Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS3189

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-01-2005
Datum publicatie
19-01-2005
Zaaknummer
200410161/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 december 2004, kenmerk 04/14242, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd wegens het overtreden van een aantal vergunningvoorschriften van de vigerende Wet milieubeheer vergunning voor het bedrijf van verzoekster aan de Bijsterhuizen 2101 te Wijchen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200410161/1.

Datum uitspraak: 13 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Metron Technology B.V.", gevestigd te Wijchen,

verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van Wijchen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2004, kenmerk 04/14242, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd wegens het overtreden van een aantal vergunningvoorschriften van de vigerende Wet milieubeheer vergunning voor het bedrijf van verzoekster aan de Bijsterhuizen 2101 te Wijchen.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Bij brief van 14 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op 15 december 2004, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 januari 2005, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. G. Koop en mr. P. Kerckhaert, advocaten te Amsterdam, en ing. R.H.J. Rutjes en W.A.G. Hermens, gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door L. Houden en C. Noortman, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Verzoekster voert aan dat een bewijs van keuring zoals bedoeld in de PBV/CUR-Aanbeveling 44, met betrekking tot de vloeistofdichtheid van de vloer van de chemicaliënopslag niet vereist is omdat de door verzoekster gebruikte opslag als een kast in de zin van de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming dient te worden aangemerkt. Om dezelfde reden is, volgens verzoekster ook het onderhouden van een milieulogboek ten aanzien van inspecties en onderhoud niet vereist. Daarnaast stelt verzoekster dat de keuring van een stalen bodem als de onderhavige niet mogelijk is.

   De Voorzitter stelt vast dat het vergunningvoorschrift 5.6 een bewijs van keuring voor de vloeistofdichte vloer of voorziening verplicht stelt. Vergunningvoorschrift 5.7 stelt het onderhouden van een logboek ter zake van onderhoud en inspecties van die vloer of voorziening verplicht. Het gestelde in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming doet hieraan niet af. Ter zitting is gebleken dat ook de keuring van metalen vloeren mogelijk is. Vaststaat dat een bewijs van keuring ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet kon worden overgelegd. De bevoegdheid van verweerder om handhavend op te treden is daarmee gegeven. Het verzoek kan in zoverre derhalve niet slagen.

2.2.    Verzoekster voert aan dat verweerder niet bevoegd was een last op te leggen voorzover deze was gericht op het ten onrechte creëren van een lasplek in de zogenoemde arc spray ruimte. Er was, volgens verzoekster, sprake van een tijdelijke situatie ten behoeve van modificaties aan de arc spray installatie en niet van een overtreding van de milieuvergunning.

2.2.1.    Verweerder stelt dat hem nooit iets is medegedeeld over de tijdelijkheid van de lasplek. De lasplek is door hem tijdens een controle op 1 april 2004 en tijdens een hercontrole op 20 oktober 2004 aangetroffen. Tevens waren er op de lasplek voorzieningen getroffen die op een langdurige aanwezigheid van de lasplek wezen.

2.2.2.    Gelet hierop is de Voorzitter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de onderhavige lasplek geen tijdelijk karakter had. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening kan in zoverre derhalve niet slagen.

2.3.    Verzoekster voert aan dat verweerder ook niet bevoegd was tot het opleggen van een last onder dwangsom voorzover het de in de door haar op artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer gedane melding opgenomen wijzigingen ten opzichte van de vigerende vergunning betreft. Volgens haar is deze melding ten onrechte niet geaccepteerd.

   De Voorzitter overweegt dat in de voorlopige voorzieningszaak no. 200410158/1 van heden voorlopig is uitgemaakt dat de door verzoekster gemelde verplaatsing van de opslag van chemicaliën ten onrechte niet geaccepteerd is. Voorzover het verzoek betrekking heeft op deze verplaatsing komt het derhalve voor inwilliging in aanmerking.

   De Voorzitter overweegt verder dat in bovengenoemde uitspraak voorlopig is uitgemaakt dat verweerder voor het overige de onderhavige melding op goede gronden niet heeft geaccepteerd. Het verzoek kan in zoverre derhalve geen doel treffen.

2.4.    Gelet op het bovenstaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen en de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen voorzover het verzoek betrekking heeft op de verplaatsing van de chemicaliën opslag.

2.5.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Wijchen van 9 december 2004, kenmerk 04/14242, voorzover het de verplaatsing van de chemicaliënopslag betreft;

II.    wijst het verzoek voor het overige af;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Wijchen in de door verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 696.83, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Wijchen te worden betaald aan verzoekster;

IV.    gelast dat de gemeente Wijchen aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 273,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd    w.g. Klap

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2005

315.