Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS3172

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-01-2005
Datum publicatie
19-01-2005
Zaaknummer
200306911/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 januari 2003 heeft de gemeenteraad van Bergen op Zoom, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17 december 2002, het bestemmingsplan "Buitengebied Oost" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200306911/1.

Datum uitspraak: 19 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Roosendaal,

2.    [appellant sub 2], wonend te Bergen op Zoom,

3.    het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom,

4.    Franerex B.V., thans TNO Heimolen B.V., gevestigd te Bergen op Zoom,

5.    [appellanten sub 5], wonend te Bergen op Zoom,

6.    [appellant sub 6], wonend te Bergen op Zoom,

7.    [appellanten sub 7], wonend te Bergen op Zoom,

8.    [appellant sub 8], wonend te Bergen op Zoom,

9.    [appellant sub 9], wonend te Bergen op Zoom,

10.    [appellant sub 10], wonend te Moerstraten,

11.    Camping De Bergse Hoeve Bergen op Zoom B.V., gevestigd te Bergen op Zoom,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2003 heeft de gemeenteraad van Bergen op Zoom, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17 december 2002, het bestemmingsplan "Buitengebied Oost" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 16 september 2003, no. 898421, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld.

Bij brief van 29 april 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 14 juli 2004. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerder, [appellanten sub 5], [appellant sub 2], [appellant sub 10] en van [appellant sub 6]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 november 2004, waar [appellant sub 1], in persoon, [appellant sub 2], in persoon en bijgestaan door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, [appellant sub 10], in persoon en bijgestaan door mr. F. van der Heijden, advocaat te Amsterdam, en P.G.M. Backx, het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom, vertegenwoordigd door mr. E.M. Hendriksen, ambtenaar van de gemeente, en [appellant sub 6], in persoon, zijn verschenen.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. E.F.M. Vos, ambtenaar van de provincie. Namens de gemeenteraad is mr. E.M. Hendriksen, ambtenaar van de gemeente, verschenen.

2.    Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1.    Franerex B.V., thans TNO Heimolen B.V., voert in beroep onder meer aan dat verweerder ten onrechte aan een aantal nader in het beroepschrift aangeduide onderdelen van het plan goedkeuring heeft verleend. Deze beroepsonderdelen steunen niet op een bij verweerder ingebrachte bedenking.

   Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten voorzover dit beroep een grondslag heeft in een bij het college van gedeputeerde staten ingebrachte bedenking.

   Dit is slechts anders voorzover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest tijdig bedenkingen in te brengen.

   Geen van deze omstandigheden doet zich voor. Geen rechtvaardiging is gelegen in de door appellante gestelde omstandigheid dat op 15 oktober 2003 een aandelentransactie heeft plaatsgevonden waardoor TNO Beheer B.V. eigenaar is geworden van Franerex B.V. De strekking van de hiervoor genoemde bepalingen verzet zich ertegen dat deze later opgekomen omstandigheden een rol kunnen spelen.

   Het beroep is dan ook niet-ontvankelijk voorzover het gericht is tegen de goedkeuring van het plan.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

   De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het beroep van [appellant sub 10]

2.3.    Appellant voert aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de in het plan voorziene uitbreiding van het bouwblok van zijn glastuinbouwbedrijf aan de [locatie 1] te [plaats] en voorts dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voorzover het aan verdere uitbreiding van zijn kassen in de weg staat.

2.3.1.    De gemeenteraad acht uitbreiding van het glastuinbouwbedrijf tot in totaal 1,8 hectare aanvaardbaar en heeft daartoe de uitbreiding van het agrarisch bouwblok in het plan opgenomen.

2.3.2.    Verweerder stelt zich in zijn bestreden besluit op het standpunt dat de door appellant gewenste uitbreiding in strijd is met het streekplan Noord-Brabant 2002.

2.3.3.    Appellant exploiteert een glastuinbouwbedrijf waar aardbeien worden geteeld. De bedrijfswoning en andere bedrijfsgebouwen, waaronder een 8.800 vierkante meter grote kas, bevinden zich op het juist buiten het plangebied gelegen gedeelte van appellants perceel, in de gemeente Roosendaal. Het onbebouwde gedeelte van appellants perceel ligt grotendeels in het plangebied. Op dit perceelsgedeelte is, aansluitend aan de plangrens, een ruim 0,6 hectare groot bouwblok aangeduid.

   In het streekplan Noord-Brabant 2002 zijn appellants gronden aangeduid als "GHS-landbouw, leefgebied struweelvogels" en als "Regionale natuur- en landschapseenheid (RNLE)". Het streekplan vermeldt dat glastuinbouwbedrijven die zijn gelegen in de GHS hun bouwblok niet mogen uitbreiden, tenzij deze gelegen zijn in een doorgroeigebied. In het streekplan zijn mogelijke doorgroeigebieden aangeduid. Een mogelijk doorgroeigebied kan onder bepaalde voorwaarden de status van doorgroeigebied krijgen.

   De gronden waarop appellant zijn bedrijf wil uitbreiden zijn in het streekplan niet aangeduid als mogelijk doorgroeigebied en kunnen derhalve niet de status van doorgroeigebied verkrijgen. Hieraan doet niet af dat deze gronden op een digitale detailplankaart wel zijn aangeduid als mogelijk doorgroeigebied. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 17 december 2003 in zaak 200205489/1 (www.raadvanstate.nl) zijn de digitale detailplankaarten niet door provinciale staten vastgesteld, zodat deze – mede gelet op artikel 4a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 7, eerste lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 - geen deel uitmaken van het streekplan.

   Bij nadere memorie van 29 september 2004 heeft verweerder overgelegd een rapport van de provinciale directie Ecologie, bureau monitoring & evaluatie, van augustus 2004 getiteld "GHS-Leefgebied Struweelvogels, omgeving Het Laag, Halsteren". Verweerder heeft op grond van dit rapport zijn standpunt heroverwogen. Hij stelt zich thans op het standpunt dat de begrenzing van de GHS ter plaatse zodanig dient te worden aangepast dat de gronden van appellant buiten de GHS-landbouw komen te liggen en dat deze moeten worden aangemerkt als onderdeel van de AHS-landschap. Ten aanzien van de uitbreiding van glastuinbouwbedrijven in de AHS-landschap vermeldt het streekplan dat buiten doorgroeigebieden uitbreiding tot maximaal 3 hectare is toegestaan, mits dit in overeenstemming is met de natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, water- en bodemhuishoudkundige of milieuhygiënische kwaliteiten van het gebied.

   Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet voorts aanleiding ten dele zelf in de zaak te voorzien door goedkeuring te verlenen aan het ten behoeve van appellants bedrijf in het plan opgenomen bouwblok.

Het beroep van [appellant sub 6]

2.4.    Appellant voert aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden" betreffende zijn gronden aan de Vredenburg en aan de Ruytershoveweg. Appellant acht deze bestemming om hierna te noemen redenen te beperkend voor het tuinbouwbedrijf dat hij op deze gronden uitoefent.

2.4.1.    De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat de percelen van appellant kunnen worden aangemerkt als agrarische enclaves in bosgebied die belangrijke leef- en foerageergebieden vormen voor bos(rand)vogels en kleine zoogdieren en daarnaast een belangrijke belevingswaarde hebben.

2.4.2.    Verweerder acht de gelegde bestemming niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

2.4.3.    De gronden aan de Vredenburg bestaan uit twee percelen aan weerszijden van deze weg, die in totaal 2,3 hectare beslaan. Op deze percelen is een gekoppeld bouwblok aangeduid. Het perceel aan de Ruytershoveweg meet 2,2 hectare. Hier is geen bouwblok aangeduid.

   De gronden met de bestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden" zijn bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, behoud, herstel en de ontwikkeling van landschappelijke en natuurwaarden, behoud van landschapselementen, extensief recreatief medegebruik, behoud van cultuurhistorische waarden en een zendmast. Voor het aanbrengen van teeltondersteunende voorzieningen is een aanlegvergunning vereist. Het oprichten van teeltondersteunende kassen binnen het bouwblok is mogelijk na vrijstelling. De oppervlakte van deze kassen mag ten hoogste 2.500 vierkante meter bedragen. Het oprichten van bouwwerken buiten het bouwblok is mogelijk na vrijstelling. De oppervlakte van deze bouwwerken mag ten hoogste 30 vierkante meter bedragen.

   De gronden aan de Vredenburg zijn in het streekplan Noord-Brabant 2002 aangeduid als "RNLE-landschapsdeel". Deze aanduiding is blijkens het streekplan toegekend aan landbouwgronden die op zichzelf genomen geen bijzondere (potentiële) natuurwaarden bezitten, maar tot een regionale natuur- en landschapseenheid worden gerekend vanwege hun ligging ten opzichte van belangrijke bos- en natuurgebieden en aan landbouwgronden met bijzondere natuurwaarden binnen een RNLE. In het RNLE-landschapsdeel gaat het erom dat de ontwikkeling van natuur en landschap in de regionale eenheid als geheel wordt ondersteund.

   Het perceel aan de Ruytershoveweg is in het streekplan aangeduid als "GHS-natuur, overig bos- en natuurgebied". Ten aanzien van deze gronden vermeldt het streekplan dat moet worden gezorgd voor maximale rust en ruimte voor de ontwikkeling van de natuur- en landschapswaarden.

2.4.3.1.    Appellant maakt in de eerste plaats bezwaar tegen het in artikel 4.7 van de planvoorschriften opgenomen aanlegvergunningvereiste voor teeltondersteunende voorzieningen. Daartoe voert hij aan dat op of nabij zijn percelen geen waarden voorkomen die dit vergunningvereiste rechtvaardigen. Hij wijst er op dat hij reeds 25 jaar afdekfolie ten behoeve van de aardbeien- en rabarberteelt toepast.

   Verweerder wijst op de aanduiding van de percelen in het streekplan en op de relatie tussen de agrarische gronden en de in de nabijheid gelegen gronden met natuurwaarden. Omdat het gebruik van teeltondersteunende voorzieningen effect heeft op bepaalde waarden, acht hij een afweging door middel van een aanlegvergunning op zijn plaats.

   Ten aanzien van de percelen aan de Vredenburg wordt in het deskundigenbericht vermeld dat deze aan de noord- en oostzijde worden begrensd door een rommelig kampeerterrein en aan de westzijde door de afslag Bergen op Zoom-Noord van de ter plaatse nog door te trekken autosnelweg A4. Aan de zuidzijde grenzen de percelen aan de spoorlijn Bergen op Zoom – Roosendaal, ten zuiden waarvan een sportterrein is geprojecteerd. Vanaf de percelen zijn, over de kruising van de autosnelweg A4 en de spoorlijn heen, de gebouwen te zien van een warmtekrachtcentrale en van een sigarettenfabriek. Van duidelijke waarden, eventueel op de aansluitende percelen, is hier geen sprake, aldus het deskundigenbericht.

De Afdeling is niet gebleken dat dit onjuist is. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze percelen desondanks de ontwikkeling van natuur en landschap in de regionale eenheid als geheel ondersteunen. De aanduiding van deze percelen in het streekplan als "RNLE-landschapsdeel" kan derhalve niet dienen als motivering van dit onderdeel van het bestreden besluit. Het is mitsdien in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

   Ten aanzien van het perceel aan de Ruytershoveweg blijkt uit het deskundigenbericht dat aan drie zijden bosstroken of bossen aanwezig zijn. Aan de noord- en oostzijde zijn grotere groenelementen aanwezig. Gelet hierop is het aannemelijk dat in de omgeving van het perceel in enige mate natuurwaarden aanwezig zijn. De vermelding in de toelichting bij het bestemmingsplan "Lage Meren Oost" dat ter plaatse geen bijzondere natuurwaarden voorkomen, kan hieraan niet afdoen. Voorts is de aanduiding "GHS-natuur, overig bos- en natuurgebied" in het streekplan gericht op de ontwikkeling van deze waarden, welk beleid de Afdeling niet onredelijk acht. Verweerder heeft derhalve in redelijkheid het aanlegvergunningvereiste ten aanzien van dit perceel noodzakelijk kunnen achten.

   Voorzover appellant betoogt dat een dergelijk vereiste in het verleden ontbrak, overweegt de Afdeling dat aan een geldend bestemmingsplan in het algemeen geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan in dit geval een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit uitgangspunt.

