Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS3869

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-01-2005
Datum publicatie
26-01-2005
Zaaknummer
200410152/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 februari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn (hierna: het college) onder verlening van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), aan de Stichting Christelijk Onderwijs, thans Scope Scholengroep, vergunning verleend voor het bouwen van schoolgebouwen en een kerkgebouw op een perceel op de hoek Amerikalaan/Triviumlaan, kadastraal bekend gemeente Alphen aan den Rijn, sectie B, nummer 8649, te Alphen aan den Rijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200410152/2.

Datum uitspraak: 18 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoekers sub 1], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank

's-Gravenhage van 25 november 2004 in het geding tussen:

1.    [verzoekers sub 1],

2.    [verzoekers sub 2], wonend te [woonplaats]

       

en

het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn (hierna: het college) onder verlening van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), aan de Stichting Christelijk Onderwijs, thans Scope Scholengroep, vergunning verleend voor het bouwen van schoolgebouwen en een kerkgebouw op een perceel op de hoek Amerikalaan/Triviumlaan, kadastraal bekend gemeente Alphen aan den Rijn, sectie B, nummer 8649, te Alphen aan den Rijn.

Bij besluit van 25 augustus 2004 heeft het college het daartegen door verzoekers gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 november 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door verzoekers ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben verzoekers bij brief van 12 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op 14 december 2004, hoger beroep ingesteld. Bij brief van gelijke datum hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 6 januari 2005, waar verzoekers, in de persoon van [gemachtigde], bijgestaan door mr. L.A.A. van Wakeren, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Habets-Brunt en mr. S.N.E. de Jonge, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Genomen besluiten zijn in het algemeen uitvoerbaar, ook als daartegen een rechtsmiddel is aangewend. Dit uitgangspunt geldt temeer, indien, zoals in dit geval, de rechter in eerste aanleg het tegen het besluit ingestelde beroep ongegrond heeft bevonden.

2.2.    In hetgeen verzoekers naar voren hebben gebracht is geen aanleiding te vinden voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de vrijstelling en de bouwvergunning niet mochten worden verleend. Met name het betoog van verzoekers dat niet is voldaan aan de in artikel 4, derde lid, onder a, sub 4, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Kerk en Zanen" gestelde criteria betreffende bebouwing en gebruik voor maatschappelijke doeleinden,  biedt hiervoor geen aanknopingspunten, aangezien blijkens de beslissing op bezwaar vrijstelling is verleend van dit onderdeel van de voorschriften.

   Het betoog dat het college van de hem overgedragen bevoegdheid om op het verzoek om vrijstelling te beslissen een onjuist gebruik heeft gemaakt doordat het de bij die bevoegdheidsoverdracht gestelde beleidslijnen niet in acht heeft genomen leidt, anders dan verzoekers hebben gesteld, niet tot het oordeel dat het college tot het verlenen van die vrijstelling niet bevoegd was.

2.3.    De slotsom is dat het verzoek dient te worden afgewezen.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.H. van den Ende, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Van den Ende

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2005

275.