Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS3870

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-01-2005
Datum publicatie
26-01-2005
Zaaknummer
200403339/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 maart 2004, kenmerk V-03/021, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een oprichtingsvergunning verleend voor een melkrundveehouderij, gelegen aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Bergen, sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 11 maart 2004 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2005/4561

Uitspraak

200403339/1.

Datum uitspraak: 26 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    [appellanten sub 3], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 maart 2004, kenmerk V-03/021, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een oprichtingsvergunning verleend voor een melkrundveehouderij, gelegen aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Bergen, sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 11 maart 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 19 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 21 april 2004, appellant sub 2 bij brief van 19 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 21 april 2004, en appellanten sub 3 bij brief van 22 april 2004, bij de Raad van State per fax ingekomen op diezelfde dag, beroep ingesteld. Appellanten sub 3 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 24 mei 2004.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 november 2004, waar appellanten sub 1 en sub 2 in persoon, appellanten sub 3 in persoon en bijgestaan door mr. C.W.M. van Alphen, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. G.J.M. Geveling en A.F. Duffhues, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [maten], als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

   Appellant sub 2 heeft de grond inzake het laden en lossen van vee niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellant sub 2 redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellant sub 2 in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.2.    Alle appellanten hebben gesteld dat de bij het bestreden besluit verleende vergunning zich niet verdraagt met de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (Pb L 103; hierna: Vogelrichtlijn). Zij hebben betoogd dat op basis van verweerders beoordeling van de aanvraag niet kan worden uitgesloten dat de ammoniakemissie en –depositie van de inrichting leidt tot een verslechtering van de kwaliteit van het in de nabijheid van de inrichting gelegen en als speciale beschermingszone aangewezen natuurgebied. Door hen is in dit kader aangevoerd dat weliswaar reeds eerder een vergunning is verleend voor een veehouderij op de betreffende locatie, maar dat deze nooit is opgericht en dat derhalve sprake is van een grotere toename van de ammoniakemissie en –depositie dan waar verweerder bij de beoordeling van de aanvraag in dit kader van is uitgegaan.

2.2.1.    Verweerder heeft overwogen dat de vergunde ammoniakemissie en –depositie, gezien de afstand tussen de inrichting en de speciale beschermingszone “Maasduinen”, niet zal leiden tot duidelijke nadelige gevolgen voor de kwaliteit van de speciale beschermingszone en dat er derhalve geen aanleiding is om de vergunning te weigeren.

2.2.2.    Bij besluit van 24 maart 2000, kenmerk N/2000/341, is het natuurgebied “Maasduinen” aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Vogelrichtlijn.

   Ingevolge artikel 7 van de richtlijn 92/43/ EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Pb L 206; hierna: de Habitatrichtlijn) geldt voor deze speciale beschermingszone het beschermingsregime van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn.

   Ingevolge artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, voorzover hier van belang, wordt voor plannen of projecten die significante gevolgen kunnen hebben voor een speciale beschermingszone een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. De bevoegde instanties mogen slechts toestemming voor het plan of project geven, nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van dat gebied niet zal aantasten.

   Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 7 september 2004, zaak C-127/02, gepubliceerd in JM 2004/112, volgt dat wanneer een nationale rechter moet nagaan of de toestemming voor een plan of project in de zin van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn rechtmatig is verleend, hij kan toetsen of de door deze bepaling aan de beoordelingsmarge van de bevoegde nationale autoriteiten gestelde grenzen in acht zijn genomen, ook als de bepaling niet in de rechtsorde van de betrokken lidstaat is omgezet ofschoon de daartoe gestelde termijn is verstreken.

2.2.3.    De Habitatrichtlijn bevat geen definitie van de begrippen “plan” en “project”. Uit het genoemde arrest van het Hof volgt echter dat voor de verduidelijking van deze begrippen, het begrip ”project”, zoals dat wordt gedefinieerd in artikel 1, tweede lid, van richtlijn 85/337/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (Pb L 175; hierna: de MER-richtlijn), relevant is.

   Gelet hierop is naar het oordeel van de Afdeling in het onderhavige geval sprake van een plan of project als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Voorts is geen sprake van een plan of project dat direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van de speciale beschermingszone “Maasduinen”.

2.2.4.    Vervolgens dient blijkens het genoemde arrest te worden bezien of verweerder op grond van objectieve gegevens kon uitsluiten dat het plan of project, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen heeft voor de speciale beschermingszone, afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen van de speciale beschermingszone.    

   Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting bedraagt de afstand tussen de inrichting en het in het kader van de Vogelrichtlijn als speciale beschermingszone aangewezen natuurgebied “Maasduinen” circa 660 meter. Voorts brengt het bij het bestreden besluit voor de inrichting vergunde veebestand, blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting, een ammoniakemissie met zich van circa 1385 kg per jaar en zal dit leiden tot de depositie van ammoniak op het genoemde natuurgebied. Voorzover verweerder bij het bepalen van de toename van de ammoniakemissie van de inrichting heeft betrokken de bij besluit van 29 juni 1993 verleende vergunning en de op 7 mei 1996 en 12 mei 2003 in het kader van het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer gedane meldingen, overweegt de Afdeling dat de in 1993 vergunde veehouderij, zo is ter zitting komen vast te staan, nooit is opgericht en dat ter plaatse nooit vee is gehouden. Derhalve is de genoemde vergunning uit 1993 vervallen en komt ook geen betekenis toe aan de genoemde meldingen.

   Nu verweerder niet heeft onderzocht of op basis van de genoemde objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat de thans vergunde ammoniakemissie en -depositie significante gevolgen hebben voor het natuurgebied, afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied, en hij voorts niet heeft onderzocht of de vergunde activiteiten andersoortige effecten voor het natuurgebied inhouden en, zo deze effecten er zijn, of deze als significant moeten worden aangemerkt, is het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, dat eist dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevant feiten.

2.3.    Het beroep van appellant sub 2, voorzover ontvankelijk, en de beroepen van appellant sub 1 en appellanten sub 3 zijn gegrond. Het bestreden besluit dient geheel te worden vernietigd. Gelet hierop komt de Afdeling niet meer toe aan de bespreking van de overige beroepsgronden.

2.4.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van appellant sub 2 niet-ontvankelijk voorzover dat het laden en lossen van vee betreft;

II.    verklaart het beroep van appellant sub 2 voor het overige, en de beroepen van appellant sub 1 en appellanten sub 3 geheel, gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bergen van 9 maart 2004, kenmerk V-03/021;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bergen in de door appellant sub 1 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 61,78, de door appellant sub 2 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 61,78, en de door appellanten sub 3 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 700,78, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; de totale bedragen dienen door de gemeente Bergen te worden betaald aan respectievelijk appellant sub 1, appellant sub 2 en appellanten sub 3;

V.    gelast dat de gemeente Bergen aan appellant sub 1, appellant

sub 2 en appellanten sub 3 het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht (€ 136,00 voor appellant sub 1, € 136,00 voor appellant sub 2 en € 136,00 voor appellanten sub 3) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter,

en mr. J.A.M. van Angeren en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt    w.g. Van Hardeveld

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2005

312-431.