Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS2201

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-01-2005
Datum publicatie
12-01-2005
Zaaknummer
200402252/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2004:AO3245
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 december 2000 heeft de teammanager van LASER namens de Staatssecretaris van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, thans de Minister van dat Ministerie (hierna: de Minister), een aanvraag van appellant voor subsidie op grond van de Subsidieregeling Natuurbeheer 2000 (hierna: de Regeling) afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:4
Algemene wet bestuursrecht 6:19
Algemene wet bestuursrecht 6:24
Algemene wet bestuursrecht 7:11
Algemene wet bestuursrecht 8:77
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2006/1231
AB 2005, 239

Uitspraak

200402252/1.

Datum uitspraak: 12 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 6 februari 2004 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2000 heeft de teammanager van LASER namens de Staatssecretaris van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, thans de Minister van dat Ministerie (hierna: de Minister), een aanvraag van appellant voor subsidie op grond van de Subsidieregeling Natuurbeheer 2000 (hierna: de Regeling) afgewezen.

Bij besluit van 3 juni 2003 heeft de unitmanager van LASER namens de Minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 februari 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 maart 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij besluit van 26 maart 2004 heeft de Minister, ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, een nieuw besluit genomen. Hij heeft daarbij besloten het door appellant gemaakte bezwaar deels gegrond te verklaren en voor de percelen genummerd […] alsnog subsidie te verlenen.

Bij brief van 29 april 2004 heeft de Minister van antwoord gediend.

Bij brief van 18 oktober 2004 heeft appellant een nadere memorie ingediend. Dit stuk is in kopie aan de andere partij gezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 november 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door ing. K.J.M. Kuipers, gemachtigde, en de Minister, vertegenwoordigd door [gemachtigde], werkzaam bij LASER, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling, zoals deze gold ten tijde hier van belang, wordt onder beheerder verstaan een ondernemer, dan wel enige andere natuurlijke persoon of rechtspersoon die krachtens zakelijk of duurzaam persoonlijk recht beschikt over het recht tot gebruik en beheer van een terrein, doch voorzover het een vereniging betreft, slechts een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid.

   Ingevolge artikel 2 van de Regeling, voorzover thans van belang, kan de Minister aan beheerders en aan anderen dan beheerders als bedoeld in artikel 5 en 6 ter bevordering van de duurzame ontwikkeling en instandhouding van bossen en natuurterreinen, mede met het oog op de recreatieve functie daarvan, wegens inkomensderving als gevolg van het verminderde productierendement van landbouwgronden, alsmede ter bevordering van de duurzame instandhouding van landschappelijke elementen op aanvraag subsidie verstrekken.

2.2.    De rechtbank heeft het besluit van 3 juni 2003 vernietigd, omdat het een deugdelijke motivering ontbeert. Zij heeft daartoe overwogen dat de Minister, nu hij ter zitting heeft aangegeven dat het toetsingsmoment voor de subsidietoekenning is gelegen op de datum van aanvraag, ten onrechte niet heeft beoordeeld of appellant op 16 augustus 2000, de datum van de aanvraag, in aanmerking kwam voor toekenning van subsidie op grond van voormelde Regeling. Daarbij heeft de rechtbank vastgesteld dat appellant ten tijde van de aanvraag eigenaar was van de percelen genummerd […], doch dat ten aanzien van de overige percelen naar haar oordeel onvoldoende vaststaat dat appellant ten tijde van de aanvraag beschikte over enig zakelijk of duurzaam persoonlijk recht op grond waarvan hij een aanvraag voor subsidie had kunnen indienen.

2.3.    In hoger beroep spitst het geschil zich toe op de vraag of de Minister in redelijkheid heeft kunnen weigeren subsidie te verlenen voor de percelen genummerd […]. De percelen genummerd […] maken geen onderdeel uit van het geding, zo is ter zitting ook door partijen aangegeven, nu zij niet in de aanvragen waren begrepen.

2.4.    Appellant betoogt allereerst dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat perceel no. [..., het [perceel], is overgedragen aan zijn twee kinderen. Daartoe betoogt appellant dat hij eigenaar is van het onverdeelde derde deel van dit perceel. Voorts betoogt appellant dat de Minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij met betrekking tot perceel no. […] een afzonderlijk aanvraagformulier had moeten indienen, waarop hij had moeten aangeven dat er met betrekking tot dit terrein meer beheerders zijn (categorie B-aanvraag).

2.4.1.    Niet langer is in geschil dat appellant en zijn twee zusters sinds 1985 gezamenlijk eigenaar zijn van het [perceel], zodat vaststaat dat appellant ten tijde van de aanvraag voor het onverdeelde derde deel eigenaar was van dit perceel.

