Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS3173

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-01-2005
Datum publicatie
19-01-2005
Zaaknummer
200401393/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 29 november 2001 heeft een medewerker van de Stedelijke Woningdienst Amsterdam appellant desgevraagd een computeruitdraai gegeven met gegevens over appellants woning [locatie] te Amsterdam. Daarop staat in het vakje "Laatste huisvestingsvergunning" als dagtekening "02-11-2000" vermeld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2005/76

Uitspraak

200401393/1.

Datum uitspraak: 19 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 december 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

1.    Procesverloop

Op 29 november 2001 heeft een medewerker van de Stedelijke Woningdienst Amsterdam appellant desgevraagd een computeruitdraai gegeven met gegevens over appellants woning [locatie] te Amsterdam. Daarop staat in het vakje "Laatste huisvestingsvergunning" als dagtekening "02-11-2000" vermeld.

Bij besluiten van 31 januari 2002 heeft het college het tegen deze datumvermelding door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 4 december 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 februari 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 16 maart 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 21 april 2004 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van appellant. Dit is aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 oktober 2004, waar appellant in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.C. Smit, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vangt de termijn voor het indienen van een hoger-beroepschrift aan met ingang van de dag na die waarop de rechtbankuitspraak op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

   Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

   Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.1.1.    De aangevallen uitspraak is aangetekend verzonden op 4 december 2003, zodat de termijn voor het indienen van het hoger-beroepschrift ingevolge artikel 6:8, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van de Awb is begonnen op 5 december 2003 en geëindigd op 15 januari 2004.

2.1.2.    Het hoger-beroepschrift is op 10 februari 2004 ingekomen en derhalve niet binnen de termijn ingediend.

2.1.3.    Bezien moet worden of de te late indiening van het hoger-beroepschrift in het voorliggende geval verschoonbaar is, als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb.

   Op 31 december 2003 heeft de rechtbank de aangevallen uitspraak nogmaals per gewone post verzonden, aangezien zij de op 4 december 2003 aangetekend verzonden uitspraak retour heeft ontvangen. Appellant heeft gesteld dat een kennisgeving dat de aangetekend verzonden uitspraak tevergeefs op zijn adres is aangeboden en bij het postkantoor kon worden afgehaald, hem niet heeft bereikt.

   In de begeleidende brief bij de op 31 december 2003 per gewone post verzonden uitspraak staat, voorzover hier van belang, het volgende vermeld:

"Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open. Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na de bekendmaking (toezending) van deze brief een brief (beroepschrift) en een kopie van bijgaande uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (…)."

   In aanmerking genomen dat appellant uit deze brief heeft mogen afleiden dat hij binnen een termijn van zes weken na de toezending ervan nog tijdig een hoger-beroepschrift kon indienen, kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest door niet binnen de daarvoor geldende termijn een hoger-beroepschrift in te dienen. Niet-ontvankelijkverklaring wegens het na afloop van de termijn ingediende hoger-beroepschrift blijft derhalve achterwege.

2.2.    De Afdeling zal hierna beoordelen of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college het door appellant ingediende bezwaarschrift op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.3.    Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit waartegen op grond van artikel 7:1 in samenhang met artikel 8:1 van die wet bezwaar kan worden gemaakt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is een handeling die naar haar aard op rechtsgevolg is gericht.

2.3.1.    De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in de computeruitdraai slechts mededelingen zijn gedaan ten aanzien van de status van de woning en dat deze uitdraai geen op rechtsgevolg gericht besluit is zodat het college het door appellant ingediende bezwaarschrift op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Broodman

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2005

204-402.