Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS3159

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-01-2005
Datum publicatie
19-01-2005
Zaaknummer
200405783/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 november 2003 heeft de gemeenteraad van Bergen op Zoom, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 30 september 2003, het bestemmingsplan “Gageldonk-West” vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200405783/1.

Datum uitspraak: 19 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellanten sub 2], allen wonend te [woonplaats]

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 november 2003 heeft de gemeenteraad van Bergen op Zoom, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 30 september 2003, het bestemmingsplan “Gageldonk-West” vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 8 juni 2004, nummer 963648, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 12 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 13 juli 2004, appellanten sub 2 bij brief van 25 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 2004, beroep ingesteld. Appellant sub 1 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 24 augustus 2004.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 november 2004, waar appellant sub 1 in persoon, appellanten sub 2 in de persoon van [een der appellanten sub 2] en verweerder, vertegenwoordigd door mr. G.C. Toenbreker, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is de gemeenteraad, vertegenwoordigd door drs. E.P.A.M. Kleverwal-Weterings, ambtenaar van de gemeente, daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om – in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen – te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht.

Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2.    Het plan voorziet in actualisering van een groot aantal verouderde plannen in het plangebied en heeft voornamelijk een conserverend karakter.

2.3.    [Appellant sub 1] voert in beroep aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 6, lid 1.4, onder d, van de planvoorschriften op grond waarvan in het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden (W)” en de subbestemming “gemengde doeleinden watertoren (Wgdw)”, horacabedrijven als bedoeld in categorie 1b van de Staat van Horeca-activiteiten zijn toegelaten. Appellant vreest dat dit zal leiden tot een toename van de verkeers- en parkeerdruk in de Abeelstraat en in de directe omgeving van deze straat. Appellant betwist in dit verband dat op het perceel [locatie 1] voldoende ruimte beschikbaar is voor de aanleg van parkeerplaatsen. Bovendien is appellant van mening dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Verkeersdoeleinden” betreffende dit perceel gelet op de eigendomssituatie. Daarnaast voert appellant aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Verkeersdoeleinden” voor de Abeelstraat, voorzover het betreft de westelijke groenstrook van de percelen nummers [locatie 2] en [locatie 3]. Appellant vreest dat door de mogelijke aanleg van parkeerplaatsen ten behoeve van de in het plan voorziene horeca-activiteiten deze groenstrook zal verdwijnen. Ten slotte voert appellant aan dat verweerder ten onrechte artikel 6, lid 4.3, van de planvoorschriften heeft goedgekeurd, voorzover daarin is voorzien de bestemming van het desbetreffende perceel te wijzigen in de bestemming "Horecadoeleinden".

2.3.1.    De gemeenteraad heeft aan het desbetreffende perceel de subbestemming “gemengde doeleinden watertoren (Wgdw)” toegekend om de voormalige watertoren en de uiterlijke verschijningsvorm daarvan te behouden. De watertoren is aangewezen als rijksmonument. Daarnaast heeft de gemeenteraad bij de vaststelling van de bestreden artikelleden in aanmerking genomen dat de definitieve plannen met de watertoren niet bekend zijn zodat in het plan rekening wordt gehouden met diverse gebruiksmogelijkheden. De gemeenteraad verwacht, gelet op de beschikbare ruimte in de voormalige watertoren, dat de toename van de verkeers- en parkeerdruk ten gevolge van de in het plan toegelaten horeca-activiteiten gering zal zijn. Verder is de gemeenteraad van mening dat het groen aan de Abeelstraat geen te beschermen waarde heeft binnen de ruimtelijke opzet van het plan.

2.3.2.    Verweerder heeft geen reden gezien bedoelde gedeelten van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Hij onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad.  Verweerder is van mening dat de in het plan voorziene horeca-activiteiten, gelet op de omvang van de voormalige watertoren en de aard van de toegelaten horeca-activiteiten, geen overlast zullen veroorzaken. Ten aanzien van de verkeersbestemming, die is toegekend aan het perceel [locatie 1], overweegt verweerder dat deze dient als ontsluiting ten behoeve van de in het plan voorziene horecafunctie voor de voormalige watertoren en in dit kader voor de aanleg van mogelijke parkeerplaatsen. Verweerder is van mening dat dit gebruik niet zal leiden tot een onevenredige overlast. De desbetreffende groenstrook maakt volgens verweerder deel uit van de ontsluiting van de Abeelstraat en is derhalve bestemd als “Verkeersdoeleinden”.

