Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS3175

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-01-2005
Datum publicatie
19-01-2005
Zaaknummer
200403864/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij tuchtrechtelijke uitspraak van 4 april 2001 heeft de Tuchtrechtcommissie van de Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen (de NAK) aan appellant een onvoorwaardelijke geldboete van ƒ 10.000,00 (€ 4.537,80) opgelegd, alsmede bepaald dat de NAK tot een bedrag van ƒ 5.000,00 (€ 2.268,90) ten laste van appellant bijzondere controlemaatregelen kan opleggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200403864/1.

Datum uitspraak: 19 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 7 april 2004 in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van Beroep van de Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen.

1.    Procesverloop

Bij tuchtrechtelijke uitspraak van 4 april 2001 heeft de Tuchtrechtcommissie van de Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen (de NAK) aan appellant een onvoorwaardelijke geldboete van ƒ 10.000,00 (€ 4.537,80) opgelegd, alsmede bepaald dat de NAK tot een bedrag van ƒ 5.000,00 (€ 2.268,90) ten laste van appellant bijzondere controlemaatregelen kan opleggen.

Bij besluit van 14 januari 2002 heeft de Raad van Beroep het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 april 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 mei 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 juni 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 20 juli 2004 heeft de Raad van Beroep van antwoord gediend.

Bij brief van 27 juli 2004 heeft de NAK, die op de voet van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht als belanghebbende is toegelaten, een memorie ingediend.

Bij brieven van 7 oktober 2004, 13 oktober 2004 en 14 oktober 2004 heeft appellant nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in kopie aan de andere partijen gezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 november 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. W.M. Bijloo, advocaat te Middelharnis, de Raad van Beroep, vertegenwoordigd door mr. O. Nijhuis, secretaris, en de NAK, vertegenwoordigd door mr. A.S.H. Kroon, bedrijfsjurist, en ir. P. Oosterveld, zijn verschenen. Voor appellant zijn tevens verschenen [partijen], die ter zitting desgevraagd het woord hebben gevoerd.

2.    Overwegingen

2.1.    Voormelde geldboete is aan appellant opgelegd omdat de Tuchtrechtcommissie van de NAK bij haar tuchtrechtelijke uitspraak van 4 april 2001 heeft geconcludeerd dat appellant een aantal in die uitspraak genoemde artikelen van het Keuringsreglement van de NAK heeft overtreden door voor uiteindelijke goedkeuring en certificering een partij Agria pootaardappelen, klasse A, sortering 35/50 mm van het oogstjaar 1999 aan te bieden, waaraan hoeveelheden aardappelen van onbekende herkomst waren toegevoegd, dan wel niet van de partijen pootaardappelen gescheiden zijn gebleven, zonder dit kenbaar te maken aan de NAK, alsmede dat appellant deze ten onrechte uiteindelijk goedgekeurde en van NAK-certificaten voorziene partijen heeft afgeleverd.

2.2.    Het oordeel van de rechtbank dat niet gezegd kan worden dat aan het besluit van 14 januari 2002 voor wat betreft de wijze van totstandkoming fundamentele gebreken kleven, wordt door de Afdeling gedeeld. Voorzover appellant ter zitting in hoger beroep betoogt dat de beslissing niet tot stand is gekomen conform de fundamentele beginselen van procesrecht omdat de secretaris van de Raad van Beroep en de griffier van de Tuchtrechtcommissie beiden in dienst zijn van de NAK en zij ook in de verdere procedure het standpunt van NAK hebben verdedigd, overweegt de Afdeling dat dit hier buiten beschouwing dient te blijven, nu niet valt in te zien waarom appellant dit niet eerder in de procedure heeft kunnen aanvoeren.

   Voorts heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat de Raad van Beroep zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat appellant door zijn handelen en werkwijze de in de uitspraak van 4 april 2001 genoemde artikelen van het Keuringsreglement van de NAK heeft overtreden. Voor de weerlegging van de grieven van appellant hiertegen verwijst de Afdeling naar de desbetreffende overwegingen in haar uitspraak van heden in zaak no. 200403866/1 (aangehecht), die als hier herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd. Tevens heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat de Raad van Beroep zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de opgelegde boete en maatregel ingevolge artikel 88, aanhef, onder 2e, sub d, van de Zaaizaad- en Plantgoedwet in overeenstemming zijn met de eerdergenoemde feiten en omstandigheden en met de ernst van de door appellant gepleegde overtreding.

   Gelet op het vorenstaande is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de Raad van Beroep in redelijkheid tot handhaving van het besluit van de Tuchtrechtcommissie van de NAK heeft kunnen komen.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.M. van Angeren, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.H. van Kreveld, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Angeren    w.g. Broodman

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2005

204-426.