Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS2198

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-01-2005
Datum publicatie
12-01-2005
Zaaknummer
200403463/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 maart 2004, kenmerk MV 03/13, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een windmolen op het perceel nabij [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 16 maart 2004 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer
Wet geluidhinder
Wet geluidhinder 49
Wet geluidhinder 68
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2006/1230
Milieurecht Totaal 2005/1389
Omgevingsvergunning in de praktijk 2005/3235

Uitspraak

200403463/1.

Datum uitspraak: 12 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging “Naturistenvereniging Veluwe Rijn en IJsel”, gevestigd te Zeewolde,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zeewolde,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2004, kenmerk MV 03/13, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een windmolen op het perceel nabij [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 16 maart 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 23 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 26 april 2004, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 14 mei 2004.

Bij brief van 15 juli 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 december 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. drs. T.L. Fernig en A.J. Nossent, gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. E.J. Hoeneveld, ambtenaar van de gemeente, dr. W.J. Hogervoorst en ir. L. Zaal, gemachtigden, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Eerst ter zitting heeft appellante betoogd dat bij de voorbereiding van het bestreden besluit een milieu-effectrapport had moeten worden gemaakt.

   Het aanvoeren van deze grond in dit stadium van de procedure is in strijd met de goede procesorde. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat appellante deze niet eerder in de procedure naar voren had kunnen brengen. Voornoemde grond kan derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.2.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3.    Appellante is beducht voor geluidhinder die zou kunnen optreden bij haar kampeerterrein. Volgens haar heeft verweerder het kampeerterrein ten onrechte niet als geluidgevoelige bestemming aangemerkt. Ook is verweerder ten onrechte uitgegaan van een afstand van de windmolen tot de grens van het kampeerterrein van ongeveer 221 meter.

   Appellante betoogt verder dat de vergunning het kampeerterrein onvoldoende bescherming biedt tegen slagschaduwhinder. Nu volgens haar op dit punt de normen uit het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer (hierna: het Besluit) ruim worden overschreden, zou aan de vergunning ten onrechte niet de voorwaarde zijn verbonden dat een automatische stilstandvoorziening wordt aangebracht.

2.4.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit is dit - voorzover hier van belang - van toepassing op een inrichting waarbij uitsluitend of in hoofdzaak sprake is van het omzetten van windenergie in elektrische energie in één of meer windturbines, voorzover de afstand tussen een afzonderlijke windturbine en de dichtstbijzijnde woning of andere geluidgevoelige bestemming, ten minste viermaal de ashoogte bedraagt.

   Het Besluit is niet van toepassing op de windturbine in kwestie, omdat de afstand van de turbine tot de dichtstbijzijnde woning minder dan viermaal de ashoogte bedraagt. Verweerder heeft evenwel bij de beoordeling van geluid- en slagschaduwhinder onder meer aansluiting gezocht bij de normen die in het Besluit zijn gesteld.

2.5.    Verweerder heeft - volgens appellante ten onrechte - geconcludeerd dat het kampeerterrein niet een geluidgevoelige bestemming is die op grond van de bij het Besluit gestelde voorschriften tegen geluidhinder zou moeten worden beschermd.

   In artikel 1, aanhef en onder p, van het Besluit is bepaald dat onder geluidgevoelige bestemmingen wordt verstaan: gebouwen of objecten, aangewezen krachtens de artikelen 49 en 68 van de Wet geluidhinder. De in deze artikelen bedoelde aanwijzing heeft plaatsgevonden in hoofdstuk III van het Besluit grenswaarden binnen zones rond industrieterreinen. Daarin zijn, kort weergegeven, gebouwen van onderwijs- en gezondheidsinstellingen en woonwagenstandplaatsen aangewezen als geluidgevoelige bestemmingen.

   Gelet hierop heeft verweerder terecht geconcludeerd dat het kampeerterrein niet een geluidgevoelige bestemming is als bedoeld in de bij het Besluit gestelde geluidvoorschriften.

2.6.    Ten aanzien van de afstandsbepaling tussen de windmolen en het kampeerterrein heeft verweerder gesteld dat de door appellante genoemde afstand van nog geen 200 meter alleen is terug te vinden in de afstand tussen de windmolen en de bosrand, die eigendom is van Staatsbosbeheer. Dit terrein van Staatsbosbeheer wordt ook niet gehuurd door appellante en wordt door verweerder daarom niet beschouwd als onderdeel van het kampeerterrein. De kleinste afstand tussen een kampeervoorziening en de windmolen is volgens verweerder te bepalen op 219,5 meter, waarbij deze kampeervoorziening dan gesitueerd zal zijn tegen de rand van het kampeerterrein.

   Niet gebleken is dat deze bevindingen van verweerder onjuist zijn. Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat er sprake is van onzorgvuldige besluitvorming.

2.7.    Met betrekking tot slagschaduwhinder heeft verweerder terecht geconcludeerd dat de daarvoor in het Besluit gestelde voorschriften slechts bescherming bieden aan woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. Indien het Besluit op de windmolen van toepassing zou zijn, zou het kampeerterrein derhalve geen enkele bescherming tegen slagschaduwhinder worden geboden.

   Verweerder meent dat, anders dan onder de werking van het Besluit het geval zou zijn, enige bescherming van het kampeerterrein tegen slagschaduwhinder gerechtvaardigd is. De mogelijke hinder is volgens hem in dit geval echter dermate beperkt, dat geen nadere voorschriften nodig zijn. In dat verband wijst hij erop dat het kampeerterrein bij de huidige openingstijden nauwelijks wordt bestreken door slagschaduw. Dit blijkt onder meer uit een bij het verweerschrift gevoegd rapport inzake slagschaduw, waarin is geconcludeerd dat op geen enkele plaats op het kampeerterrein meer dan opgeteld 3,5 uur slagschaduw zal optreden in de gehele periode van 1 april tot 1 november (het kampeerseizoen). De Afdeling ziet geen aanleiding om deze conclusie onjuist te achten.

   Mede gezien deze zeer beperkte duur van de mogelijke hinder, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de slagschaduwhinder bij het kampeerterrein voldoende beperkt is, en dat het niet nodig is om de door appellante gewenste stilstandvoorziening voor te schrijven.

2.8.    Het beroep is ongegrond.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma    w.g. Heijerman

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2005

255.