Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS3182

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-01-2005
Datum publicatie
19-01-2005
Zaaknummer
200405494/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 oktober 2002 heeft appellant de erkenning van Autobedrijf JaVé Gooimeer B.V. (hierna: JaVé) voor het uitvoeren van periodieke keuringen van motorrijtuigen tot en met 3500 kg voorwaardelijk ingetrokken voor de duur van zes maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200405494/1.

Datum uitspraak: 19 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juni 2004 in de gedingen tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Autobedrijf JaVé Gooimeer B.V.", gevestigd te Naarden en [wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2002 heeft appellant de erkenning van Autobedrijf JaVé Gooimeer B.V. (hierna: JaVé) voor het uitvoeren van periodieke keuringen van motorrijtuigen tot en met 3500 kg voorwaardelijk ingetrokken voor de duur van zes maanden.

Bij besluit van 29 oktober 2002 heeft appellant voorts de keuringsbevoegdheid van [wederpartij] voor het uitvoeren van periodieke keuringen van motorrijtuigen voor de categorie voertuigen tot en met 3500 kg voorwaardelijk ingetrokken voor de duur van zes maanden.

Bij onderscheiden besluiten van 17 april 2003 heeft appellant de daartegen door JaVé en [wederpartij] gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 juni 2004, verzonden op 23 juni 2004, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) de daartegen door JaVé en [wederpartij] ingestelde beroepen gegrond verklaard en de bestreden beslissingen op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 juli 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 19 juli 2004 hebben JaVé en [wederpartij] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 november 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. R. Bal, werkzaam bij de Dienst Wegverkeer, [wederpartij] in persoon en bijgestaan door mr. M.W. van Ochten, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand Mobiliteitsbranche te Nijmegen, en JaVé, vertegenwoordigd door mr. M.W. van Ochten, voornoemd, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    In artikel 44, zevende lid, van de Erkenningsregeling APK is bepaald dat indien het voertuig aan een steekproef wordt onderworpen, de erkenninghouder dit aan de aanvrager mededeelt en de erkenninghouder het keuringsrapport onder zich houdt voor een periode van ten hoogste negentig minuten, vanaf het tijdstip van afmelding.

   Ingevolge artikel 45, eerste lid, van de Erkenningsregeling APK gelden, indien het voertuig blijkens mededeling van de Dienst Wegverkeer aan een steekproef wordt onderworpen, de in het tweede tot en met zesde lid genoemde verplichtingen.

   In het derde lid van voornoemd artikel is bepaald dat de erkenninghouder de eigenaar of houder van het voertuig dat aan een steekproef wordt onderworpen er op wijst dat deze verplicht is het voertuig voor de uitvoering van de steekproef beschikbaar te houden.

   Ingevolge het vijfde lid van dit artikel, voorzover hier van belang, wordt aan een steekproef alle medewerking verleend en worden de terzake door de Dienst Wegverkeer gegeven aanwijzingen in acht genomen.

   In artikel 58 van de Erkenningsregeling APK is bepaald dat indien door de erkenninghouder de in de artikelen 43 en 44 neergelegde verplichtingen, de in artikel 45, tweede, vierde en vijfde lid, opgenomen voorschriften, dan wel het bepaalde in artikel 48, eerste lid, laatste volzin, niet worden nageleefd, terstond wordt begonnen met een procedure voor intrekking van de erkenning.

   Ingevolge artikel 62 van de Erkenningsregeling APK wordt, indien door de keurmeester de in de artikelen 39 tot en met 46 neergelegde verplichtingen of voorschriften niet worden nageleefd, terstond begonnen met een procedure voor intrekking van de bevoegdheid voertuigen aan een keuring te onderwerpen.

