Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS3881

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-01-2005
Datum publicatie
26-01-2005
Zaaknummer
200403474/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juni 2002 heeft appellant sub 1 (hierna: de raad) het verzoek om planschadevergoeding, dat door [verzoeker] is ingediend namens appellante sub 2 , [wederpartij] en [partij B], afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Grondzaken 2005/132

Uitspraak

200403474/1.

Datum uitspraak: 26 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1.    de raad van de gemeente Vlagtwedde

2.    [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 17 maart 2004 in het geding tussen:

appellante sub 2 en [wederpartij], beide gevestigd te [plaats]

en

appellant sub 1.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2002 heeft appellant sub 1 (hierna: de raad) het verzoek om planschadevergoeding, dat door [verzoeker] is ingediend namens appellante sub 2 , [wederpartij] en [partij B], afgewezen.

Bij besluit van 8 juli 2003 heeft de raad het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 maart 2004, verzonden op 18 maart 2004, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellante sub 2] en [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de raad met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar dient te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de raad bij brief van 20 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 22 april 2004, en [appellante sub 2] bij brief van 22 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 28 april 2004, hoger beroep ingesteld. [appellante sub 2] heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 23 mei 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 23 mei 2004 heeft [appellante sub 2] een memorie ingediend.

Bij brief van 29 juni 2004 heeft de raad van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 november 2004, waar de raad, vertegenwoordigd door K. Gringhuis, ambtenaar bij de gemeente, en [appellante sub 2], vertegenwoordigd door G.G. Prinsen, gemachtigde, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de Wro), voorzover hier van belang, kent de gemeenteraad, voorzover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een besluit omtrent vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wro schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2.    [appellante sub 2], die aan de [locatie] te [plaats] een bezineverkooppunt exploiteert, heeft om vergoeding van schade verzocht vanwege een daling van de omzet sinds de ingebruikname van de provinciale weg tussen Emmen en Ter Apel, de N391, op 1 juli 2000. Vast staat dat de door Munnekemoer gestelde schade valt terug te voeren op het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Vlagtwedde van 21 juli 1998, waarbij met toepassing van artikel 19 van de Wro ten behoeve van de aanleg van de N391 binnen de gemeente Vlagtwedde vrijstelling is verleend van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Weg Veendam-Ter Apel".

2.3.    [appellante sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat deze planologische maatregel voor haar voorzienbaar is geweest, zodat de door haar beweerdelijk geleden schade in beginsel voor haar rekening en risico komt.

2.4.    De raad betoogt dat de rechtbank ten onrechte de bestreden beslissing op bezwaar heeft vernietigd om reden dat de aanleg van de N391 slechts gedeeltelijk voorzienbaar was.

2.5.    Partijen verschillen erover van mening of, gelet op de inhoud van het Streekplan Oost- en Zuidoost-Drenthe (hierna: het streekplan), zoals dat op 3 oktober 1979 is vastgesteld, al vóór het aangaan van de erfpachtovereenkomst door [appellante sub 2] op 3 september 1982 voor haar (gedeeltelijk) voorzienbaar was dat de aan de orde zijnde weg planologisch mogelijk zou worden gemaakt met als gevolg een vermindering van de verkeersintensiteit op de route waaraan haar tankstation is gelegen. [appellante sub 2] heeft tevens aangevoerd dat de raad zich voor de voorzienbaarheid niet kan beroepen op het streekplan van een andere provincie dan die waarin de gemeente Vlagtwedde is gelegen.

2.6.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 19 februari 2003 in zaak no. 200202248/1, is de schade voorzienbaar – zodat deze geacht moet worden te zijn aanvaard en verdisconteerd in de koopprijs – indien ten tijde van de koop voor een redelijk denkende en handelende koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie in ongunstige zin zou veranderen.

2.7.    Vastgesteld moet worden dat het streekplan over de gewenstheid van de aanleg van een vervangende weg rijksweg 34–Ter Apel nadere studies in het vooruitzicht stelt en dat is vermeld dat de aanleg van de weg binnen de streekplanperiode vanwege de te verwachten verkeersintensiteit niet gerechtvaardigd lijkt. Het bevat echter ook argumenten die pleiten voor de aanleg van de weg, waaronder het weren van doorgaand (zwaar) verkeer  uit de lintbebouwing en de verbetering van het woonklimaat en de verkeersveiligheid. Voorts wordt vermeld dat het ringwegstelsel van Emmen door een aansluiting op deze weg zou kunnen worden voltooid. Nu voorts uitdrukkelijk is vermeld dat het gewenst is dat de mogelijkheid voor aanleg van deze weg wordt opengehouden en op de plankaart een tracé voor de weg is aangegeven, kan niet worden staande gehouden dat uit het streekplan niet voldoende concreet naar voren komt dat een verbindingsweg, zoals de N391, tussen Emmen en Ter Apel in de toekomst tot de mogelijkheden behoort. Voor [appellante sub 2] was, mede gezien haar hoedanigheid van exploitant van een benzinestation, derhalve ten tijde van het aangaan van de erfpachtovereenkomst voldoende concreet en daarom voorzienbaar dat een weg als de onderhavige in de toekomst zou worden aangelegd. Het betoog van [appellante sub 2] dat de weg langs een voor haar nadeliger tracé is aangelegd doordat het verkeer nu ten zuiden in plaats van ten noorden van Emmen via Klijndijk naar de N34 wordt geleid, kan niet worden gevolgd. Afgezien van de vraag of hieruit daadwerkelijk schade voortvloeit, is deze verkeersstroom het gevolg van de aansluiting op de ringweg Emmen, zoals die ook in het streekplan al was beschreven. De rechtbank is dan ook ten onrechte tot de slotsom gekomen dat sprake is van gedeeltelijke voorzienbaarheid en heeft ten onrechte om die reden de beslissing op bezwaar van 24 april 2003 vernietigd.

   De Afdeling deelt wel de opvatting van de rechtbank dat, nu in het streekplan steeds wordt gesproken over de aanleg van de weg Emmen–Ter Apel en het mogelijke tracé op de plankaart is ingetekend tot over de provinciegrens, dit plan in dit geval ook voor de voorzienbaarheid van de planologische ontwikkeling binnen de gemeente Vlagtwedde van betekenis is. Niet kan dan ook worden staande gehouden dat [appellante sub 2], omdat het ter plaatse geldende bestemmingsplan de aanleg van de weg niet mogelijk maakte, er geen rekening mee hoefde te houden dat het college van burgemeester en wethouders van Vlagtwedde toepassing zouden geven aan artikel 19 van de Wro.

2.8.    Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van [appellante sub 2] ongegrond en dat van de raad gegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellante sub 2] ongegrond verklaren.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep van [appellante sub 2] ongegrond;

II.    verklaart het hoger beroep van de raad van de gemeente Vlagtwedde gegrond;

III.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Groningen van 17 maart 2004, WAB 03/863 BELEI V05;

IV.    verklaart het door [appellante sub 2] en [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. F.P. Zwart, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Van Meurs-Heuvel

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2005

47-477.