Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS3203

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-01-2005
Datum publicatie
19-01-2005
Zaaknummer
200403688/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juli 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (hierna: het college) naar aanleiding van een verzoek van appellanten vrijstelling van het bestemmingsplan geweigerd ten behoeve van de vestiging van een Philips' personeelswinkel in het pand op het perceel Hurksestraat 2c te Eindhoven (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200403688/1.

Datum uitspraak: 19 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], allen wonend te Eindhoven,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 8 april 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (hierna: het college) naar aanleiding van een verzoek van appellanten vrijstelling van het bestemmingsplan geweigerd ten behoeve van de vestiging van een Philips' personeelswinkel in het pand op het perceel Hurksestraat 2c te Eindhoven (hierna: het perceel).

Bij besluit van 29 april 2003 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 april 2004, verzonden op 9 april 2004, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 3 mei 2004, bij de Raad van State ingekomen op 4 mei 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 19 juli 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 december 2004, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. P.W.M. van Dorn, advocaat te Geldrop, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.J.A. van Creij, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellanten hebben aan het college gevraagd een voor beroep vatbaar besluit te nemen indien het college van oordeel is dat de voorgenomen vestiging van Philips’ bedrijfswinkel “My Shop” in het pand in strijd is met de gebruiksvoorschriften van het bestemmingsplan “De Hurk 1988”.

2.1.1.    Het college heeft het verzoek van appellanten blijkens het besluit van 17 juli 2002 mede opgevat als een verzoek om vrijstelling en dat verzoek afgewezen. De afwijzing van het verzoek om vrijstelling is – zonder enige twijfel – een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. In hoger beroep is uitsluitend aan de orde het in de afwijzing van het verzoek besloten liggende rechtsoordeel van het college dat het voorgenomen gebruik in strijd is met het bestemmingsplan.

2.2.    Ingevolge het bestemmingsplan “De Hurk 1988” rust op het perceel de bestemming “Overwegend industrie”.

    Ingevolge artikel 2, lid A, van de planvoorschriften – voor zover hier van belang – zijn de gronden primair bestemd voor doeleinden van handel en bedrijf, waarbij detailhandel in principe is uitgezonderd.

    Ingevolge artikel 2, lid C, aanhef en onder 1, van de planvoorschriften is het verboden de in dit artikel bedoelde gronden en opstallen te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de uit het plan voortvloeiende bestemming.

    Ingevolge artikel 2, lid C, aanhef en onder 3, van de planvoorschriften wordt als strijdig gebruik niet aangemerkt:

a.    de verkoop van goederen bij wijze van dienstverlening aan werkgever(s) en werknemers als niet-zelfstandig onderdeel van de krachtens dit artikel toegelaten bedrijven, zoals de verkoop van dranken en etenswaren in bedrijfskantines of in een bedrijfswinkel voor wat betreft goederen die in het bedrijf worden geproduceerd en/of vervaardigd;

b.    de verkoop c.q. aflevering van goederen in een ter plaatse gevestigd ambachtelijk bedrijf, indien deze goederen in dat bedrijf zijn vervaardigd, bewerkt of hersteld.

2.3.    Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de beoogde Philips-winkel een met de bestemming strijdig (zelfstandig) detailhandelsbedrijf is en niet valt onder de uitzondering als bedoeld in artikel 2, lid C, aanhef en onder 3, sub a, van de planvoorschriften.

2.4.    Dit betoog faalt.

    De tekst van artikel 2, lid C, aanhef en onder 3, sub a, dient zo te worden uitgelegd dat bedrijfswinkels slechts zijn toegestaan voor zover zij onderdeel uitmaken van op het bedrijventerrein ingevolge de bestemming toegelaten bedrijven die de te verkopen goederen aldaar produceren en/of vervaardigen. Dat in het gestelde onder b. van deze bepaling sprake is van “gevestigde bedrijven” en onder a. van “toegelaten bedrijven” doet hieraan niet af. De tekst noch de systematiek van artikel 2 bieden steun voor de opvatting van appellanten dat onder deze bepaling mede moet worden begrepen de door hen beoogde bedrijfswinkel met consumentenelektronica die niet door individuele Philipsbedrijven op het bedrijventerrein zelf, maar elders door bedrijven behorende tot het Philipsconcern wordt geproduceerd. Dat houdt mede in dat een verdergaande, ter zitting door appellanten voorgestane, uitleg, inhoudende dat een bedrijfswinkel die geen binding heeft met een ter plaatse gevestigd bedrijf, zolang die bedrijfswinkel maar onderdeel is van een ter plaatse in planologische zin toegelaten bedrijf op grond van deze bepaling moet worden toegestaan, evenmin kan worden aanvaard.

    Er is voorts geen grond voor het oordeel dat de uitzondering die artikel 2, lid C, aanhef en onder 3, sub a maakt op het gebruiksverbod voor detailhandel een met artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening strijdige beperking inhoudt van het meest doelmatige gebruik van de gronden die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd. Bedoeld gebruiksverbod strekt ertoe te verbieden dat gronden of opstallen worden gebruikt in strijd met de bij het bestemmingsplan aangewezen bestemming, behoudens de in het plan geregelde mogelijkheid van vrijstelling. Het gebruik overeenkomstig de aangewezen bestemming is het door de planwetgever meest doelmatig geachte gebruik. De in artikel 2, lid C, aanhef en onder 3, van de planvoorschriften opgenomen uitzonderingen op het gebruiksverbod kunnen derhalve geen beperking inhouden van het meest doelmatige gebruik, dat is het gebruik overeenkomstig de bestemming.

    De slotsom is dat het college terecht heeft geoordeeld dat het voorgenomen gebruik in strijd is met het in het bestemmingsplan opgenomen gebruiksverbod. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Van Roosmalen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2005

53-429.