Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS3206

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-01-2005
Datum publicatie
19-01-2005
Zaaknummer
200404114/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 november 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zijpe (hierna: het college) de namens appellante door [eigenaar] gevraagde aanlegvergunning voor het scheuren en frezen van grasland van de percelen kadastraal bekend sectie […], nummers […] plaatselijk bekend [locatie](hierna: de percelen) ten behoeve van de teelt van tulpen, geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200404114/1.

Datum uitspraak: 19 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te 't Zand, gemeente Zijpe,

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 30 maart 2004 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Zijpe.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zijpe (hierna: het college) de namens appellante door [eigenaar] gevraagde aanlegvergunning voor het scheuren en frezen van grasland van de percelen kadastraal bekend sectie […], nummers […] plaatselijk bekend [locatie](hierna: de percelen) ten behoeve van de teelt van tulpen, geweigerd.

Bij besluit van 8 april 2003 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 maart 2004, verzonden op 7 april 2004, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op het bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 17 mei 2004, bij de Raad van State ingekomen op 18 mei 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij besluit van 13 mei 2004 heeft het college het tegen het besluit van 26 november 2002 door appellante gemaakte bezwaar wederom ongegrond verklaard.

Bij brief van 28 juni 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 december 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door [eigenaar] en bijgestaan door mr. L. de Kok, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.J.M. de Ruyter en J. Paasman, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen.

2.1.    Ingevolge de bestemmingsplannen “Buitengebied 1989” en “Buitengebied 1989, tweede herziening” - voor zover hier van belang - rust op de percelen de bestemming “Agrarisch productiegebied IIa”.

    Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden bestemd voor agrarische bedrijfsvoering met behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden (categorie II).

    Ingevolge artikel 5, zevende lid, aanhef en onder a, is het verboden de werken en werkzaamheden zoals aangegeven in het schema van de - bij deze voorschriften behorende – bijlage A, uit te voeren zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning)

    Ingevolge artikel 5, zevende lid, aanhef en onder c, wordt een aanlegvergunning alleen verleend met inachtneming van de beschrijving in hoofdlijnen en indien landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische of archeologische waarden zoals in de toelichting zijn aangegeven, niet onevenredig zullen worden aangetast, of de mogelijkheden tot herstel van die waarden niet onevenredig zullen worden verkleind.

    Ingevolge artikel 5, tweede lid, onder a, vierde gedachtepuntje, (beschrijving in hoofdlijnen) wordt in de agrarische productiegebieden IIa een aanlegvergunning voor het scheuren van grasland verleend:

-    indien en voor zover het aandeel grasland van de gronden van een bedrijf binnen de agrarische productiegebieden IIa na vergunningverlening meer dan 70% bedraagt, in welk geval geen sprake zal zijn van aantasting van de kwaliteit als weidevogelgebied omdat een voldoende groot graslandgebied in stand wordt gehouden, of

-    indien aangetoond is dat de gronden al (regelmatig) voor wisselteelt in gebruik waren en:

a.    wisselteelt een onderdeel is van de normale bedrijfsvoering, bijvoorbeeld aan te tonen via een teeltplan, en

b.    na het verlenen van een aanlegvergunning de kwaliteit als weidevogelgebied blijft gehandhaafd doordat een voldoende groot graslandgebied in stand wordt gehouden.

Jaarlijks wordt door de gemeente een onderzoek ingesteld naar de behoefte aan aanlegvergunningen in verband met wisselteelt, waarna vergunningen, waar dit op grond van de bovengenoemde criteria mogelijk is, verleend worden.

Het verlenen van een aanlegvergunning voor het scheuren van grasland in de agrarische productiegebieden IIa zal in het geval dat het aandeel grasland na vergunningverlening minder dan 70% bedraagt met terughoudendheid moeten geschieden. Handhaving van minimaal 70% grasland na vergunningverlening is het uitgangspunt. Er kan echter aanleiding zijn om op dat uitgangspunt een uitzondering te maken. Overschrijding van de 30%-70%-regel leidt tot aantasting van de kwaliteit van het weidevogelgebied. Bepaald zal moeten worden of er sprake is of kan zijn van onevenredige aantasting van de kwaliteit van het weidevogelgebied.

Bij de afweging ter zake spelen verschillende aspecten een rol. De kwaliteit van het weidevogelgebied wordt bepaald door de waarde als foerageergebied, broedgebied, pleisterplaats en rustplaats. De grootte van het weidevogelgebied is voor een goede vervulling van deze functies van groot belang. In alle gevallen zal de concrete aanvrage bepalend zijn.

    Ingevolge artikel 1, aanhef en onder v, van de planvoorschriften dient onder "wisselteelt" te worden verstaan: het tijdelijk gebruiken van grasland voor andere teelten, voor zover ten behoeve van die andere teelten geen werkzaamheden, zoals diepploegen, omgronden en bezanden, plaatsvinden die de structuur van het perceel blijvend veranderen.

