Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS3864

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-01-2005
Datum publicatie
26-01-2005
Zaaknummer
200408889/1 en 200408889/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 september 2004, kenmerk nr. 503, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een rundveehouderijbedrijf met appartementenverhuur op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 24 september 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 2 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 3 november 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 2 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 3 november 2004, heeft appellant de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200408889/1 en 200408889/2.

Datum uitspraak: 19 januari 2005.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Nijefurd,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2004, kenmerk nr. 503, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een rundveehouderijbedrijf met appartementenverhuur op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 24 september 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 2 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 3 november 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 2 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 3 november 2004, heeft appellant de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 december 2004, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. H.A.M. Lamers, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door W.F. Foppen, gemachtigde, zijn verschenen.

Voorts is daar als partij vergunninghouder, in persoon, gehoord.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

   2.    Overwegingen

2.1.    Appellant heeft als bezwaar van formele aard aangevoerd dat verweerder ten onrechte zijn bij de bedenkingen ingebrachte bezwaar inzake overlast van muggen, vliegen en dergelijke onbesproken heeft gelaten.

   Ingevolge artikel 3:27 van de Algemene wet bestuursrecht vermeldt het bestuursorgaan bij de bekendmaking van het besluit zijn overwegingen omtrent de ingebrachte bedenkingen.

   De Voorzitter overweegt dat verweerder in het bestreden besluit is ingegaan op voornoemd aspect, zodat geen sprake is van strijd met dit artikel. Dit bezwaar faalt derhalve.

2.2.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3.    Appellant heeft bezwaren aangevoerd die verband houden met de door de inrichting veroorzaakte geluidhinder. Daarbij heeft hij gesteld dat het melken van de koeien in de aangevraagde situatie dichter bij zijn woning plaatsvindt dan thans het geval is. Verder worden de koeien in de bestaande situatie één voor één gemolken, terwijl in de aangevraagde situatie meerdere dieren tegelijkertijd worden gemolken. Volgens appellant is iedere verhoging van het geluidniveau gelet op de afstand tot zijn woning onaanvaardbaar, terwijl middelvoorschriften ter realisering van de gestelde geluidvoorschriften ontbreken.

2.3.1.    Voor de beoordeling van directe geluidhinder heeft verweerder de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening en – bij gebreke van een gemeentelijke nota industrielawaai – de circulaire Industrielawaai (hierna: de circulaire) tot uitgangspunt genomen. Ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder heeft verweerder onder andere de voorschriften 2.1.1 en 2.1.2 aan de vergunning verbonden.

2.3.2.    Niet bestreden is dat in het onderhavige geval sprake is van een (rustige) woonwijk in de stad. In voorschrift 2.1.1 zijn als waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAR,LT) opgenomen 50, 45 en 40 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode, welke overeenkomen met de streefwaarden die in de circulaire voor een woonwijk in een stad worden genoemd. Verder zijn in voorschrift 2.1.2 als waarden voor het maximale geluidniveau (LAmax) opgenomen 60, 55 en 50 dB(A) voor de respectievelijke perioden. Deze maximale waarden zijn niet hoger dan de waarden die hiervoor in de circulaire aanvaardbaar worden geacht.

   Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat in de aangevraagde situatie 6 koeien tegelijkertijd worden gemolken in een reeds bestaande stal. In deze stal zullen niet de gehele dag koeien aanwezig zijn. Verder is gebleken dat deze stal aan de zijde van de woning van appellant vrijwel geheel zal worden dichtgemetseld. Gelet op het vorenstaande en de aard van de inrichting en de omvang van de vergunde activiteiten ziet de Voorzitter geen grond voor het oordeel dat niet aan de in de voorschriften 2.1.1 en 2.1.2 gestelde grenswaarden kan worden voldaan. Hetgeen appellant heeft betoogd doet hier niet aan af.

2.4.    Appellant betoogt dat sprake is van onaanvaardbare stankhinder als gevolg van het in werking zijn van de onderhavige inrichting. Daarbij voert hij aan dat het zeer waarschijnlijk is dat de stankhinder in de aangevraagde situatie zal toenemen nu de ontlasting van de koeien, gelet op het gewijzigde stalsysteem, over een veel groter oppervlak in de gehele stal terecht komt. Verder heeft appellant gewezen op de, volgens hem ongunstige, met grote regelmaat uit het westen waaiende wind en het, naar zijn zeggen, veranderde ventilatiesysteem.

2.4.1.    Verweerder heeft bij de beoordeling van de stankhinder de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) tot uitgangspunt genomen. Bij de bepaling van de omgevingscategorieën heeft hij de brochure Veehouderij en Hinderwet gehanteerd.

2.4.2.    De Voorzitter overweegt allereerst dat de Richtlijn wat betreft melkrundvee geen onderscheid maakt tussen verschillende stalsystemen. Verder is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat met het aangevraagde stalsysteem de huidige grote opslag van vaste mest wordt vervangen door een ondergrondse opslag van dunne mest. In geval van het aangevraagde stalsysteem wordt de mest meerdere keren op een dag van de vloer geveegd met een mestschuif. De mestkelder is behoudens enkele openingen geheel overdekt door de stalvloer. Gelet op het vorenstaande en hetgeen overigens uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken, moet worden geoordeeld dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor onaanvaardbare stankhinder niet behoeft te worden gevreesd. Hetgeen appellant heeft betoogd kan hier niet aan afdoen.

2.5.    Voorzover appellant betoogt dat vanwege het mogelijk achterwege laten van weidegang sprake zal zijn van een toename van overlast door muggen, vliegen en dergelijke in de zomermaanden overweegt de Voorzitter dat in het aan de vergunning verbonden voorschrift 1.1.4 is bepaald dat het aantrekken van insecten, knaagdieren en ongedierte zoveel mogelijk moet worden voorkomen. Zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven, moet doelmatige bestrijding van insecten, knaagdieren en ander ongedierte plaatsvinden. Voorts is uit het bestreden besluit gebleken dat vergunninghouder maatregelen zal treffen tot vermindering van vliegenoverlast.

   De Voorzitter ziet, mede gelet op de door verweerder gegeven motivering, in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen nadere voorschriften inzake overlast van muggen, vliegen en dergelijke aan de vergunning behoeven te worden verbonden.

2.6.    Wat betreft het betoog van appellant dat het gewijzigde stalsysteem de mogelijkheid biedt tot het realiseren van een overbezetting van 15 à 20% overweegt de Voorzitter dat dit een kwestie van handhaving betreft en zich derhalve niet tegen de ter beoordeling staande vergunning richt. Het bezwaar kan om die reden in deze procedure niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.7.    De Voorzitter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.8.    Het beroep is ongegrond.

2.9.    Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep ongegrond;

II.    wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis    w.g. Van Leeuwen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2005.

373.