   Voor de vrees van appellant dat de vergunning niet tijdig zal kunnen worden verleend zodat vorstschade kan optreden, bestaat geen grond, nu van de zijde van het gemeentebestuur is meegedeeld dat met het gebruik van de teeltondersteunende folie op zich wordt ingestemd en dat het goed mogelijk wordt geacht om appellant een vergunning te verlenen die de risico's voor zijn bedrijfsvoering zo veel mogelijk beperkt. Aan de omstandigheid dat in de plantoelichting wordt vermeld dat in de GHS-natuur teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwblok niet zijn toegestaan, komt te dezen geen betekenis toe, nu de voorwaarden voor het verlenen van een aanlegvergunning voor teeltondersteunende voorzieningen uitputtend zijn vermeld in artikel 4.7.4 van de planvoorschriften.

   Ten aanzien van de door appellant gemaakte vergelijking met de gemeentekwekerij en Advanta Seeds overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat die situaties zodanig overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie dat verweerder om deze reden niet heeft kunnen instemmen met het plan voorzover dit betrekking heeft op appellants het perceel aan de Ruytershoveweg.

2.4.3.2.    Appellant maakt voorts bezwaar tegen artikel 4.5.2, onder d, van de planvoorschriften, ingevolge welke bepaling burgemeester en wethouders vrijstelling kunnen verlenen voor het oprichten van teeltondersteunende kassen op het bouwblok. Hiervoor geldt een maximum van 2.500 vierkante meter. Appellant wenst dat dit maximum wordt vergroot tot 5.000 vierkante meter.

   De Afdeling stelt vast dat ingevolge artikel 3.5.2, onder c, van de planvoorschriften ten aanzien van gronden met de bestemming "Agrarisch gebied" vrijstelling kan worden verleend voor het oprichten van teeltondersteunende kassen op het bouwblok tot ten hoogste 5.000 vierkante meter. Verweerder heeft deze bepaling goedgekeurd. Blijkens het voorgaande is ter plaatse van appellants percelen aan de Vredenburg noch op de aansluitende percelen sprake van duidelijke landschappelijke of natuurlijke waarden. Ook overigens is niet gebleken dat deze percelen zich wezenlijk onderscheiden van de gronden waaraan de bestemming "Agrarisch gebied" is toegekend. Gelet hierop kan de aanduiding van deze percelen in het streekplan als "RNLE-landschapsdeel" niet dienen als motivering van dit onderdeel van het bestreden besluit. Het besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.4.3.3.    Appellant maakt vervolgens bezwaar tegen artikel 4.5.4 van de planvoorschriften, ingevolge welke bepaling burgemeester en wethouders vrijstelling kunnen verlenen voor het oprichten van bouwwerken met een oppervlak van maximaal 30 vierkante meter buiten het bouwblok. Appellant wenst op zijn perceel aan de Ruytershoveweg een gebouwtje te kunnen bouwen met een toiletvoorziening, een opslagruimte, een sorteerruimte en een koelruimte.

   De Afdeling stelt vast dat het perceel zich op relatief beperkte afstand bevindt van appellants percelen aan de Vredenburg, waaraan een agrarisch bouwblok is toegekend. De Afdeling ziet gelet hierop en in aanmerking nemend hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de ligging van het perceel in de "GHS-natuur, overig bos- en natuurgebied" geen aanleiding voor het oordeel dat het in artikel 4.5.4 van de planvoorschriften genoemde maximum niet in redelijkheid uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening noodzakelijk kon worden geacht.

2.4.3.4.    Appellant wenst voorts dat hem een groter bouwblok wordt toegekend.

   Het gekoppelde bouwblok ter plaatse van de percelen aan de Vredenburg bestaat uit drie gedeelten en is in totaal 7.600 vierkante meter groot. Gelet op de omvang van appellants bedrijf ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder dit bouwblok niet in redelijkheid toereikend heeft kunnen achten. Evenmin is gebleken dat de vorm van het bouwblok zodanig is, dat verweerder hiermee niet in redelijkheid heeft kunnen instemmen. Mitsdien bestond geen aanleiding dit onderdeel van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten.

2.4.3.5.    Appellant maakt ten slotte bezwaar tegen artikel 4.3.4 van de planvoorschriften voorzover daarin is bepaald dat erfafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn niet hoger dan 1 meter mogen zijn. Hij acht een hoogte van 2 meter noodzakelijk in verband met de aanwezigheid van honden op zijn terrein.

   De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat in het kader van de leefbaarheid van het buitengebied en de algemene regels met betrekking tot de stedenbouwkundige aanvaardbaarheid van bebouwing, dient te worden voorkomen dat gebouwen aan de voorzijde (straatkant) worden afgeschermd door hoge schuttingen of muren. Verweerder deelt de afweging zoals die door de raad is gemaakt. Indien een hogere afscheiding gewenst is om een hond op het erf te laten lopen kan achter de voorgevelrooilijn een hogere erfafscheiding worden opgericht.

   Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.4.4.    Uit het voorgaande volgt dat het beroep deels gegrond is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het in artikel 4.7 van de planvoorschriften opgenomen aanlegvergunningvereiste voor teeltondersteunende voorzieningen en aan artikel 4.5.2, onder d, van de planvoorschriften, een en ander voorzover betrekking hebbend op de percelen van appellant aan de Vredenburg.

   In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voorzover hier aan de orde, voor het overige anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder voor het overige terecht goedkeuring heeft verleend aan de onderdelen van het plan waarop het beroep betrekking heeft, zodat het beroep voor het overige ongegrond is.

Het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom betreffende de onthouding van goedkeuring aan enkele planvoorschriften

2.5.    Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de artikelen 3.8.2, onder b, sub 2, en 4.8.2, onder b, sub 2, van de planvoorschriften. In deze voorschriften is met betrekking tot gronden met de bestemming "Agrarisch gebied" respectievelijk "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden" bepaald dat het gebruik van gronden en/of opstallen voor de inpandige berging van caravans, boten, vouwwagens en kampeerauto's niet strijdig is met deze bestemmingen. Appellant voert aan dat steeds meer voormalige agrarische bedrijfsgebouwen voor dit doel worden gebruikt en dat deze regeling derhalve aansluit bij de gangbare praktijk en voorziet in een maatschappelijke behoefte.

