Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS3192

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-01-2005
Datum publicatie
19-01-2005
Zaaknummer
200405505/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juli 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn (hierna: het college) geweigerd om een vergunning te verlenen voor het plaatsen van een dakreclame op het perceel, kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], plaatselijk bekend [locatie].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2005, 60

Uitspraak

200405505/1.

Datum uitspraak: 19 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Eurocommerce Robex groep, gevestigd te Deventer,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 25 mei 2004 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 juli 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn (hierna: het college) geweigerd om een vergunning te verlenen voor het plaatsen van een dakreclame op het perceel, kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], plaatselijk bekend [locatie].

Bij besluit van 21 januari 2003 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar, onder verwijzing naar het advies van de bezwarencommissie van 18 december 2002, niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 25 mei 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 2 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 28 juli 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 4 oktober 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 december 2004, waar appellante, bijgestaan door mr. A. ten Veen, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door M.D.G. Visser, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellante klaagt dat de rechtbank ten onrechte met het college heeft overwogen dat de maatschap Ernst & Young (hierna: Ernst & Young) en niet appellante als aanvrager van de bouwvergunning dient te worden aangemerkt en dat evenmin kan worden aangenomen dat Ernst & Young appellante had gemachtigd om namens haar een bouwaanvraag in te dienen.

2.2.    Dit betoog faalt. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen kan uit het aanvraagformulier, waarin als aanvrager staat vermeld Ernst & Young, p/a Eurocommerce Robex Groep en waarbij geen machtiging is overgelegd, niet worden afgeleid dat appellante als aanvrager van de bouwvergunning moet worden aangemerkt. Dat als adres is opgegeven het adres van Eurocommerce en de aanvraag is ondertekend door een vertegenwoordiger van dit bedrijf maakt dit niet anders. Gelet op het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kon dan ook alleen Ernst & Young als belanghebbende bij de weigering van deze vergunning worden aangemerkt.

    Uit het ingediende bezwaarschrift blijkt op geen enkele wijze dat appellante namens Ernst & Young bezwaar heeft ingediend. De bij de hoorzitting van de bezwarencommissie en derhalve buiten de bezwaartermijn overgelegde machtiging om namens Ernst & Young een bouwaanvraag in te dienen en vervolgens al datgene te doen om een bouwvergunning te verkrijgen, neemt niet weg dat appellante uitsluitend op eigen naam een bezwaarschrift heeft ingediend. De rechtbank heeft dan ook op goede gronden overwogen dat het college het bezwaar van appellante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

    Aan een bespreking van hetgeen appellante overigens heeft aangevoerd komt de Afdeling derhalve niet toe.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin    w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2005

17-444.