Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS3151

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-01-2005
Datum publicatie
19-01-2005
Zaaknummer
200402447/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 februari 2004, kenmerk 2003-059, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan Waterschap De Dommel een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een rioolwaterzuiveringsinstallatie, gelegen op het perceel Van Oldenbarneveltlaan 1 te Eindhoven, kadastraal bekend gemeente Tongelre, sectie G5, nr. 1964. Dit besluit is op 12 februari 2004 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2005, 22K
Milieurecht Totaal 2005/4388

Uitspraak

200402447/1.

Datum uitspraak: 19 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te Eindhoven,

en

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2004, kenmerk 2003-059, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan Waterschap De Dommel een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een rioolwaterzuiveringsinstallatie, gelegen op het perceel Van Oldenbarneveltlaan 1 te Eindhoven, kadastraal bekend gemeente Tongelre, sectie G5, nr. 1964. Dit besluit is op 12 februari 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 21 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 23 maart 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 6 juli 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 oktober 2004, waar [drie van de appellanten], in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door ir. M.H.M. Gies, gemachtigde, zijn verschenen. Voorts is vergunninghouder als partij gehoord, vertegenwoordigd door L.A.M. Klaassens, P.A.C.M. van de Heuvel, ir. W. Hoekstra en ing. J.A. Welmer, gemachtigden.

2.    Overwegingen

2.1.    Anders dan verweerder heeft gesteld, is [appellant], blijkens de stukken, door de andere appellanten gemachtigd om mede namens hen beroep in te stellen en is het beroep in zoverre ontvankelijk.

2.2.    Verweerder heeft voorts gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is voorzover dat zich keert tegen de handhaafbaarheid van de geurnormen.

   Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

   Appellanten hebben de grond inzake de handhaafbaarheid van de geurnormen niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.3.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4.    Bij het bestreden besluit is, voor een termijn van tien jaar, vergunning verleend voor een inrichting voor het zuiveren van industrieel en huishoudelijk afvalwater. Voorts is, voor een termijn van drie jaar, vergunning verleend voor de opslag van grond in gronddepots op het terrein van de inrichting. Voor de inrichting zijn eerder, bij besluiten van 29 oktober 1996 en 19 oktober 1999, krachtens de Wet milieubeheer respectievelijk een revisie- en een veranderingsvergunning verleend.

2.5.    Appellanten hebben betoogd dat de inrichting onaanvaardbare geurhinder veroorzaakt. Zij hebben aangevoerd dat de geuruitstoot verminderd moet worden door nadere maatregelen voor te schrijven, zoals afdekking van de in de inrichting aanwezige nabezinktanks. Voorzover geurhinder niet geheel kan worden voorkomen, moet deze volgens appellanten worden beperkt tot de nachtelijke uren.

2.5.1.    Verweerder heeft voor de beoordeling van de als gevolg van het in werking zijn van de inrichting te duchten geurhinder de brancheregeling voor rioolwaterzuiveringsinstallaties uit de Nederlandse Emissie Richtlijnen Lucht (hierna: de regeling) gehanteerd. Dit is een regeling als bedoeld in de brief van 30 juni 1995, kenmerk LE/LV/AJS95.16B, van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Volgens de regeling, voorzover hier van belang, mag de geurimmissieconcentratie ter plaatse van aaneengesloten woonbebouwing, lintbebouwing of andere geurgevoelige objecten niet meer bedragen dan 1 ge/m³ als 98 percentiel voor nieuwe situaties en 3 ge/m³ als 98 percentiel voor bestaande situaties. Indien de berekende geurimmissieconcentratie in de omgeving van de rioolwaterzuiveringsinstallatie de bovenstaande waarden overschrijdt, kan volgens de regeling een keuze worden gemaakt uit de mogelijke maatregelen ter beperking van geuremissie. Wordt daarmee nog steeds niet voldaan dan kunnen aanvullende maatregelen worden getroffen. Daarbij wordt opgemerkt dat de keuze van de onderdelen van de rioolwaterzuiveringsinstallatie die moeten worden afgedekt moet worden afgestemd op de specifieke situatie, de benodigde emissievermindering en de daarmee gepaard gaande kosten. Er wordt een overzicht gegeven van toe te passen gebruikelijke, minder gebruikelijke en ongebruikelijke maatregelen.