2.5.1.    Verweerder stelt zich in zijn bestreden besluit op het standpunt dat in het streekplan Noord-Brabant 2002 dergelijke activiteiten worden aangemerkt als niet-agrarische bedrijvigheid die alleen kan worden toegestaan binnen bebouwingsconcentraties. Voorts is in deze bepalingen geen enkele beperking gesteld aan deze opslag. Het is hierdoor niet ondenkbaar dat na de ingebruikneming van een opstal ten behoeve van deze opslag vervolgens uitbreiding van de bebouwing ten behoeve van de agrarische functie noodzakelijk is waardoor onnodige verstening van het buitengebied zal plaatsvinden, dan wel dat alle bestaande bebouwing ten behoeve van deze opslag zal worden gebruikt waardoor in feite een niet-agrarisch bedrijf in het buitengebied wordt gevestigd zonder dat daarbij aan de voorwaarden voor hergebruik zoals genoemd in artikel 19.2.5 van de planvoorschriften wordt getoetst, aldus verweerder.

   Blijkens het verweerschrift acht verweerder een regeling die een verruiming mogelijk maakt voor het bergen van kampeermiddelen in beginsel aanvaardbaar. Op provinciaal niveau wordt gewerkt aan de opstelling van een beleidsnota op grond waarvan onder voorwaarden tot maximaal 1.000 vierkante meter van bestaande bebouwing mag worden benut voor dergelijke opslag. Verweerder acht de in het bestemmingsplan opgenomen regeling desalniettemin niet aanvaardbaar, nu daarin in het geheel geen criteria zijn gesteld.

2.5.2.    De constatering van verweerder dat de hier aan de orde zijnde bestemmingsplanvoorschriften zonder meer het gebruik van gronden en/of opstallen voor de inpandige berging van caravans, boten, vouwwagens en kampeerauto's toelaten, is juist. Het standpunt van verweerder dat aan dit gebruik met het oog op het in beginsel weren van niet-agrarische activiteiten uit het buitengebied beperkingen dienen te worden gesteld, acht de Afdeling niet onredelijk. Verweerder heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en heeft daarom terecht goedkeuring onthouden aan deze planvoorschriften.

   In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Voorzover appellant wijst op het op 17 mei 1997 goedgekeurde bestemmingsplan "Buitengebied" van de gemeente Halsteren overweegt de Afdeling dat, nog daargelaten dat sedertdien het streekplan Noord-Brabant 2002 in werking is getreden, niet is gebleken dat de daar aan de orde zijnde gevallen zodanig overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie, dat verweerder om deze reden had moeten instemmen met deze planvoorschriften.

   Dit beroepsonderdeel is ongegrond.

2.6.    Appellant stelt voorts dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan artikel 7.2.3, onder a, van de planvoorschriften. In dit voorschrift is met betrekking tot de gronden met de bestemming "Woondoeleinden" bepaald dat de inhoud van woningen niet meer mag bedragen dan 600 kubieke meter.

2.6.1.    Verweerder heeft aan deze bepaling goedkeuring onthouden omdat deze afwijkt van het streekplan Noord-Brabant 2002 zonder dat daarvoor een nadere motivering is gegeven. Verweerder heeft daartoe overwogen dat met het in het streekplan verwoorde beleid betreffende burgerwoningen in het buitengebied wordt beoogd te voorkomen dat kleinere woningen met verlies van karakteristiek kunnen worden uitgebreid. Het hier aan de orde zijnde bestemmingsplanvoorschrift betekent volgens verweerder dat een verdere verstening van het buitengebied optreedt die niet wordt ingegeven door eisen inzake woonkwaliteit. Dit klemt volgens verweerder te meer nu in het plangebied nog veel kleinere woningen aanwezig zijn, veelal op kleinere percelen. Verweerder acht het ongewenst dat al deze woningen zonder nadere afweging kunnen worden vergroot tot 600 kubieke meter.

2.6.2.    Appellant voert aan dat het bestemmingsplan een samenvoeging is van diverse andere plannen voor buitengebieden met uiteenlopende juridische regelingen wat betreft de maatvoering van burgerwoningen, welke varieert van 450 kubieke meter tot 700 kubieke meter. De meeste woningen bevinden zich in het gebied Heimolen en hebben een inhoud van zelfs 700 kubieke meter. Door aan te sluiten bij de ook door de provincie aanvaarde maat van 600 kubieke meter is getracht ongelijkheid te voorkomen. De door de provincie voorgestane uitbreiding met 10 procent leidt ertoe dat kleine woningen in absolute zin minder kunnen worden uitgebreid dan grotere woningen, terwijl juist bij kleinere woningen de uitbreidingsbehoefte het grootst is. Voorts vraagt appellant zich af, of de provinciale opvatting dat woningen die kleiner zijn dan 600 kubieke meter beeldbepalend zijn door hun kleinschaligheid, juist is. De algemene trend is dat mensen die een woning in het buitengebied kopen behoefte hebben aan geriefverbetering van hun pand. In veel gevallen wordt gezocht naar een landelijke inpassing in het landschappelijke beeld, waardoor het karakter van landelijk wonen wordt versterkt. Gelet hierop acht appellant de behoefte om tot een aanvaardbare maatvoering van 600 kubieke meter uit te groeien niet onredelijk. Hierdoor ontstaat een kwaliteitsverbetering van het platteland die ook in ruimtelijk verband wordt nagestreefd. Bovendien is een gemeentelijke welstandnota in voorbereiding waarmee kan worden voorkomen dat ontsierende vergrotingen plaatsvinden. Voorts stelt appellant dat door het vasthouden aan het provinciale beleid tweeslachtigheid ontstaat omdat in het kader van de Ruimte voor ruimteregeling een soepeler standpunt ten aanzien van landelijk wonen wordt ingenomen. De ruimtelijke kwaliteit van het landelijke gebied staat voorop, waarbij de strikte hantering van de inhoudsmaat geen criterium kan zijn. Het hanteren van gedetailleerde regelgeving staat aan de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen in de weg, aldus appellant.

