlening van een ligplaatsvergunning voor het schip "Loth Loriën" heeft het dagelijks bestuur ter zitting verklaard dat dit schip een ander woonschip, dat in 1987 aan de [locatie] lag, heeft vervangen, zodat geen sprake is van een uitbreiding van het bestand. Dit blijkt evenwel niet zonder meer uit de stukken. Echter, aangenomen dat voor de "Loth Lorën" gelet op het beleid ten onrechte een ligplaatsvergunning is verleend, dan kan appellant aan deze enkele fout geen recht op een ligplaatsvergunning ontlenen. De overige schepen die appellant in dit verband heeft genoemd en die, naar niet wordt weersproken, aan het bestand zijn toegevoegd, moesten volgens het dagelijks bestuur weg uit stadsdeel Zeeburg in verband met de uitbreiding van de Oranjesluis. De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat dit geen gelijke gevallen zijn.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.R. Winter, Voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, ambtenaar van Staat.

w.g. Winter    w.g. Visser

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2005

148.