Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS2180

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-01-2005
Datum publicatie
12-01-2005
Zaaknummer
200410516/1 en 200410522/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 december 2004, kenmerk SAS 2004131560, heeft de minister geweigerd een verklaring af te geven als bedoeld in artikel 4, derde lid, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen (hierna: het Besluit) met betrekking tot dakbedekkingafval.

Wetsverwijzingen
Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen
Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2005/1 met annotatie van Van der Meijden
JBO 2005/159
JBO 2005/160

Uitspraak

200410516/1 en 200410522/1.

Datum uitspraak: 6 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Smink Afvalverwerking B.V.", gevestigd te Hoogland,

verzoekster,

en

1. de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,  

   (hierna: de minister), en

2. het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college).

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2004, kenmerk SAS 2004131560, heeft de minister geweigerd een verklaring af te geven als bedoeld in artikel 4, derde lid, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen (hierna: het Besluit) met betrekking tot dakbedekkingafval.

Bij besluit van 23 december 2004, kenmerk 2004WEM00517li, heeft het college, voorzover hier van belang, geweigerd voor dit afval ontheffing te verlenen van het in artikel 1 van het Besluit gestelde stortverbod.

Tegen deze besluiten heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Bij brieven van 23 december 2004 en 24 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2004, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen met betrekking tot deze besluiten.

De Voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 3 januari 2005, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. F.P.J.M. Otten, advocaat te Utrecht, en ing. D.A.J. Story en ing. W.A.J. Stevens, gemachtigden, de minister, vertegenwoordigd door mr. M. Piras, C.L. Pol en ir. W.M.A.J. Willart, ambtenaren van het ministerie, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.J. Remmerswaal, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder 19, van het Besluit is het, voorzover hier van belang, verboden om in inrichtingen bouw- en sloopafval te storten.

   Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Besluit kan, voorzover hier van belang, in een voorschrift van een krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning worden bepaald dat het stortverbod niet geldt, indien naar het oordeel van het bevoegd gezag een tijdelijk gebrek aan beheersmogelijkheden voor de betrokken afvalstoffen bestaat of ontstaat.

   Ingevolge artikel 4, derde lid, van het Besluit mag het bevoegd gezag slechts instemmen met de toepassing van een op grond van het eerste lid in de vergunning opgenomen voorschrift, voorzover de minister verklaart dat geen andere wijze van afvalbeheer mogelijk is.

2.2.    Binnen de inrichting van verzoekster wordt dakbedekkingafval gescheiden. Daarbij komt een fractie verder verwerkbaar afval vrij. Het restant bestaat uit met andere materialen verkleefde dakbedekking, die volgens verzoekster niet verder verwerkbaar is (hierna te noemen: composieten). Verzoekster stort de composieten sinds 1989.

   Voor het storten heeft verzoekster vanaf de inwerkingtreding van het Besluit in 1997 telkens (naar de Voorzitter aanneemt: met toepassing van een in de vergunning voor haar inrichting opgenomen voorschrift als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het Besluit) ontheffing gekregen. Het college heeft laatstelijk – de Voorzitter verwijst hierbij naar zijn uitspraak van heden in zaak 200410650/1 – bij besluit van 2 november 2004, kenmerk 2004WEM004815i, ontheffing verleend tot 1 januari 2005.

2.3.    Verzoekster heeft het college verzocht om voor de maanden januari en februari 2005 ontheffing te verlenen van het stortverbod wat betreft onder meer de composieten. In verband daarmee heeft het college de minister gevraagd een verklaring als bedoeld in artikel 4, derde lid, van het Besluit te geven. De minister heeft geweigerd deze verklaring te geven. Vervolgens heeft het college de gevraagde ontheffing geweigerd.

2.4.    Tot voor kort stelde de minister zich op het standpunt dat geen andere wijze van afvalbeheer dan storten mogelijk is voor bitumineus en teerhoudend dakbedekkingafval, waaronder de composieten vallen. Thans stelt de minister zich in zijn besluit van 22 december 2004 op het standpunt dat niet is aangetoond dat voor de composieten geen andere verwijderingsmogelijkheden dan storten bestaan. Dit standpunt is – zo blijkt uit onder meer een brief van de minister aan de colleges van gedeputeerde staten van 24 juni 2004, kenmerk DGM/SAS/2004041597 – met name gebaseerd op een overleg met vertegenwoordigers van de zogenoemde "Alliantie Total Roof Recycling". Tijdens dit overleg zou zijn meegedeeld dat op korte termijn in Nederland voldoende mogelijkheden beschikbaar zijn of komen voor de nuttige toepassing van dakbedekkingafval.