2.6.3.    In het streekplan Noord-Brabant 2002 is ten aanzien van bestaande burgerwoningen in het buitengebied bepaald dat deze mogen worden vergroot met ten hoogste 10 procent tot een maximum van 600 kubieke meter. Indien de vergroting leidt tot verhoging van de bestaande beeldbepalende kwaliteiten in de omgeving kunnen deze maxima worden overschreden. Bij de vergroting van karakteristieke woningen, zoals dijkwoningen en voormalige landarbeiderswoningen, moet worden aangesloten bij de karakteristieke kenmerken. Kleine woningen mogen in ieder geval worden vergroot tot 450 kubieke meter zodat deze kunnen voldoen aan de minimale woonkwaliteit van deze tijd. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk.

   Hetgeen appellant aanvoert laat onverlet dat een groot aantal woningen in het plangebied zonder nadere afweging aanmerkelijk kan worden vergroot. De stelling van verweerder dat zulks ten koste kan gaan van de karakteristiek van deze woningen, acht de Afdeling niet zonder grond. Voorts moet worden vastgesteld dat hierdoor de verstening van het buitengebied toeneemt. Naar het oordeel van de Afdeling kan hetgeen appellant aanvoert niet leiden tot het oordeel dat verweerder in dit geval niet in redelijkheid aan het streekplan heeft kunnen vasthouden. Verweerder heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en heeft daarom terecht goedkeuring onthouden aan dit planvoorschrift. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

   Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat geen bezwaar bestaat tegen gegrondverklaring van het beroep, nu inmiddels een partiële herziening van het streekplan in procedure is, ingevolge welke de maximale inhoudsmaat voor woningen generiek wordt verruimd tot 600 kubieke meter. De Afdeling overweegt dienaangaande dat deze omstandigheid er niet aan afdoet dat verweerder gehouden was het bestemmingsplan te toetsen aan het streekplan Noord-Brabant 2002 zoals dat ten tijde van het bestreden besluit luidde. De enkele omstandigheid dat inmiddels een partiële streekplanherziening in voorbereiding is kan derhalve niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden.

   Dit beroepsonderdeel is mitsdien ongegrond.

Het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom betreffende de onthouding van goedkeuring aan een aantal plandelen met de bestemming "Woondoeleinden" en het beroep van [appellanten sub 5] betreffende het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" betreffende het perceel [locatie 2]

2.7.    Het college van burgemeester en wethouders stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de plandelen met de bestemming "Woondoeleinden" betreffende de percelen gelegen aan het Heihufke, behoudens nummers [locatie 3] en [locatie 4], de woningen langs de [locaties 5], de woningen langs de [locaties 6], de woning achter [locatie 7], de woning [locatie 8] (lees: [locatie 2]) en de woning [locatie 9]. Het college voert daartoe aan dat nagenoeg alle recreatiewoningen al jarenlang permanent worden bewoond en dat handhaving niet als een adequaat middel kan worden aangemerkt.

   [appellanten sub 5] stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" betreffende het perceel [locatie 2]. Zij voeren aan dat ter plaatse sinds 1958 een woning aanwezig is, dat in 1990 bouwvergunning is verleend voor nieuwbouw en de straatnaam- en huisnummeraanduiding schriftelijk zijn bepaald en dat dit adres feitelijk en officieel hun woonadres is. Ook stellen zij dat de woonbestemming van andere recreatiewoningen wel is goedgekeurd. Ten slotte voeren zij aan dat op hun perceel geen uitgesproken natuurwaarden voorkomen.

2.7.1.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat het voormalige als zodanig bestemde recreatiewoningen betreft. De omzetting van de recreatiebestemming in een woonbestemming is niet in overeenstemming met het streekplan. In het feitelijk gebruik als burgerwoning ziet verweerder geen aanleiding van dit beleid af te wijken. Daarbij heeft verweerder ook de omvang en de kwaliteit van een groot aantal van deze opstallen in aanmerking genomen. De toegekende woonbestemming maakt een aanmerkelijke uitbreiding mogelijk. Verweerder acht een regeling die is gericht op beëindiging van het gebruik als permanente woning aangewezen.

2.7.2.    Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het toekennen van een woonbestemming aan panden die in het voorgaande bestemmingsplan niet als zodanig bestemd waren, te dezen moet worden beschouwd als het toevoegen van nieuwe burgerwoningen aan het buitengebied. Het in het streekplan verwoorde beleid om burgerwoningen uit het buitengebied te weren, acht de Afdeling niet onredelijk. In de al geruime tijd durende permanente bewoning behoefde verweerder in redelijkheid geen aanleiding te zien om, in afwijking van het streekplan, in te stemmen met de toegekende woonbestemming.

   Ten aanzien van de door [appellanten sub 5] genoemde bouwvergunning overweegt de Afdeling dat deze is verleend ten behoeve van een recreatiewoning. Voorts is gebleken dat verweerder geen goedkeuring heeft onthouden aan de plandelen met de bestemming "Woondoeleinden" betreffende de percelen [locaties 10]. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat dit op een vergissing berust. De Afdeling is van oordeel dat deze vergissing, gelet op het grote aantal tot "Woondoeleinden" bestemde panden in het plangebied, de consistentie van het bestreden besluit niet zozeer aantast dat [appellanten sub 5] met vrucht een beroep op het gelijkheidsbeginsel kunnen doen.

   Ook in de overigens door appellanten aangevoerde omstandigheden behoefde verweerder in redelijkheid geen aanleiding te zien om, in afwijking van het streekplan, in te stemmen met de toegekende woonbestemming. De Afdeling neemt voorts in aanmerking dat, indien beëindiging van de bewoning niet mogelijk zou blijken, aan de betrokken belangen recht kan worden gedaan door het opnemen van persoonsgebonden overgangsrecht.

   Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Verweerder heeft daarom terecht goedkeuring onthouden aan deze plandelen. Dit onderdeel van het beroep van het college van burgemeester en wethouders en het beroep van [appellanten sub 5] zijn mitsdien ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.8.    Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" betreffende het perceel [locatie 11]. Daartoe voert hij aan dat het gebouw van meet af aan bewoond is geweest en dat deze bewoning niet in strijd was met het destijds geldende bestemmingsplan, althans dat daarvoor moet worden geacht vrijstelling te zijn verleend.

2.8.1.    De gemeenteraad stelt dat de bestemming "Woondoeleinden" is toegekend conform het bestaande, feitelijke gebruik. Beoogd is recht te doen aan de ontstane situatie, mede gelet op het tijdsverloop, de ruimtelijke uitstraling van het geheel en de omstandigheid dat hierdoor geen afbreuk aan de ruimtelijke kwaliteiten ter plaatse wordt gedaan. Bovendien is in aanmerking genomen dat sprake is van een situatie die reeds in de toenmalige gemeente Woensdrecht is ontstaan en dat geen landschappelijke en/of natuurwaarden aanwezig zijn.