2.2.    Appellant heeft de erkenning van JaVé voor het uitvoeren van periodieke keuringen van motorrijtuigen tot en met 3500 kg en de keuringsbevoegdheid van [wederpartij] voor het uitvoeren van voornoemde periodieke keuringen voorwaardelijk ingetrokken voor de duur van zes maanden, omdat zij op 3 oktober 2002 niet alle medewerking aan de steekproefsgewijze herkeuring van het voertuig met kenteken […] hebben verleend. Appellant heeft daarbij overwogen dat bij aankomst van de steekproefcontroleur de autosleutels van voornoemd voertuig niet aanwezig waren in de keuringsplaats en niet in het bezit waren van JaVé en [wederpartij], waardoor de steekproef niet kon worden uitgevoerd.

2.3.    Het oordeel van de rechtbank dat de beslissingen op bezwaar, waarbij de intrekking van de erkenning van JaVé en de intrekking van de keuringsbevoegdheid van [wederpartij] zijn gehandhaafd, dienen te worden vernietigd omdat in het onderhavige geval JaVé en [wederpartij] van het ontbreken van de autosleutels geen verwijt kan worden gemaakt, wordt door appellant met succes bestreden.

2.3.1.    Het niet aanwezig zijn van de autosleutels van voornoemd voertuig levert overtreding op van de verplichtingen, neergelegd in artikel 45, eerste lid, van de Erkenningsregeling APK, in samenhang met het derde lid en het vijfde lid, van dat artikel, aangezien het voertuig hierdoor niet beschikbaar was voor de in het kader van de steekproef geëiste herkeuring.

Met betrekking tot het toezicht op keuringen en het opleggen van sancties voert appellant een beleid, dat is neergelegd in de toezichtbeleidsbrieven van 1 maart 2000, die aan iedere erkenninghouder en keurmeester zijn verstrekt. Volgens dit beleid zal, als wordt geconstateerd dat een voertuig niet voor de steekproef beschikbaar is en niet al het mogelijke is gedaan om dit te voorkomen, dit worden opgevat als een ernstige overtreding. Appellant heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat het afwezig zijn van de autosleutels JaVé en [wederpartij] kan worden verweten, nu zij kennelijk een bedrijfsvoering en werkwijze hanteren die het risico in zich bergt dat autosleutels van door hen gekeurde voertuigen al dan niet per abuis worden meegenomen door de eigenaar van de auto. De rechtbank heeft dit miskend.

   Gelet op het voorgaande was appellant bevoegd om over te gaan tot intrekking van de keuringsbevoegdheid van [wederpartij] en intrekking van de erkenning van JaVé. Naar het oordeel van de Afdeling heeft appellant zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de door JaVé en [wederpartij] aangevoerde feiten en omstandigheden, die hebben geleid tot een voorwaardelijke intrekking van de erkenning en de keuringsbevoegdheid, niet zodanig bijzonder zijn, dat zij aanleiding hadden moeten vormen om geheel af te zien van het opleggen van een sanctie.

2.4.    Voorzover appellant in hoger beroep heeft betoogd dat JaVé en [wederpartij] tevens in strijd met artikel 41 van de Erkenningsregeling APK hebben gehandeld, omdat zij het desbetreffende voertuig aan een keuring hebben onderworpen terwijl het kentekenbewijs deel I nog niet aanwezig was op de keuringsplaats, overweegt de Afdeling dat dit in deze procedure buiten beschouwing dient te blijven, nu overtreding van dit artikel 41 niet aan de beslissing op bezwaar ten grondslag is gelegd en de grondslag van de beslissing op bezwaar in hoger beroep niet meer kan worden gewijzigd of aangevuld op een wijze als door appellant kennelijk beoogd.

2.5.    De conclusie is dat het hoger beroep gegrond is. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen van JaVé en [wederpartij] alsnog ongegrond verklaren.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juni 2004, reg. nrs. AWB 03/2496 WET en 03/2497 WET;

III.    verklaart de door Autobedrijf JaVé Gooimeer B.V. en [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Broodman

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2005

204-426.