2.5.    Verzoekster bestrijdt op zichzelf niet dat andere mogelijkheden dan storten bestaan voor bitumineus en teerhoudend dakbedekkingafval, maar meent dat storten wél de enige mogelijkheid is voor de composieten die na scheiding van deze afvalstroom in haar inrichting achterblijven. Zij kent geen bedrijven die vergunning hebben om dit soort materialen te verwerken.

2.6.    Primair dient te worden beoordeeld of de minister terecht heeft geweigerd te verklaren dat geen andere wijze van afvalbeheer dan storten mogelijk is voor de composieten. Als gevolg van het ontbreken van deze verklaring kon het college de gevraagde ontheffing immers slechts weigeren.

   De minister heeft uitsluitend ter zitting gewezen op de informatie die hij tijdens overleggen over huidige en toekomstige initiatieven heeft verkregen. Afgezien hiervan heeft de minister geen concrete schriftelijke of mondelinge informatie gegeven waaruit kan worden afgeleid dat daadwerkelijk mogelijkheden bestaan om de composieten te verwerken. Dat, zoals de minister stelt, het van de Alliantie Total Roof Recycling deel uitmakende bedrijf SITA de composieten als 'dakafval ongesorteerd' zal accepteren, is daarvoor niet toereikend. Het is niet zozeer van belang of SITA een partij dakbedekkingafval met composieten kan accepteren – dit kan verzoekster ook – maar of vervolgens een mogelijkheid bestaat om de composieten verder te verwerken.

   De Voorzitter neemt verder in aanmerking dat de minister ter zitting heeft erkend dat een deel van het dakbedekkingafval niet verder kan worden verwerkt, zij het dat dit volgens de minister een kleiner deel is dan het deel dat verzoekster als composiet wil storten.

   Dat, zoals door de minister ter zitting is betoogd, in andere provincies voor dakbedekkingafval geen verklaringen meer worden gevraagd en kennelijk dan ook geen ontheffingen worden verleend, brengt de Voorzitter niet tot een bepaalde opvatting, nu geen informatie kan worden verstrekt over wat er dan wel met dit materiaal gebeurt.

   Tot slot lijkt het standpunt van de minister niet goed te rijmen met de Regeling niet-herbruikbaar en niet verbrandbaar bouw- en sloopafval. In deze regeling zijn bitumineuze en teerhoudende dakbedekkingen (al dan niet verkleefd met andere componenten) aangemerkt als niet-herbruikbare en niet-verbrandbare componenten waarvoor, onder de in de regeling en artikel 2, aanhef en onder c, van het Besluit nader genoemde omstandigheden – die zich, naar de Voorzitter aanneemt, in dit geval niet voordoen – het stortverbod niet geldt.

2.7.    De Voorzitter acht hetgeen de minister naar voren heeft gebracht niet toereikend voor de conclusie dat de composieten die verzoekster wil storten op andere wijze kunnen worden verwerkt. Nu onvoldoende zekerheid bestaat dat de verklaring, en in samenhang daarmee de ontheffing, op goede gronden zijn geweigerd, en mede in aanmerking genomen dat gedurende een langere periode opeenvolgende ontheffingen zijn verleend, ziet de Voorzitter aanleiding de na te melden voorlopige voorzieningen te treffen.

2.8.    De minister en het college dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Hierbij merkt de Voorzitter de behandeling van de twee verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening aan als één zaak.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 22 december 2004, kenmerk SAS 2004131560;

II.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 23 december 2004, kenmerk 2004WEM00517li, voorzover bij dit besluit ontheffing is geweigerd voor dakbedekkingmateriaal, verkleefd met andere stoffen;

III.    treft de voorlopige voorziening dat de bij het onder II bedoelde besluit verleende ontheffing mede betrekking heeft op dakbedekkingmateriaal, verkleefd met andere stoffen;

IV.    veroordeelt de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en het college van gedeputeerde staten van Utrecht in de door verzoekster in verband met de behandeling van de verzoeken gemaakte proceskosten, elk tot een bedrag van € 334,00, waarvan een gedeelte groot € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; de totale bedragen dienen door de Staat der Nederlanden en de provincie Utrecht te worden betaald aan verzoekster;

V.    gelast dat zowel de Staat der Nederlanden als de provincie Utrecht aan verzoekster het door haar voor de behandeling van de verzoeken betaalde griffierecht (elk een bedrag van € 273,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Van der Zijpp

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2005

262.