2.8.2.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat de bestemming "Woondoeleinden" in strijd is met het in het streekplan vervatte beleid om burgerwoningen uit het buitengebied te weren. Voorts stelt hij dat de bewoning onder de destijds vigerende regeling illegaal was en daarmee niet onder het overgangsrecht van het voorgaande plan valt. Verweerder acht een regeling die is gericht op beëindiging van het gebruik als woning aangewezen.

2.8.3.    Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het toekennen van een woonbestemming aan een pand dat in het voorgaande bestemmingsplan niet als zodanig bestemd was, te dezen moet worden beschouwd als het toevoegen van een nieuwe burgerwoning aan het buitengebied. Het in het streekplan verwoorde beleid om burgerwoningen uit het buitengebied te weren, acht de Afdeling niet onredelijk.

   Wat er ook zij van de vraag of de bewoning van het pand is ontstaan overeenkomstig het destijds vigerende "Uitbreidingsplan in hoofdzaken", zelfs indien daardoor op de bewoning het overgangsrecht van het op 1 oktober 1991 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Woensdrecht-Noord" van toepassing zou zijn, dan nog brengt dit niet mee dat verweerder in beginsel gehouden was in afwijking van het streekplan goedkeuring te verlenen aan de woonbestemming, nu het overgangsrecht was gericht op beëindiging van de bewoning binnen de planperiode. In de door appellant en de gemeenteraad aangevoerde omstandigheden behoefde verweerder evenmin in redelijkheid aanleiding te zien om van het streekplan af te wijken. De Afdeling neemt voorts in aanmerking dat, indien beëindiging van de bewoning niet mogelijk zou blijken, aan de betrokken belangen recht kan worden gedaan door het opnemen van persoonsgebonden overgangsrecht.

   Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Verweerder heeft daarom terecht goedkeuring onthouden aan dit plandeel.

   Het beroep is mitsdien ongegrond.

Het beroep van Franerex B.V., thans TNO Heimolen B.V., voorzover ontvankelijk

2.9.    Appellante stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan artikel 8.4, onder a, van de planvoorschriften voorzover dit betrekking heeft op de bestemming "Niet-agrarische bedrijven" met de nadere aanduiding "Munitiefabriek (mf)". Ingevolge deze bepaling kunnen burgemeester en wethouders, onder verlening van vrijstelling van het bepaalde in artikel 8.2, de in dat artikel opgenomen maximale bebouwde oppervlakte met maximaal 15 procent vergroten.

2.9.1.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aan de gronden van appellante toegekende bestemming een rechtstreekse uitbreidingsmogelijkheid van ongeveer 15 procent biedt. Verdere uitbreiding is in strijd met het streekplan. Van een grotere uitbreidingsbehoefte is verweerder niet gebleken.

2.9.2.    De gronden van appellante zijn deels bestemd als "Niet-agrarische bedrijven" met de nadere aanduiding "Munitiefabriek (mf)". Ingevolge artikel 8.2.1 in samenhang met de aanduidingen op de plankaart geldt voor het grootste gedeelte van het binnen het bestemmingsvlak aangeduide bouwvlak een bebouwingspercentage van 15; voor het overige gedeelte van het bouwvlak geldt een percentage van 50.

   In het streekplan Noord-Brabant 2002 wordt ten aanzien van niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid vermeld dat bestaande bedrijven een uitbreidingsruimte krijgen van maximaal 15 procent van de volgens het bestemmingsplan of verleende vrijstellingen toegestane bebouwingsoppervlakte. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk.

   De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in dit geval niet in redelijkheid aan dit beleid heeft kunnen vasthouden. Weliswaar zal de geboden uitbreidingsmogelijkheid na de aanleg van een schietbaan zijn uitgeput, doch de noodzaak van een verdere uitbreiding met 15 procent ter verzekering van de continuïteit van het bedrijf is niet aannemelijk gemaakt.

   Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft onthouden aan dit onderdeel van het plan.

   Dit beroepsonderdeel is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.10.    Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Recreatieve doeleinden" met de nadere aanduiding "Kampeerterrein (KA)" betreffende zijn perceel aan de Vredenburg, kadastraal bekend gemeente Bergen op Zoom, sectie […], nummer […]. Hij acht deze bestemming te beperkend nu deze niet voorziet in de mogelijkheid twee caravans op het perceel te plaatsen.

2.10.1.    De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat hij een restrictief beleid met betrekking tot het oprichten van permanente recreatieve voorzieningen voert en dat onduidelijk is op welke basis een tweede stacaravan zou moeten worden toegestaan.

2.10.2.    Verweerder kan instemmen met het restrictieve beleid van de gemeenteraad. Voorts stelt hij zich op het standpunt dat de bestaande standplaatsen als zodanig zijn bestemd. De uitbreidingsmogelijkheden zijn beperkt vanwege de omringende bos- en natuurgebieden. Verweerder is van mening dat geen argumenten zijn aangedragen op grond waarvan medewerking moet worden verleend aan een uitbreiding van het aantal standplaatsen voor stacaravans op appellants terrein.

2.10.3.    Ingevolge artikel 6.1.1 van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming "Recreatieve doeleinden" bestemd voor recreatieve doeleinden conform de in artikel 6.2.1 opgenomen Staat van recreatieve voorzieningen. In artikel 6.2.1 is voor de gronden met de aanduiding "Kampeerterrein (KA)" voor een aantal nader genoemde adressen het aantal standplaatsen voor stacaravans opgenomen.

   Blijkens het deskundigenbericht maakt het perceel van appellant deel uit van een terrein dat in artikel 6.2.1 is aangeduid als "Vredenburg ongen.". Voor dit adres bedraagt het aantal toegestane standplaatsen 50.

Blijkens de plantoelichting bestaat het terrein "Vredenburg ongen." uit particuliere terreintjes met in totaal circa 50 stacaravans. Blijkens het deskundigenbericht betreft het 41 particuliere terreintjes.

