Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS2192

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-01-2005
Datum publicatie
12-01-2005
Zaaknummer
200403330/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 september 2002 heeft het College van Gedeputeerde Staten van Friesland (hierna: het College) het gebiedsplan "Het Lage Midden" (hierna: het Gebiedsplan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200403330/1.

Datum uitspraak: 12 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 10 maart 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

het College van Gedeputeerde Staten van Friesland.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 september 2002 heeft het College van Gedeputeerde Staten van Friesland (hierna: het College) het gebiedsplan "Het Lage Midden" (hierna: het Gebiedsplan) vastgesteld.

Bij uitspraak van 10 maart 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 april 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 4 juni 2004 heeft het College van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn in kopie naar de ander partij verzonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 november 2004, waar appellanten, behoudens [appellant], in persoon, en het College, vertegenwoordigd door R.J.A. Hobbenschot, werkzaam bij de provincie Friesland, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

Bij besluit van 20 december 1999 (gepubliceerd in Stcrt. 1999, 252) heeft de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, onder meer gelet op de artikelen 2 en 4 van de Kaderwet LNV-subsidies, de Subsidieregeling Natuurbeheer 2000 (hierna: de Regeling) vastgesteld.

2.2.    Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef, van de Regeling, voorzover thans van belang, worden ten behoeve van de uitvoering van deze regeling natuurgebieden begrensd met de vaststelling van natuurgebiedsplannen

   Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Regeling, voorzover thans van belang, worden natuurgebiedsplannen vastgesteld bij besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie waarin het desbetreffende gebied is gelegen.

   In de toelichting bij de Regeling is vermeld dat deze regeling is gericht op gebieden waar de instandhouding of ontwikkeling van natuurwaarden en van bos de primaire functie vormt. Voorzover het daarbij gaat om landbouwgronden wordt functiewijziging nagestreefd. Subsidies voor ontwikkeling en omvorming kunnen alleen worden verleend ten aanzien van terreinen gelegen in natuurgebiedsplannen. In gevallen waarin voor functiewijziging van de grond een wijziging van het bestemmingsplan noodzakelijk is, kan pas subsidie worden verleend vanaf het tijdstip dat een dergelijke wijziging van het bestemmingsplan definitief is, aldus de toelichting.

   De vaststelling van het natuurgebiedsplan doet ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Regeling, voorzover thans van belang, naast de aanspraak op subsidies tevens een verwervingspicht ontstaan voor het Bureau beheer landbouwgronden, indien gronden gelegen binnen het natuurgebiedsplan dit bureau worden aangeboden, tenzij krachtens artikel 97 is bepaald dat op de koopplicht geen beroep meer kan worden gedaan.

2.3.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het College niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het vaststellen van het Gebiedsplan. Zij voeren aan dat onvoldoende rekening is gehouden met het feit dat het Gebiedsplan tot gevolg heeft dat ook hun landbouwgronden gelegen net buiten het begrensde gebied hun economische waarde zullen verliezen. Zij wijzen erop dat ten aanzien van deze gronden geen wervingsplicht bestaat en dat het onmogelijk wordt nog kopers te vinden die interesse hebben in de boerderij met de resterende landbouwgronden, omdat die gronden een te geringe oppervlakte hebben om daarop een agrarisch bedrijf te kunnen exploiteren.

2.4.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de vaststelling van het Gebiedsplan in planologisch opzicht geen directe gevolgen heeft voor de in dat gebied gelegen landbouwgronden van appellanten, omdat door die vaststelling de bestemming van die gronden, noch het toegelaten gebruik daarvan wordt gewijzigd. Daarvoor is wijziging van het bestemmingsplan noodzakelijk. Het bestaande gebruik kan derhalve worden voortgezet.

2.4.1.    Wél moet onder ogen worden gezien dat de vaststelling van het Gebiedsplan van invloed kan zijn op de toekomstige bedrijfsvoering van appellanten in dier voege dat uitbreiding van hun bedrijven beperkingen kan ondervinden in de mate waarin de functiewijziging naar natuurgebied wordt gerealiseerd. Voorts valt niet uit te sluiten dat het Gebiedsplan van invloed is op de waarde van de bedrijven en de daartoe behorende landbouwgronden in het vrije economische verkeer, zoals door appellanten aangegeven. In zoverre worden de belangen van appellanten geraakt en dienen die derhalve bij de besluitvorming betrokken en afgewogen te worden.

2.4.2    Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat het College bij de afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid het algemeen belang van natuur- en landschapsbehoud heeft kunnen laten prevaleren boven de belangen van appellanten. Daarbij betrekt de Afdeling dat is gebleken dat het beleid van het College er niet op is gericht tot bestemmingsplanwijzigingen te komen die de agrarische bedrijfsvoering ter plaatse niet meer toelaat, maar op wijzigingen die moeten voorkomen dat een toekomstige natuurbestemming onmogelijk wordt gemaakt. Voorts is van belang dat het College heeft aangegeven dat het bereid is om via kavelruil of eventuele bedrijfsverplaatsing ruimte te bieden aan de betrokken agrarische bedrijven en dat het bereid is bij knelpunten ten aanzien van individuele bedrijven naar passende oplossingen te zoeken ook buiten de verwervingsplicht om.

2.4.3.    Het betoog van appellanten slaagt derhalve niet.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.        Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Groenendijk

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2005

27-435.