2.3.3.    Ingevolge artikel 6, lid 1.4, aanhef en onder d, van de planvoorschriften zijn de gronden die op de kaart zijn aangeduid met de subbestemming “gemengde doeleinden watertoren” tevens bestemd voor horecabedrijven als bedoeld in categorie 1b. van de Staat van Horeca-activiteiten.

    Ingevolge artikel 6, lid 4.3. van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ter plaatse van het betrokken perceel de subbestemming "gemengde doeleinden watertoren" te wijzigen in de bestemming "Horecadoeleinden" met inachtneming van onder meer de voorwaarden dat bedoeld gebruik geen onevenredige hinder voor het woon- en leefmilieu mag opleveren en geen onevenredige afbreuk mag doen aan het woonkarakter van de wijk of buurt en dat uitsluitend medewerking wordt verleend aan het uitoefenen van activiteiten zoals bedoeld in categorie 1a. en 1b. van de Staat van Horeca-activiteiten.

    Blijkens de Staat van Horeca-activiteiten wordt onder categorie 1 "lichte horeca" verstaan horecabedrijven waarvan wordt uitgegaan dat die in beginsel alleen overdag en ’s avonds zijn geopend en daardoor slechts beperkte hinder voor omwonenden veroorzaken. Binnen deze categorie worden de volgende subcategorieën, voor zover hier van belang, onderscheiden:

1a. aan de detailhandelsfunctie verwante horeca: onder meer een automatiek en een broodjeszaak;

1b. overige lichte horeca: bistro, restaurant (zonder bezorg- en/of afhaalservice) en een hotel.

     Ingevolge artikel 16, lid 1.1., van de planvoorschriften zijn de gronden die op de kaart zijn aangewezen voor “Verkeersdoeleinden” bestemd voor onder meer wegen deel uitmakend van een verblijfsgebied, groenvoorzieningen en parkeervoorzieningen.

2.3.4.    Ten aanzien van de stelling van appellant dat gelet op de eigendomssituatie de bestemming “Verkeersdoeleinden”, betreffende het perceel [locatie 2], niet toegekend kan worden overweegt de Afdeling dat eigendomsverhoudingen uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet van doorslaggevende betekenis zijn. Aan eigendomsverhoudingen kan wel betekenis toekomen indien zij van dusdanige aard zijn dat daarmee de verwezenlijking van de bestemming binnen de planperiode niet aannemelijk is. Niet is gebleken dat dit hier het geval is. Verweerder heeft dan ook de mogelijkheid om parkeerplaatsen op het perceel aan te leggen kunnen betrekken bij de vraag of voldoende parkeermogelijkheden ten behoeve van de toegelaten horeca-activiteiten bestaan.

    Aangaande de vrees voor verhoging van de verkeersdruk- en parkeerdruk ten gevolge van de mogelijke horeca-activiteiten overweegt de Afdeling het volgende. Blijkens de stukken bedraagt de totale vloeroppervlakte van de voormalige watertoren 260 m2. In de huidige situatie is alleen de begane grond, de eerste, de derde en vierde verdieping aanwezig. Op de vierde verdieping is het waterreservoir geplaatst. De gemiddelde oppervlakte van de vloeren bedraagt ongeveer 65 m2. Verder is de voormalige watertoren aangewezen als rijksmonument.

Gelet op de omvang van de voormalige watertoren en de aard van de toegelaten horeca-activiteiten heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen onaanvaardbare overlast te verwachten is van deze activiteiten en dat de verkeersaantrekkende werking gering zal zijn. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het verkeer zodanig zal toenemen vanwege de in het plan voorziene horeca-activiteiten dat de ontsluitingsweg dit niet zou kunnen verwerken. Appellant heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de parkeerdruk tengevolge van de toegelaten horeca-activiteiten zodanig zal toenemen dat verweerder hieraan overwegende betekenis had moeten toekennen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit de plantoelichting blijkt dat knelpunten op het gebied van parkeren in het plangebied niet voorkomen. Verder blijkt uit de plantoelichting dat de over het algemeen ruime opzet van de wijken voldoende ruimte biedt voor de opvang van de parkeerbehoefte. Mede gelet op het verhandelde ter zitting is niet gebleken dat dit onjuist is.

