Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS3873

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-01-2005
Datum publicatie
26-01-2005
Zaaknummer
200403700/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 december 1998 heeft appellant sub 1 (hierna: het college) geweigerd vrijstelling te verlenen aan Aldi Vastgoed B.V. (hierna: Aldi Vastgoed) ten behoeve van de vestiging van een gecombineerde Aldi-supermarkt/Boerenbondwinkel op het perceel Sportlaan 12 te Sint-Maartensdijk (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2005, 187

Uitspraak

200403700/1.

Datum uitspraak: 26 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1.    het college van burgemeester en wethouders van Tholen,

2.    de besloten vennootschap Aldi Vastgoed B.V. en de besloten vennootschap Aldi Roosendaal B.V., gevestigd te Culemborg,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 5 april 2004 in het geding tussen:

1.    [wederpartij sub 1], gevestigd te [plaats],

2.    Middenstandsvereniging Smalstad, [wederpartij sub 2A], [wederpartij sub 2B], Lidl Nederland GmbH, de besloten vennootschap Spar Holding B.V., [wederpartij sub 2C] en de Thoolse Ondernemers(verenigingen) Federatie

en

appellant sub 1.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 december 1998 heeft appellant sub 1 (hierna: het college) geweigerd vrijstelling te verlenen aan Aldi Vastgoed B.V. (hierna: Aldi Vastgoed) ten behoeve van de vestiging van een gecombineerde Aldi-supermarkt/Boerenbondwinkel op het perceel Sportlaan 12 te Sint-Maartensdijk (hierna: het perceel).

Bij besluit van 2 november 1999 heeft het college het daartegen door Aldi Vastgoed gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 september 2000 heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen door Aldi Vastgoed ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit neemt, met inachtneming van het in deze uitspraak gestelde.

Bij besluit van 11 juli 2001 heeft het college het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij besluit van 16 september 2003 heeft het college met toepassing van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht aan Aldi Vastgoed alsnog vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) verleend voor de vestiging van een discountsupermarkt met een bruto vloeroppervlak van 1.050 m2 in het bedrijfspand op het perceel, een en ander overeenkomstig de bij dit besluit behorende tekeningen 1 en 2.

Bij uitspraak van 5 april 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank, voorzover hier van belang, de daartegen door [wederpartij sub 1] en Middenstandsvereniging Smalstad, Lidl Nederland GmbH, de besloten vennootschap Spar Holding B.V. en de Thoolse Ondernemers(verenigingen) Federatie (hierna: Smalstad) ingestelde beroepen gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit neemt met inachtneming van het in deze uitspraak gestelde. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief van 11 mei 2004, bij de Raad van State ingekomen op 14 mei 2004, en Aldi Vastgoed en de besloten vennootschap Aldi Roosendaal B.V. (hierna: Aldi Roosendaal) bij brief van 3 mei 2004, bij de Raad van State ingekomen op 4 mei 2004, hoger beroep ingesteld. Aldi Vastgoed en Aldi Roosendaal hebben hun hoger beroep aangevuld bij brieven van 7 juli 2004 en 6 augustus 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 15 juli 2004 heeft [wederpartij sub 1] een memorie ingediend. Bij brief van 10 augustus 2004, aangevuld bij brief van 22 september 2004, heeft Smalstad een memorie ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [wederpartij sub 1]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 november 2004, waar het college, vertegenwoordigd door J.A.K. Niemantsverdriet, gemachtigde en drs. ing. G.H. Kooiker, ambtenaar van de gemeente en Aldi Vastgoed en Aldi Roosendaal, vertegenwoordigd door mr. P.H. Revermann, gemachtigde, zijn verschenen. Daar zijn ook gehoord [wederpartij sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis, en Smalstad, vertegenwoordigd door mr. D.H. Nas, advocaat te Nijmegen.

