Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS3185

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-01-2005
Datum publicatie
19-01-2005
Zaaknummer
200409326/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 oktober 2004, kenmerk 2004.42194/sum, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de stichting "Stichting Slingeland Ziekenhuis" een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een algemeen ziekenhuis aan de Kruisbergseweg 25 te Doetinchem. Dit besluit is op 18 oktober 2004 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200409326/2.

Datum uitspraak: 13 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2004, kenmerk 2004.42194/sum, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de stichting "Stichting Slingeland Ziekenhuis" een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een algemeen ziekenhuis aan de Kruisbergseweg 25 te Doetinchem. Dit besluit is op 18 oktober 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 13 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 17 november 2004, beroep ingesteld.

Bij deze brief hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 januari 2005, waar verzoekers in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door R.J. ter Meulen en J.W. Thomassen, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is namens vergunninghoudster mr. E.T. de Jong, advocaat te Arnhem, en drs. L. Nieuwenhoff en B.R. Wierenga, gemachtigden, daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Verzoekers voeren aan dat hun brief van 14 april 2004 ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard omdat bedenkingen tot uiterlijk 9 april 2004 konden worden ingediend. Zij stellen dat die brief als toelichting was bedoeld en dat geen nieuwe bedenkingen werden aangevoerd.

2.2.1.    Verweerder stelt dat de termijn om bedenkingen in te dienen op 9 april 2004 afliep en dat de tweede op 15 april 2004 ingekomen brief van verzoekers derhalve te laat is binnengekomen om nog bij de beoordeling van het besluit te kunnen worden betrokken.

2.2.2.    Artikel 3:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht stelt dat binnen vier weken na de dag waarop het ontwerp van het besluit ter inzage is gelegd, een ieder daartegen bij het bestuursorgaan schriftelijk bedenkingen kan inbrengen.

   Op grond van de stukken constateert de Voorzitter dat de termijn voor het indienen van bedenkingen op 9 april 2004 afliep. Onomstreden is dat de brief van verzoekers na die datum bij verweerder is ingekomen. Verweerder heeft deze brief derhalve terecht niet meer bij de beoordeling van het bestreden besluit betrokken. De stelling van verzoekers dat in deze brief geen nieuwe bedenkingen werden aangevoerd doet hieraan niet af. Het verzoek treft in zoverre derhalve geen doel.

2.3.    Verzoekers voeren aan dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten een gecoördineerde behandeling te bevorderen nu alsnog een uitwegvergunning en kapvergunning moeten worden aangevraagd.

   De Voorzitter overweegt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft kunnen stellen dat een gecoördineerde behandeling tussen de onderhavige revisievergunning in het kader van de Wet milieubeheer en een uitwegvergunning en kapvergunning niet noodzakelijk is. Het verzoek treft in zoverre derhalve geen doel.

2.4.    Voorzover het verzoek zich richt op de verkeersveiligheid, de keuze voor een ontsluitingsvariant, de landschappelijke inpasbaarheid van de inrichting, het verlenen van een kapvergunning en het verlenen van een uitwegvergunning overweegt de Voorzitter dat deze beroepsgronden geen betrekking hebben op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en reeds om die reden niet kunnen slagen.

2.5.    Verzoekers voeren aan dat verweerder ten onrechte ten aanzien van de gemotoriseerde ontsluiting van het ziekenhuis via variant 1b geen aandacht heeft geschonken aan de nadelen die deze ontsluiting voor de drie aangrenzende woningen opleveren. Zij stellen dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de mogelijkheden om met name geluidhinder te kunnen voorkomen. Er bestaan, volgens hen, talrijke mogelijkheden om een maximale bescherming mogelijk te maken.

2.5.1.    Verweerder stelt bij de beoordeling van de door de inrichting veroorzaakte geluidbelasting de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening 1998 te hebben gehanteerd. Hij voert aan dat uit het bij de aanvraag gevoegde akoestisch onderzoek blijkt dat de door de inrichting veroorzaakte geluidniveaus zonder nadere voorzieningen bij de maatgevende woningen als aanvaardbaar kunnen worden aangemerkt. Ten einde lichthinder van auto's te voorkomen is in voorschrift 1.5.11 een afschermende voorziening voorgeschreven. Deze voorziening dient geluidisolerend te worden uitgevoerd waardoor een verdere reductie van de door de inrichting veroorzaakte geluidhinder zal worden bereikt.

2.5.2.    Gelet op het bovenstaande is de Voorzitter van oordeel dat noch uit hetgeen verzoekers hebben aangevoerd, noch anderszins gebleken is dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door de inrichting bij woningen van derden veroorzaakte geluidbelasting aanvaardbaar moet worden geacht. Het verzoek treft in zoverre derhalve geen doel.

2.6.    Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd    w.g. Klap

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2005

315.