   De Afdeling stelt allereerst vast dat de begrenzing van het terrein met het adres "Vredenburg ongen." niet op de plankaart is aangeduid en evenmin op andere wijze uit het plan kan worden afgeleid.

   De Afdeling stelt voorts vast dat weliswaar is beoogd de feitelijk aanwezige stacaravans als zodanig te bestemmen en geen uitbreidingsmogelijkheden toe te staan, doch dat in het plan slechts het totaal aantal standplaatsen voor stacaravans is vastgelegd. Uit het plan kan niet worden afgeleid welk aantal stacaravans appellant op zijn perceel mag plaatsen.

   Gelet op het vorenstaande is het plan in zoverre vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Door het plan niettemin in zoverre goed te keuren heeft verweerder gehandeld in strijd met dit beginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover het betrekking heeft op het plandeel betreffende appellants perceel. Voorts ziet de Afdeling aanleiding aan dit plandeel goedkeuring te onthouden.

Het beroep van [appellanten sub 7], [appellant sub 8] en [appellant sub 9] (hierna: [appellanten sub 7] en anderen) en het beroep van Camping De Bergse Hoeve Bergen op Zoom B.V. (hierna: De Bergse Hoeve)

2.11.    Verweerder heeft bij zijn bestreden besluit, onder gegrondverklaring in zoverre van de bedenkingen van De Bergse Hoeve, goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" betreffende gronden grenzend aan de camping De Bergse Hoeve. Daartoe heeft hij overwogen dat in de weerlegging van de zienswijze niet is ingegaan op het door De Bergse Hoeve opgestelde bedrijfsplan, terwijl het bedrijf gevestigd is in een verbredingsgebied als bedoeld in artikel 19.1 van de planvoorschriften en geen bijzondere waarden zich verzetten tegen de uitbreiding. Verweerder benadrukt dat hij geen inhoudelijk oordeel geeft over het ingediende bedrijfsplan. Hij acht het primair de bevoegdheid van de gemeenteraad om te beoordelen of en in hoeverre de plannen van De Bergse Hoeve passen in het door de gemeente voorgestane beleid.

   Ten aanzien van de boerderij aan de [locatie 12], die deel uitmaakt van het plandeel waaraan verweerder om de hierboven genoemde redenen goedkeuring heeft onthouden, heeft verweerder overwogen dat het een bouwval betreft die al jarenlang geen agrarische functie meer heeft. Nu voorts op de omliggende gronden geen agrarische activiteiten plaatsvinden is verweerder van mening dat ter plaatse van het pand geen agrarisch bouwblok behoefde te worden opgenomen.

2.11.1.    [appellanten sub 7] en anderen stellen dat verweerder ten onrechte aan dit plandeel goedkeuring heeft onthouden. Zij achten uitbreiding van de camping ongewenst. Daartoe wijzen zij onder meer op de nabijheid van de vuilstortplaats Kragge II. Voorts stellen zij dat de gemeenteraad in een eerder stadium afwijzend heeft beslist over uitbreiding van de camping.

2.11.1.1.    Het plandeel waaraan goedkeuring is onthouden, is op plankaart 2 aangeduid als "Verbredingsgebied". Blijkens de in artikel 19 van de planvoorschriften opgenomen Beschrijving in hoofdlijnen is het beleid in dit gebied gericht op een verdere recreatieve ontwikkeling. Het vormt een zoekgebied voor nieuwe recreatieve ontwikkelingen. Concretisering en realisering van plannen vindt plaats door middel van de toepassing van artikel 19 WRO dan wel planherziening.

   Blijkens de beantwoording van de onder meer door [appellanten sub 7] ingediende zienswijze, is in het plan nog geen rekening gehouden met uitbreidingswensen omdat in de eerste plaats naar kwaliteitsverbetering wordt gestreefd in plaats van uitbreiding. Een grondige inventarisatie is hiervoor nodig. Pas aan de hand van een bedrijfsplan moet blijken of uitbreiding gewenst en noodzakelijk is.

   Gebleken is dat De Bergse Hoeve over een uit 1998 daterend bedrijfsplan beschikt dat is opgesteld in het kader van een planschadeprocedure in verband met de realisering van de stortplaatsen Kragge I en II en een overslagstation. Van de zijde van het gemeentebestuur is niet weersproken dat dit plan bekend was. Mede in aanmerking nemend de onderzoeksplicht die ingevolge artikel 9, eerste lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 op het college van burgemeester en wethouders rust bij de voorbereiding van de vaststelling van een bestemmingsplan, heeft verweerder op goede gronden geoordeeld dat de inhoud van het bedrijfsplan bij de gemeentelijke besluitvorming had moeten worden betrokken. Nu hiervan niet is gebleken heeft verweerder terecht geoordeeld dat nader dient te worden bezien in hoeverre de toegekende bestemming aanpassing behoeft. Hieraan doet niet af dat de gemeenteraad zich in ander verband over een uitbreiding van de camping heeft uitgesproken, nu noch uit de plantoelichting, noch uit het vaststellingsbesluit, noch anderszins kenbaar is dat de gemeenteraad deze besluiten tevens aan de vaststelling van dit bestemmingsplan ten grondslag heeft gelegd.

   Wat betreft de stelling van [appellanten sub 7] en anderen dat uitbreiding van de camping niet wenselijk is vanwege de nabijheid van de vuilstortplaats, overweegt de Afdeling dat de overwegingen van het bestreden besluit er niet aan in de weg staan dat deze kwestie in het kader van het ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening op te stellen bestemmingsplan wordt bezien.

2.11.2.    De Bergse Hoeve kan zich niet verenigen met de onthouding van goedkeuring voorzover daaraan niet ten grondslag is gelegd de overweging dat aan de boerderij een agrarisch bouwblok dient te worden toegekend. Daartoe voert zij aan dat ter plaatse ook een stal staat die nog steeds wordt gebruikt en dat haar plannen ten aanzien van het perceel door de planschadeprocedure vertraging hebben opgelopen.

2.11.2.1.    Blijkens het deskundigenbericht is van bedrijfsmatig agrarisch gebruik van wat ter plaatse nog aan bebouwing aanwezig is – een bouwval en een stal – al jaren geen sprake meer. Voorts is op geen enkele wijze gebleken van concrete plannen voor het oprichten van een agrarisch bedrijf met het bedrijfscentrum op de gronden waar zich de bouwval en de stal bevinden, zo wordt in het deskundigenbericht gesteld. De Afdeling is niet gebleken dat dit onjuist is. Gelet hierop heeft verweerder op goede gronden het ontbreken van een bouwblok niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht.