   Betreffende het bezwaar van appellant terzake van de groenstrook overweegt de Afdeling dat gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting verweerder in redelijkheid met het standpunt van de gemeenteraad heeft kunnen instemmen dat aan de gronden ter plaatse van de groenstrook geen specifieke op deze groenvoorziening toegesneden bestemming behoeft te worden toegekend.

2.3.5.    Aangaande het bezwaar van appellant inzake de wijzigingsbevoegdheid overweegt de Afdeling het volgende.

De stelling van appellant dat hij in zijn rechtsbescherming wordt beknot omdat in het plan is neergelegd dat de termijn voor het indienen van een zienswijze omtrent een wijziging twee weken bedraagt, volgt de Afdeling niet. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voor zover hier van belang, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders volgens bij het plan te bepalen grenzen het plan kan wijzigen. Verder is in dit lid bepaald dat bij het plan wordt geregeld op welke wijze belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijzen omtrent de wijziging naar voren te brengen. In artikel 4, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften is bepaald dat het ontwerpbesluit tot wijziging met bijbehorende stukken gedurende twee weken voor een ieder ter inzage ligt. De Wet op de Ruimtelijke Ordening noch de Algemene wet bestuursrecht verzet zich tegen de termijn van twee weken voor het indienen van zienswijzen omtrent de wijziging. Voorzover appellant stelt dat de wijzigingsbevoegdheid ten onrechte betrekking heeft op een wijziging van de bestemming in een zwaardere horecacategorie overweegt de Afdeling dat er geen aanleiding bestaat dat verweerder zich in dit geval zich niet op het standpunt kon stellen dat de in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid valt onder de het bereik van artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Verder overweegt de Afdeling dat, gelet op de na wijziging toegestane horeca-activiteiten en de gestelde wijzigingsvoorwaarden niet op voorhand kan worden geconcludeerd dat deze activiteiten in strijd komen met een goede ruimtelijke ordening.

2.3.6.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

2.4.    [Appellanten sub 2] voeren in beroep aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan een plandeel met de bestemming “Woondoeleinden gestapeld (WS)” die voorziet in de bouw van een appartementencomplex op de hoek Rooseveltlaan/Walcherenstraat, twee plandelen met de bestemming “Woondoeleinden (W)” die voorzien in de bouw van woningen op twee hoeken van de Walcherenstraat/Balsebaan en een plandeel met de bestemming “Autoboxen” aan de Walcherenstraat. Appellanten voeren hiertoe aan dat het open en groene karakter van de Walcherenstraat vrijwel geheel verloren gaat. Ten aanzien van het voorziene appartementencomplex vinden zij de hoogte niet passen in de omgeving. Daarbij vrezen zij voor aantasting van hun woon- en leefklimaat en waardevermindering van hun woningen. Verder vrezen appellanten dat de woning op de hoek Walcherenstraat/Balsebaan zal leiden tot aantasting van de privacy en woning aan de [locatie 4]. Appellanten zijn bovendien van mening dat ten onrechte geen onderzoek naar alternatieven heeft plaatsgevonden.

2.4.1.    De gemeenteraad is van mening dat het verloop en karakter van de Walcherenstraat in zijn huidige vorm wordt behouden zodat het karakter van deze straat niet wordt aangetast. Verder is de gemeenteraad van mening dat gelet op de resultaten van een uitgevoerd schaduwonderzoek het in het plan voorziene appartementencomplex aanvaardbaar is. Ook wijst de gemeenteraad erop dat op de plek waar het appartementencomplex is voorzien voorheen een school stond zodat reeds sprake was van een beperking van het uitzicht vanuit de woningen. Verder neemt de gemeenteraad in aanmerking dat het beoogde appartementencomplex voorziet in een geleidelijke overgang van de toegestane hoogten. Daarbij stelt de gemeenteraad dat de toegelaten hoogten van de in het plan voorziene bebouwing niet noemenswaardig afwijken van de hoogte van de bestaande bebouwing in het gebied. Gelet hierop verwacht de gemeenteraad niet dat het beoogde appartementencomplex zal leiden tot onaanvaardbare windhinder.