   In het verweerschrift en ter zitting heeft de Minister zich op het standpunt gesteld dat de subsidieaanvraag voor dit perceel evenwel dient te worden afgewezen, nu appellant ten onrechte uitsluitend een categorie A-aanvraag heeft ingediend. Nu sprake is van meerdere beheerders met betrekking tot één terrein dient op een afzonderlijk aanvraagformulier categorie B te worden aangekruist. De categorie A-aanvraag kan slechts worden ingediend voor percelen waarvoor geldt dat sprake is van één beheerder, aldus de Minister. Volgens de Minister is het om administratief-technische redenen niet mogelijk voor de verschillende categorieën één aanvraagformulier in te dienen. De Minister wijst er voorts op dat de aanvrager zelf verantwoordelijk is voor het juist indienen voor de aanvraag. Hangende het bezwaar kan appellant zijn aanvraag niet wijzigen, nu dit onverenigbaar is met een subsidiestelsel dat voorziet in een subsidieplafond en een onderlinge rangschikking van de aanvragen. De Minister hanteert de gedragslijn dat alleen in geval van een evidente vergissing, de aanvraag kan worden gewijzigd. Gelet hierop, dient appellant voor perceel genummerd […] een nieuwe aanvraag in te dienen, aldus de Minister.

2.4.2.    Het betoog van appellant slaagt. Vast staat dat appellant voor de betreffende percelen enkel een categorie A-aanvraag heeft ingediend. Ter zitting is gebleken dat van de drie eigenaren van het [perceel] uitsluitend appellant voor dat perceel subsidie heeft aangevraagd. De Minister heeft ter zitting erkend dat aan appellant in het verleden voor het desbetreffende perceel wel subsidie is verleend en dat hij, indien hij voor het [perceel] een afzonderlijk aanvraagformulier voor de B-categorie had ingediend, ook deze keer voor subsidie in aanmerking had kunnen komen.

   Gelet op het voorgaande, heeft de Minister in dit geval niet in redelijkheid de subsidieaanvraag voor perceel genummerd […] kunnen afwijzen, zonder appellant de gelegenheid te hebben geboden de fout in de aanvraag te herstellen.

2.5.    Voorts betoogt appellant dat de rechtbank heeft miskend dat hij met betrekking tot de percelen genummerd […] voor onbepaalde tijd gerechtigd is tot het gebruik en beheer daarvan en daarmee voldoet aan het bepaalde in voormeld artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling.

2.5.1.    Dit betoog faalt. De door appellant overgelegde machtiging bevat een verklaring van onder meer zijn zusters, gedateerd december 2003, dat hij sinds 1985 volledig is gemachtigd tot het recht van gebruik en beheer van [Landgoed]. Deze verklaring komt niet de betekenis toe die appellant eraan hecht. Nog daargelaten dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit de Minister deze verklaring niet kon kennen, kan een dergelijke toestemming tot gebruik en beheer niet worden aangemerkt als een duurzaam persoonlijk recht in de zin van de Regeling. Bedoelde machtiging kan immers elk moment worden herroepen. Gelet hierop heeft de Minister zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant ten tijde van de aanvraag niet als beheerder in vorenbedoelde zin van voormelde percelen kan worden aangemerkt.

2.6.    Het hoger beroep is gegrond. Nu het dictum van de aangevallen uitspraak juist is, dient zij, met verbetering van de gronden waarop zij berust, te worden bevestigd.

2.7.    Ingevolge artikel 6:19, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), wordt het hoger beroep mede geacht te zijn gericht tegen het besluit van de Minister van 26 maart 2004.

2.8.    Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Awb vindt, indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging plaats. Ingevolge het tweede lid van dit artikel herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit voorzover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, en neemt het zo nodig in plaats daarvan een nieuw besluit.

2.9.    De aanvraag van 16 augustus 2000 heeft betrekking op de percelen genummerd […]. Uit voormeld artikel 7:11 van de Awb vloeit voort dat de Minister, ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, het primaire besluit van 22 december 2000 volledig moest heroverwegen en, voorzover hij de bezwaren alsnog gegrond bevond, dat besluit moest herroepen en een juist besluit ervoor in de plaats moest stellen. De Minister is in het besluit van 26 maart 2004 ingegaan op de percelen genummerd […], met daarin begrepen […], en heeft op grond daarvan de bezwaren van appellant gegrond verklaard en alsnog subsidie verleend. Ten aanzien van de overige percelen heeft de Minister enkel overwogen dat hij geen aanleiding ziet het besluit van 22 december 2000 te herroepen. Niet is ingegaan op de bezwaren van appellant met betrekking tot de afwijzing van de aanvraag voorzover betrekking hebbend op de overige percelen. In zoverre heeft de Minister ten onrechte nagelaten het primaire besluit volledig te heroverwegen. Het besluit van 26 maart 2004 komt in zoverre wegens strijd met artikel 7:11 van de Awb in aanmerking voor vernietiging, zodat het daartegen gerichte beroep gegrond is. De Minister dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.10.    De Minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    bevestigt de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden waarop zij rust;

III.    verklaart het beroep tegen het besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 26 maart 2004 gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 26 maart 2004, behoudens voorzover appellant met betrekking tot de percelen […] subsidie is toegekend;

V.    veroordeelt de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in de door appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door Staat der Nederlanden (het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) te worden betaald aan appellant.

VI.    gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 205,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Groenendijk

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2005

27-435.