Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS3880

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-01-2005
Datum publicatie
26-01-2005
Zaaknummer
200401440/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 oktober 1999 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden (hierna: het college) aan [vergunninghouder] te [plaats] een bouwvergunning verleend voor het oprichten van twee gebouwen met daarin elk 13 appartementen op het perceel Wissesdwinger/Groeneweg te Leeuwarden, kadastraal bekend gemeente Leeuwarden, sectie […], nos. […] (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Algemene wet bestuursrecht 8:73
Woningwet
Woningwet 51
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2005/81 met annotatie van R.J.N. S
O&A 2005, 24

Uitspraak

200401440/1.

Datum uitspraak: 26 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap “Prinsentuin Horeca Projecten B.V.”, gevestigd te Leeuwarden,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 9 januari 2004 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 1999 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden (hierna: het college) aan [vergunninghouder] te [plaats] een bouwvergunning verleend voor het oprichten van twee gebouwen met daarin elk 13 appartementen op het perceel Wissesdwinger/Groeneweg te Leeuwarden, kadastraal bekend gemeente Leeuwarden, sectie […], nos. […] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 7 maart 2000 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 30 augustus 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 augustus 2002, no. 200104940/1, heeft de Afdeling het daartegen door appellante ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van het college van 7 maart 2000 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak. De uitspraak van de Afdeling is aangehecht.

Bij besluit van 25 maart 2003 heeft het college het door appellante gemaakte bezwaar alsnog gegrond verklaard en het besluit van 7 oktober 1999 onder wijziging van de gronden tot vergunningverlening gehandhaafd.

Bij uitspraak van 9 januari 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, voorzover gericht tegen het met het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaarschrift van appellante van 18 oktober 1999, de bestreden beslissing op bezwaar in zoverre vernietigd en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 februari 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 16 maart 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 11 juni 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 september 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. A.H. van der Wal, advocaat te Leeuwarden, en het college, vertegenwoordigd door H. Helbig, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen    

2.1.    Ingevolge artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan de rechtbank indien zij het beroep gegrond verklaart en indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij de door haar aangewezen rechtspersoon veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt.

2.2.    Het hoger beroep heeft uitsluitend betrekking op de afwijzing door de rechtbank van het door appellante op de voet van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht gedane verzoek om schadevergoeding.

2.3.    De rechtbank heeft het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 25 maart 2003 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat met de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2002 is komen vast te staan dat het besluit van het college van 7 oktober 1999 onrechtmatig is, omdat het college een bouwvergunning heeft verleend ondanks de aanhoudingsverplichting als bedoeld in artikel 51, eerste lid van de Woningwet. De rechtbank heeft voorts overwogen dat het verzoek van appellante om schadevergoeding niet kan worden toegewezen omdat deze door het college geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen schade die appellante stelt te hebben geleden. Hetgeen de rechtbank over appellantes verzoek om schadevergoeding heeft overwogen, heeft geen betrekking op een door haar gegrond verklaard beroep, zodat zij niet kon toekomen aan een beoordeling van de gronden waarop het verzoek om vergoeding van schade als bedoeld in artikel 8:73, eerste lid, van de Awb is gebaseerd. De gronden van de uitspraak komen in zoverre voor verbetering in aanmerking. Uit het voorgaande volgt dat de Afdeling niet toekomt aan de beoordeling van de gronden in het hoger beroep die zich richten tegen de overweging in de aangevallen uitspraak, dat de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de gestelde schade.

2.4.    De rechtbank heeft voorts het bezwaar van appellante tegen het niet tijdig beslissen gegrond verklaard. Zij heeft met betrekking tot het verzoek van appellante om vergoeding van schade ingevolge artikel 8:73, eerste lid, van de Awb wegens het niet tijdig beslissen overwogen dat geen sprake is van een causaal verband tussen de schade die appellante stelt te hebben geleden en het niet tijdig beslissen door het college naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2002, omdat ook in geval tijdig zou zijn beslist, appellante de gestelde schade, te weten omzetverlies van haar bedrijf en waardevermindering van haar pand ten gevolge van verlies van parkeerruimte die het gevolg is van de bouw van de appartementencomplexen op het perceel Wissesdwinger/Groeneweg, zou hebben geleden nu deze complexen reeds waren gerealiseerd.

2.4.1.    Het betoog van appellante dat de rechtbank door aldus te overwegen buiten de grenzen van het geschil is getreden, omdat het college op dit punt geen verweer heeft gevoerd, faalt. Het is aan de rechtbank om op het verzoek van appellante om schadevergoeding op grond van artikel 8:73, eerste lid, van de Awb te onderzoeken of daarvoor gronden zijn. Dat het college zich niet heeft uitgelaten over het causaal verband tussen het niet tijdig beslissen en de beweerdelijk geleden schade, maakt – anders dan appellante kennelijk meent – niet dat de rechtbank het ervoor moest houden dat het college aansprakelijkheid voor schade voortvloeiende uit het niet tijdig beslissen had aanvaard.

2.4.2.    Appellante heeft verder betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat, indien het college wel tijdig zou hebben beslist, de aanhoudingsplicht als bedoeld in artikel 51, eerste lid, van de Woningwet nog had gegolden, hetgeen, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2002, zou hebben moeten leiden tot een gegrondverklaring van haar bezwaar, en de herroeping van de bij het besluit van 7 oktober 1999 verleende bouwvergunningen, zodat de appartementen zonder vergunning en daarmee onrechtmatig zouden zijn gebouwd en appellante de gemeente Leeuwarden en [vergunninghouder] aansprakelijk zou kunnen stellen voor onrechtmatig handelen jegens haar.

2.4.3.    De schade die appellante stelt te hebben geleden vanwege het niet tijdig beslissen is, zo is ter zitting nader toegelicht, doorlopende schade, veroorzaakt door de bouw van de appartementen op grond van de bij besluit van 7 oktober 1999 verleende bouwvergunning. Waar (nog) niet vaststaat of ter zake van het besluit van 7 oktober 1999 aanspraak bestaat op vergoeding van schade, kan aanspraak op schade in het kader van het niet tijdig beslissen (nog) niet worden vastgesteld. Honorering van appellantes verzoek om toepassing van artikel 8:73 van de Awb was reeds om die reden niet aan de orde. Aan een inhoudelijke bespreking van hetgeen appellante in dit verband over de overwegingen van de rechtbank naar voren heeft gebracht, komt de Afdeling niet toe.

2.4.4.    De Afdeling stelt vast dat in het dictum van de aangevallen uitspraak is nagelaten te beslissen op het verzoek van appellante om schadevergoeding op de voet van artikel 8:73 van de Awb. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voorzover de rechtbank heeft nagelaten te beslissen op het verzoek van appellante om schadevergoeding. De aangevallen uitspraak dient voor het overige, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen wijst de Afdeling, gelet op het vorenoverwogene, het verzoek om schadevergoeding alsnog af.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 9 januari 2004, 03/143 WRO, voorzover de rechtbank heeft nagelaten te beslissen op het verzoek om schadevergoeding;

III.    wijst het verzoek om schadevergoeding af;

IV.    bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevallen, voor het overige;

V.    gelast dat De gemeente Leeuwarden aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 136,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.R. Winter, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Winter    w.g. Van Meurs-Heuvel

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2005

47-362.