2.5.2.    De Afdeling oordeelt als volgt. Vaststaat dat het in het voorliggende geval gaat om een bestaande situatie. Blijkens de stukken kan ter plaatse van de relevante woonbebouwing en andere geurgevoelige objecten, zoals het in de nabijheid van de inrichting gelegen zorgcentrum, met toepassing van alle volgens de regeling gebruikelijke en minder gebruikelijke maatregelen, zoals deze zijn aangevraagd en vergund, en de in het aan de vergunning verbonden voorschrift 5.1.3 voorgeschreven ongebruikelijke maatregel dat de denitrificatietank van de actief-slibtank in de inrichting dient te zijn afgedekt, worden voldaan aan de volgens de regeling geldende norm van 3 ge/m³ als 98 percentiel. Dit is door appellanten niet bestreden.

   In het aan de vergunning verbonden voorschrift 5.2.3 heeft verweerder een strengere norm gesteld door voor te schrijven dat de geurcontour van 1 ge/m³ als 98 percentiel, behorend bij de bij het bestreden besluit vergunde situatie zoals aangegeven op de geurkaart met het kennelijk aldaar bedoelde nummer D0303966.DWG, projectnummer 4222180, van 15 december 2003, niet mag worden overschreden. Ingevolge het aan de vergunning verbonden voorschrift 5.2.4 geldt voor de inrichting tot het moment dat de renovatie is afgerond doch uiterlijk tot 1 mei 2006 niet de in voorschrift 5.2.3. voorgeschreven geurcontour, maar een geurcontour van 1 ge/m³ als 98 percentiel, behorend bij de in 1999 reeds vergunde situatie, zoals aangegeven op de genoemde geurkaart. Blijkens de stukken wordt met deze geurcontour ter plaatse van de relevante woonbebouwing en andere geurgevoelige objecten ook voldaan aan de volgens de regeling geldende maximale geurimmissieconcentratie van 3 ge/m³ als 98 percentiel.

   Verweerder heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in de voorschriften 5.2.3 en 5.2.4 voorgeschreven geurcontouren toereikend zijn ter voorkoming van onaanvaardbare geurhinder. Gelet hierop heeft verweerder zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het, daargelaten de vraag of dit mogelijk is binnen de grondslag van de aanvraag, niet nodig is de geuruitstoot te beperken tot de nachtelijke uren.

2.6.    Appellanten hebben verder betoogd dat de vergunning voor het zuiveren van industrieel en huishoudelijk afvalwater in de inrichting moet worden beperkt tot een kortere termijn dan tien jaar, zodat bij voortschrijdend kennisniveau aanvullende maatregelen kunnen worden genomen.

2.6.1.    Artikel 8.17, tweede lid, van de Wet milieubeheer bepaalt: “Bij algemene maatregel van bestuur worden categorieën van inrichtingen waarin afvalstoffen nuttig worden toegepast of worden verwijderd, aangewezen, ten aanzien waarvan de vergunning, voorzover zij deze handelingen betreft, slechts geldt voor een bij de vergunning te stellen termijn van ten hoogste tien jaar. Bij de maatregel kan worden bepaald dat de aanwijzing slechts betrekking heeft op daarbij aangegeven categorieën van gevallen.”

   In artikel 2.2 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: Ivb) worden ter uitvoering van artikel 8.17, tweede lid, van de Wet milieubeheer de categorieën van inrichtingen aangewezen die zijn genoemd in bijlage I, onder 27 en 28.4 tot en met 28.6.

2.6.2.    De Afdeling stelt vast dat de inrichting valt onder categorie 27.1 van het Ivb en dat derhalve artikel 8.17, tweede lid, van de Wet milieubeheer van toepassing is.

   In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerder aanleiding had moeten zien de vergunning voor een kortere termijn dan tien jaar te verlenen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat artikel 8.22, eerste lid, van de Wet milieubeheer voor verweerder de verplichting inhoudt om regelmatig te bezien of de beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden, nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu. Voorts houdt het tweede lid van dat artikel voor verweerder de verplichting in om de genoemde beperkingen en voorschriften te wijzigen, aan te vullen of in te trekken, dan wel alsnog beperkingen aan te brengen, of alsnog voorschriften aan de vergunning te verbinden, voorzover blijkt dat de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt, gezien de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu verder kunnen, of, gezien de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu, verder moeten worden beperkt.

2.7.    Het beroep is, voorzover ontvankelijk, ongegrond.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het de handhaafbaarheid van de geurnormen betreft;

II.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma    w.g. De Vink

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2005

154-431.