Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS3878

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-01-2005
Datum publicatie
26-01-2005
Zaaknummer
200407191/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 oktober 2003 heeft verweerder een melding, als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer, van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [vergunninghoudster] geaccepteerd inzake de uitbreiding van haar inrichting op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200407191/1.

Datum uitspraak: 26 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Aalburg,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2003 heeft verweerder een melding, als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer, van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [vergunninghoudster] geaccepteerd inzake de uitbreiding van haar inrichting op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 27 juli 2004, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 26 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op 27 augustus 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 14 oktober 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 januari 2005, waar [een der appellanten], in persoon, bijgestaan door mr. H.P.J.G. Berkers, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. G. Verweij en ing. J.F.H.A. Smulders, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigde], daar als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    De verandering van de inrichting die [vergunninghoudster] op 8 maart 2001 heeft gemeld heeft betrekking op de uitbreiding van de inrichting met een airco-installatie ten behoeve van het kantoorgedeelte.

2.2.    Ingevolge artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer geldt een voor een inrichting verleende vergunning tevens voor veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken, onder de voorwaarde dat:

   a. deze veranderingen niet leiden tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend;

   b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de vergunninghouder schriftelijk overeenkomstig de krachtens het zevende lid, onder a, gestelde regels aan het bevoegd gezag is gemeld, en

   c. het bevoegd gezag aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan de aanhef en onderdeel a en de verandering naar zijn oordeel geen aanleiding geeft tot toepassing van de artikelen 8.22, 8.23 of 8.25.

2.3.    Appellanten voeren aan dat de melding ten onrechte is geaccepteerd. Zij betogen in dat kader dat thans niet door vergunninghoudster wordt voldaan aan de geluidvoorschriften zoals verbonden aan de vergunning van 14 maart 2000, waarvoor tevens op dit moment een handhavingsprocedure is gestart. Voorts voeren zij aan dat blijkens de geluidrapportage van 21 februari 2001 de gemelde verandering van de inrichting tot een toename van het equivalente geluidniveau leidt en daarmee tot grotere nadelige gevolgen voor het milieu. Bovendien is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid, nu het een gedateerde melding betreft die niet is onderbouwd met een recent akoestisch onderzoek. Dit geldt te meer nu de airco-installatie als geluidbron in het akoestisch onderzoek dat is verricht door AV consulting B.V. van 1 juli 2002, kenmerk IL.02.8203B, ontbreekt, aldus appellanten.

2.3.1.    Verweerder is van mening dat blijkens het bij de melding gevoegde akoestisch onderzoek, de gemelde verandering nauwelijks extra geluid oplevert. De verandering blijft binnen de aan de milieuvergunning verbonden geluidvoorschriften, aldus verweerder.

2.3.2.    De Afdeling stelt voorop dat voor de omvang van het equivalente geluidniveau, dat de inrichting ter plaatse van de immissiepunten op grond van de onderliggende vergunning mag veroorzaken, de vergunde situatie bepalend is. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de aan de vergunning verbonden geluidvoorschriften.

   Ten behoeve van de melding is door verweerder aan vergunninghoudster verzocht aanvullend akoestisch onderzoek te verrichten. Blijkens het naar aanleiding daarvan opgestelde rapport van 15 augustus 2001, kenmerk IL.A1.6067I, zal het equivalente geluidniveau ter plaatse van de immissiepunten 1 tot en met 24 slechts op zodanige wijze toenemen dat de ter plaatse van deze immissiepunten gestelde grenswaarden, niet zullen worden overschreden. Niet is gebleken dat het akoestisch onderzoek op verkeerde uitgangspunten is gebaseerd dan wel anderszins gebreken vertoont. Gelet hierop leidt de verandering van de werking van de inrichting daarmee niet tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken. De Afdeling ziet in hetgeen appellanten ten aanzien van geluidhinder voor het overige hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de melding ten onrechte is geaccepteerd.

2.4.    Het beroep is ongegrond.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd    w.g. Van Hardeveld

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2005

312-460.