2.2.    De aanvraag van appellante strekt ertoe het grasland van de percelen in het jaar 2003 voor 100% geschikt te maken voor de bollenteelt.

2.3.    Het hoger beroep spitst zich toe op de vraag of de rechtbank met recht heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen sprake is van wisselteelt als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder a, vierde gedachtepuntje, tweede gedachtenstreepje van de planvoorschriften.

2.4.    De Afdeling overweegt dat een redelijke uitleg van de artikelen 1 en 5 van de planvoorschriften, waar naast de agrarische bedrijfsvoering het behoud van natuurwaarden voorop staat en grasland slechts tijdelijk voor andere teelten mag worden gebruikt, met zich brengt dat de frequentie van wisselteelt zodanig moet zijn dat het grasland voldoende tijd krijgt om zich te herstellen. Gelet hierop, heeft de rechtbank met recht geoordeeld dat geen sprake is van wisselteelt indien, zoals in dit geval, in het jaar 2002 op de betreffende percelen tulpen zijn geteeld, in het najaar gras is ingezaaid en in het voorjaar van 2003 de grond (opnieuw) zou worden bewerkt voor de tulpenteelt. De frequentie van eerder aan appellante verleende aanlegvergunningen, waarbij voor elk derde jaar bollenteelt mogelijk was, doet daar niet aan af.

    De rechtbank heeft voorts terecht geen betekenis toegekend aan de door appellante aangehaalde overweging in de uitspraak van de Afdeling van 29 november 1999, inzake nr. E01.97.0647, inhoudende dat voor het scheuren van grasland ten behoeve van wisselteelt, met welke frequentie dan ook, vergunning kan worden verleend. Deze overweging heeft immers betrekking op wisselteelt op grond van artikel 5, tweede lid, onder a, vierde gedachtenpuntje, eerste gedachtenstreepje, waarbij het aandeel grasland van de gronden van een bedrijf binnen de agrarische productiegebieden IIa na vergunningverlening meer dan 70% moet bedragen. Deze situatie doet zich hier niet voor, nu de percelen van appellante voor 100% voor tulpenteelt worden omgezet. Het betoog van appellante faalt derhalve.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.6.    Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank heeft het college bij besluit van 13 mei 2004 de bezwaren van appellante tegen het besluit tot het weigeren van de gevraagde aanlegvergunning te verlenen wederom ongegrond verklaard. Het hoger beroep wordt ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht mede geacht te zijn gericht tegen dit besluit. De rechtbank heeft het daartegen door appellante bij brief van 22 juni 2004, aangevuld bij brief van 27 juli 2004, ingestelde beroep naar de Afdeling doorgezonden.

2.7.    Blijkens het besluit van 13 mei 2004 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de gevolgen van de bollenteelt een negatieve, zo niet funeste invloed hebben op het gebied als weidevogelgebied.

    Appellante betoogt in beroep dat dit besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd.

2.7.1.    In de in artikel 5, tweede lid, onder a, vierde gedachtenpuntje, van de planvoorschriften opgenomen beschrijving in hoofdlijnen is bepaald dat een aanlegvergunning wordt verleend, indien wordt voldaan aan het vereiste dat het aandeel grasland na vergunningverlening meer dan 70% bedraagt of indien de gronden al (regelmatig) voor wisselteelt in gebruik waren, en voorts is voldaan aan het gestelde onder a en b.

    Blijkens de beslissing op bezwaar van 13 mei 2004 is het college van mening dat – los van de twee hiervoor genoemde criteria – ook op grond van een uit te voeren belangenafweging tot het verlenen van een aanlegvergunning voor het scheuren van grasland kan worden overgegaan. Deze uitleg van artikel 5, tweede lid, onder a, vierde gedachtenpuntje, acht de Afdeling niet juist. De passage uit de beschrijving in hoofdlijnen, waarin wordt aangegeven welke aspecten een rol spelen bij de beoordeling of sprake is van een onevenredige aantasting van de kwaliteit van het weidevogelgebied, moet worden aangemerkt als een toelichting op het onder b. gestelde met betrekking tot de wisselteelt. Nu hierin geen (extra) basis is gelegen voor het verlenen van de gevraagde aanlegvergunning, moet worden geconstateerd dat reeds hierom de weigering om die vergunning te verlenen, terecht is gehandhaafd.

2.7.2.    Het beroep van appellante tegen de beslissing op bezwaar van 13 mei 2004 is ongegrond.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak.

II.    verklaart beroep van appellante tegen het besluit van 13 mei 2004, met kenmerk BO\ABJZ\ 003688, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Van Roosmalen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2005

53-429.