Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS3181

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-01-2005
Datum publicatie
19-01-2005
Zaaknummer
200404952/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 27 mei 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergen (hierna: het college) appellant meegedeeld dat haar van rechtswege bouwvergunning is verleend voor een erfafscheiding op het perceel [locatie] te Bergen (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200404952/1.

Datum uitspraak: 19 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Bergen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 7 mei 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergen.

1.    Procesverloop

Bij brief van 27 mei 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergen (hierna: het college) appellant meegedeeld dat haar van rechtswege bouwvergunning is verleend voor een erfafscheiding op het perceel [locatie] te Bergen (hierna: het perceel).

Bij besluit van 20 mei 2003 heeft het college het tegen de bouwvergunning door de [stichting], voorheen Vereniging “Nieuw Bergen” (hierna: de stichting) gemaakte bezwaar gegrond verklaard, de van rechtswege verleende bouwvergunning herroepen en de gevraagde bouwvergunning alsnog geweigerd.

Bij uitspraak van 7 mei 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 15 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op 16 juni 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 juli 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 25 augustus 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De stichting heeft gereageerd bij brief van 27 juli 2004.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 december 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door zijn echtgenote, bijgestaan door mr. O.H. Minjon, advocaat te Alkmaar, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.I. Wever, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de stichting, vertegenwoordigd door haar [voorzitter], en [secretaris].

2.    Overwegingen

2.1.    De erfafscheiding is geprojecteerd op gronden die ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Bebouwde Kom” zijn bestemd voor “Tuin”.

   Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming “Tuin” bestemd voor siertuin.

   Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de planvoorschriften mogen op en boven deze gronden uitsluitend erfscheidingen, windschermen, keermuren en per bouwperceel ten hoogste één carport worden gebouwd met een maximale hoogte van 3 meter en een maximale oppervlakte van 18 m².

   Ingevolge artikel 2.5.18, eerste lid, van de bouwverordening van de gemeente Bergen (hierna: de bouwverordening) zijn erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 43, eerste lid, onder k, van de Woningwet niet toegelaten.

   Ingevolge artikel 2.5.18, tweede lid, van de bouwverordening kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te scheiden erf of terrein.

   Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder k, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde tot 1 januari 2003, voorzover van belang, is in afwijking van artikel 40, eerste lid, van die wet geen bouwvergunning vereist voor het plaatsen van een erf- of terreinafscheiding waarvan de hoogte, van de voet af gemeten, niet meer is dan 1 m. Indien de erfafscheiding wordt geplaatst op of rondom een erf of terrein waarop een gebouw staat, dan mag de afscheiding die achter de voorgevelrooilijn staat, ten hoogste 2 m zijn.

2.2.    Het bouwplan voorziet in een op het hoekperceel voor de voorgevelrooilijn geplaatste erfafscheiding met een hoogte van 1,60 meter. Voor de erfafscheiding is een bouwvergunning ingevolge de Woningwet vereist. Niet in geschil is dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan “Bebouwde Kom”.

2.3.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich bij zijn beslissing op bezwaar ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in strijd is met artikel 2.5.18, eerste lid, van de bouwverordening. Volgens appellant komt aan dat artikel in dit geval geen aanvullende werking toe omdat het bestemmingsplan “Bebouwde Kom” ter zake van de bestemming “Tuin” voorziet in een uitputtende regeling voor erfafscheidingen.

2.4.    Dat betoog faalt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de in voormeld artikel 14, tweede lid, genoemde hoogte van 3 meter slechts betrekking heeft op een carport en dat derhalve de toegestane hoogte van een erfafscheiding in dat voorschrift niet is begrensd. Nu het bestemmingsplan ook overigens geen voorschriften bevat met betrekking tot de hoogte van erfafscheidingen, heeft artikel 2.5.18, eerste lid, van de bouwverordening ter zake aanvullende werking. Anders dan appellant betoogt bevat dat artikel geen algeheel verbod van erfafscheidingen, maar volgt daaruit, mede gelet op voormeld artikel 43, eerste lid, aanhef en onder k, dat een erfafscheiding op het hier aan de orde zijnde gedeelte van het perceel niet hoger dan 1 meter mag zijn.

2.5.    Het subsidiaire betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid vrijstelling als bedoeld in artikel 2.5.18, tweede lid, van de bouwverordening heeft kunnen weigeren, faalt evenzeer. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat voor dat oordeel geen grond bestaat gelet op de onoverzichtelijke verkeerssituatie ter plaatse. Hieruit volgt reeds dat het college terecht de van rechtswege verleende bouwvergunning heeft herroepen en alsnog afwijzend heeft beslist op de bouwaanvraag. Hetgeen appellant verder nog heeft aangevoerd kan daaraan niet afdoen.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk    w.g. Schortinghuis

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2005

66-412.