2.    Overwegingen

2.1.    Aldi Vastgoed is eigenaar van het bedrijfspand waarin de vestiging van de discountsupermarkt is beoogd. De verlening van vrijstelling voor het gebruik van het pand kan voor Aldi Roosendaal, als beoogde exploitant van deze supermarkt, slechts gevolgen met zich brengen via de rechtsverhouding tussen haar en Aldi Vastgoed. Het belang van Aldi Roosendaal betreft gelet daarop een van laatstgenoemde afgeleid belang, zodat Aldi Roosendaal geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het hoger beroep van Aldi Roosendaal is derhalve niet-ontvankelijk.

2.2.     Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 29 januari 1996, met no. H01.95.0101, Gst 1996, 7040, 5, heeft overwogen is een voornemen zonder begin van uitvoering onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een voldoende concreet belang dat rechtstreeks bij het besluit is betrokken. Lidl Nederland GmbH (hierna: Lidl) heeft eerst op 29 januari 2004, derhalve na de gewijzigde beslissing op bezwaar van 16 september 2003, een aanvraag om vrijstelling ingediend ten behoeve van de vestiging van een supermarkt in Sint-Maartensdijk. Gelet daarop kan Lidl niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb bij het besluit van 16 september 2003 worden aangemerkt en had haar beroep derhalve niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.3.    Ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

   Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening 1985 (hierna: Bro) komt voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de wet in aanmerking een wijziging in het gebruik van opstallen in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft en het gebruik niet meer omvat dan een bruto-vloeroppervlak van 1500 m2.

2.4.    Niet in geschil is dat het beoogde gebruik van het bedrijfspand op het perceel in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Bedrijfsterrein Sint-Maartensdijk”. Het college heeft vrijstelling verleend van het bestemmingsplan.

2.5.    Appellanten betogen dat de vrijstelling kon worden gebaseerd op artikel 19, derde lid, van de WRO in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e, van het Bro. In het bijzonder voeren zij aan dat het perceel binnen de bebouwde kom is gelegen en dat de rechtbank op dit punt ten onrechte tot een ander oordeel is gekomen.

   Dit betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 31 juli 2002 in zaak no. 200103657/1 (AB 2003, 415) is de vraag of een perceel al dan niet in het buitengebied ligt van feitelijke aard en is niet de plaats van het verkeersbord dat de bebouwde kom aangeeft bepalend, doch de aard van de omgeving. Gelet op de stukken en de ter zitting getoonde foto's en kaarten wordt geoordeeld dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat, gezien de aard van de omgeving, het perceel niet in de bebouwde kom van Sint-Maartensdijk ligt. Dat, zoals Aldi Vastgoed heeft betoogd, de Sportlaan gedeeltelijk is aangeduid als 30-km zone doet daaraan niet af, te minder nu ter zitting is gebleken dat het daarbij niet gaat om het gedeelte van de Sportlaan waaraan het perceel is gelegen. Het college was derhalve niet bevoegd de gevraagde vrijstelling te verlenen.

2.6.    Hetgeen het college en Aldi Vastgoed voor het overige hebben aangevoerd behoeft gelet op het vorenstaande geen bespreking.

2.7.    De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voorzover daarbij het beroep van Lidl ontvankelijk en gegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep van Lidl alsnog niet-ontvankelijk verklaren. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

2.8.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep van de besloten vennootschap Aldi Roosendaal B.V. niet-ontvankelijk;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 5 april 2004, Awb 03/655 en 03/656, voorzover daarbij het beroep van Lidl Nederland GmbH ontvankelijk en gegrond is verklaard;

III.    verklaart het beroep van Lidl Nederland GmbH van 27 oktober 2003 niet-ontvankelijk;

IV.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Tholen in de door [wederpartij sub 1] in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00 en in de door de Middenstandsvereniging Smalstad, Lidl Nederland GmbH, de besloten vennootschap Spar Holding B.V. en de Thoolse Ondernemings(verenigingen) Federatie in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welke bedragen geheel zijn toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; de bedragen dienen door de gemeente Tholen te worden betaald aan respectievelijk [wederpartij sub 1] en de Middenstandsvereniging Smalstad, Lidl Nederland GmbH, de besloten vennootschap Spar Holding B.V. en de Thoolse Ondernemers(verenigingen) Federatie.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.M. van Angeren, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.W.C.M. van Emmerik, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Angeren    w.g. Van Emmerik

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2005

398.