2.11.3.    In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" betreffende gronden grenzend aan de camping De Bergse Hoeve anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Dit onderdeel van de beroepen van De Bergse Hoeve en van [appellanten sub 7] en anderen is mitsdien ongegrond.

2.12.    Verweerder heeft voorts bij zijn bestreden besluit, onder gegrondverklaring in zoverre van de bedenkingen van De Bergse Hoeve, goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming "Recreatieve doeleinden" met de nadere aanduiding "Kampeerterrein (KA)" betreffende het pand [locatie 13], waarvan het cafégedeelte in 2003 door brand is verwoest. Daartoe heeft hij overwogen dat uit het raadsbesluit niet blijkt dat met de voorgaande, ruimere horecabestemming rekening is gehouden en dat niet is bezien in hoeverre de bestaande horecavoorziening is gerelateerd aan de camping dan wel een zelfstandige functie vervult. Verweerder stelt zich op het standpunt dat, gelet op zijn beoordeling van de door De Bergse Hoeve gewenste uitbreiding van de camping, de situatie ter plaatse in zijn totaliteit moet worden bezien.

2.12.1.    De Bergse Hoeve kan zich niet verenigen met de overwegingen die aan de onthouding van goedkeuring ten grondslag zijn gelegd. Haars inziens heeft verweerder miskend dat het café al jaren veel wordt bezocht door mensen uit de omgeving en door mensen die op het kampeerterrein verblijven en dat de zelfstandige horecabestemming die in het voorgaande plan was opgenomen gehandhaafd dient te worden.

2.12.2.    [appellanten sub 7] en anderen achten het omzetten van een kantine naar een horecabedrijf ongewenst vanwege de bestaande en te verwachten overlast.

2.12.3.    Ingevolge artikel 6.1.1 in samenhang met artikel 6.2.1 van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming "Recreatieve doeleinden" met de nadere aanduiding "Kampeerterrein (KA)" bestemd voor kampeerterrein. Ingevolge artikel 6.2.3 van de planvoorschriften zijn op deze gronden toegestaan, voorzover hier van belang, gebouwen en andere bouwwerken passend binnen de bestemming zoals gemeenschappelijke voorzieningen in de vorm van receptie, kantine, verblijfsruimten, sanitaire voorzieningen en dergelijke. Ingevolge artikel 6.3.1 is het verboden gronden en opstallen te gebruiken in strijd met de bestemming. Gelet hierop moet worden vastgesteld dat een zelfstandige horecafunctie ter plaatse niet is toegestaan.

   De gemeenteraad stelt zich blijkens de beantwoording van de zienswijzen op het standpunt dat het café uitsluitend gericht dient te zijn op het kampeerterrein en dat daarop ook in het verleden steeds gewezen is.     Verweerder heeft op goede gronden overwogen dat uit het raadsbesluit niet blijkt dat met de voorgaande, ruimere horecabestemming rekening is gehouden en dat niet is bezien in hoeverre de bestaande horecavoorziening is gerelateerd aan de camping dan wel een zelfstandige functie vervult. Verweerder heeft dan ook terecht geoordeeld dat nader dient te worden bezien in hoeverre de toegekende bestemming aanpassing behoeft.

   Wat betreft de bezwaren van De Bergse Hoeve en van [appellanten sub 7] en anderen overweegt de Afdeling dat de overwegingen van het bestreden besluit er niet aan in de weg staan dat deze in het kader van het ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening op te stellen bestemmingsplan worden behandeld.

   In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit onderdeel van het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Dit onderdeel van de beroepen van De Bergse Hoeve en van [appellanten sub 7] en anderen is mitsdien ongegrond.

Proceskosten

2.13.    Verweerder dient ten aanzien van [appellant sub 10] op de na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellant sub 6] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de overige appellanten bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van Franerex B.V., thans TNO Heimolen B.V., niet-ontvankelijk voorzover het gericht is tegen de goedkeuring van het plan;

II.    verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 10] geheel gegrond en het beroep van [appellant sub 6] deels gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 16 september 2003, no. 898421, voorzover daarbij:

A. goedkeuring is onthouden aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden" met de nadere aanduidingen "Agrarisch bouwblok" en "glastuinbouwbedrijf" nabij de [locatie 1] te [plaats], nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart;

B. goedkeuring is verleend aan:

1. het plandeel met de bestemming "Recreatieve doeleinden" en de nadere aanduiding "Kampeerterrein (KA)" betreffende het perceel aan de Vredenburg, kadastraal bekend gemeente Bergen op Zoom, sectie […], nummer […], nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart;

2. het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden" met de nadere aanduiding "struweelvogelbiotoop" nabij de [locatie 1] te [plaats], nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart;

3. artikel 4.7 van de planvoorschriften, voorzover het betreft het aanlegvergunningvereiste voor teeltondersteunende voorzieningen voorzover betrekking hebbend op gronden aan de Vredenburg, nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart;

4. artikel 4.5.2, onder d, van de planvoorschriften, voorzover betrekking hebbend op gronden aan de Vredenburg, nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart;

IV.    verleent goedkeuring aan het onder III.A bedoelde plandeel;

V.    onthoudt goedkeuring aan het onder III.B.1 bedoelde plandeel;

VI.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit wat betreft het onder III.A bedoelde plandeel en wat betreft het onder B.1 bedoelde plandeel;

VII.    verklaart de beroepen van [appellant sub 2], het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom, [appellanten sub 5], [appellanten sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9] en Camping De Bergse Hoeve Bergen op Zoom B.V. geheel ongegrond en het beroep van Franerex B.V., thans TNO Heimolen B.V., en [appellant sub 6] voor het overige ongegrond;

VIII.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de door [appellant sub 10] in verband met de behandeling van zijn beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 805,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; dit bedrag dient door de provincie Noord-Brabant te worden vergoed;

IX.    gelast dat de provincie Noord-Brabant aan [appellant sub 1], [appellant sub 6] en [appellant sub 10] het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht (aan ieder € 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton    w.g. De Groot

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2005.

210.