2.4.2.    Verweerder heeft geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft de plandelen goedgekeurd. Verweerder onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad. Aan de bezwaren van appellanten heeft verweerder geen overwegende betekenis gehecht. Verweerder is van mening dat het beoogde appartementencomplex uit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is vanwege de ligging in een stedelijk gebied. Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat het perceel in het vorige bestemmingsplan reeds voor woondoeleinden was bestemd. Wat betreft de in het plan voorziene woningen op de twee hoeken van de Walcherenstraat/Balsebaan vindt verweerder deze passen in de omgeving. Volgens verweerder worden door deze bebouwing de hoeken van de straat geaccentueerd hetgeen hij stedenbouwkundig gewenst acht.

2.4.3.    Het appartementencomplex is voorzien aan de overzijde aan de Walcherenstraat ten oosten van de woningen van appellanten. De woningen van appellanten aan de Walcherenstraat hebben een hoogte van 9 meter. De maximale toegekende hoogte van het appartementencomplex bedraagt deels 3 meter, deels 13 en deels 15,5 meter. De afstand van de dichtstbijzijnde woningen van appellanten tot deze hoogten bedraagt respectievelijk 14, 17 en 20 meter. Verder staan ten oosten van het voorziene appartementencomplex aan de Rooseveltlaan flats van 15 meter hoog.

   De toegekende maximale hoogte aan de woning op de hoek van de Walcherenstraat/Balsebaan is 6 meter. De woning aan de [locatie 4] heeft een hoogte van 6 meter. De afstand tussen tussen deze woning en de voorziene woning is ongeveer 15 meter.

2.4.4.    Gelet op de afstand tussen het in het plan voorziene appartementencomplex en de woningen van appellanten heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het appartementencomplex niet zal leiden tot een ernstige aantasting van de privacy en het uitzicht vanuit hun woningen. De gemeenteraad heeft verder een onderzoek uitgevoerd naar de schaduwwerking ten gevolge van het in het plan voorziene appartementencomplex. Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat alleen in de vroege ochtend in de lente en herfst bij de woningen [locatie 5] en [locatie 6] slagschaduw kan ontstaan die niet zal reiken tot de achtertuin van deze woningen. Verweerder heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bouw van het voorziene appartementencomplex tot een zeer beperkte vermindering van de zonlichttoetreding in de betrokken woningen zal leiden. Daarnaast hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat zich nabij hun woningen ernstige windhinder zal voordoen als gevolg van de bouw van het in het plan voorziene appartementencomplex.

   Voorts acht de Afdeling het standpunt van verweerder dat, mede gelet op de geleidelijke overgang van de bouwhoogten van het beoogde appartementengebouw en de hoogte van de bestaande bebouwing aan de Rooseveltlaan, het plan in zoverre stedenbouwkundig passend is, niet onredelijk. Verder heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse van het in het plan voorziene appartementencomplex geen sprake is van te beschermen groen, gelet op de omstandigheid het een braakliggend terrein betreft waarop bomen en struiken voorkomen.

    Verder bestaat onvoldoende grond voor het oordeel dat de in de plandelen voorziene ontwikkelingen in het algemeen het open en groene karakter van het gebied ernstig aantasten. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het hier een stedelijk gebied betreft en bouwontwikkelingen op plekken als deze niet ongebruikelijk zijn. Ook neemt de Afdeling in aanmerking dat het verloop van de Walcherenstraat en de laanbeplanting behouden blijven. Anders dan appellanten stellen valt niet in te zien dat de in de bestreden plandelen voorziene ontwikkelingen in strijd zijn met de uitgangspunten van het bestemmingsplan. Immers, in de plantoelichting zijn deze ontwikkelingen aangegeven.

   Gelet op de afstand en de toegelaten hoogte van de in het plan voorziene woningen op de hoek Walcherenstraat/Balsebaan en de woning aan de [locatie 4] heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de toegelaten woning niet zal leiden tot een ernstige aantasting van de privacy en het uitzicht vanuit de woning aan de [locatie 4].

    Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen betreft, bestaat geen grond voor het oordeel dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat verweerder om die reden goedkeuring aan het plan had dienen te onthouden.

2.4.5.    Wat betreft de door appellanten genoemde alternatieven, overweegt de Afdeling dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Nu uit het voorgaande blijkt dat dergelijke bezwaren tegen het plan niet bestaan, behoefde verweerder zich niet op het standpunt te stellen dat deze situatie zich in dit geval voordoet.

2.4.6.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van [appellanten sub 2] is ongegrond.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. J.R. Schaafsma, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton    w.g. Soede

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2005

270-387.