Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS2174

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-01-2005
Datum publicatie
12-01-2005
Zaaknummer
200403800/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 april 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bernheze (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vergunning verleend voor de bouw van een machineloods op het perceel plaatselijk bekend [locatie] te [plaats], gemeente Bernheze (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200403800/1.

Datum uitspraak: 12 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Bernheze,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 19 maart 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Bernheze.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bernheze (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vergunning verleend voor de bouw van een machineloods op het perceel plaatselijk bekend [locatie] te [plaats], gemeente Bernheze (hierna: het perceel).

Bij besluit van 19 maart 2003 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Commissie bezwaarschriften Bernheze van 26 november 2002, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 19 maart 2004, verzonden op 23 maart 2004, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 3 mei 2004, bij de Raad van State ingekomen op 4 mei 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 28 mei 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 22 juli 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 november 2004, waar appellant, bijgestaan door mr. K.W.H. Albert, advocaat te Boxtel, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.J.M. Ploegmakers, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan betreft een machineloods met een oppervlakte van ongeveer 829 m2 en een inhoud van circa 5057 m3.

2.2.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan zijn de gronden bestemd als “Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden (Alca)” mede bestemd voor “Agrarische bedrijfsdoeleinden (medebestemming)”.

   Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op een detailplankaart voor “Agrarische bedrijfsdoeleinden” aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf.

   Ingevolge artikel 21, vierde lid, gelden voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de aanwijzingen op de detailplankaart, alsmede de volgende bepalingen:

a. gebouwen en bouwwerken zijn slechts binnen het bouwvlak toegestaan; (…).

   Onder een agrarisch bouwvlak moet ingevolge artikel 1, onder 6, van de planvoorschriften worden verstaan: een aaneengesloten stuk grond waarop krachtens het plan bebouwing met een hoofdgebouw of bij elkaar horende gebouwen ten behoeve van een agrarisch bedrijf zijn toegestaan.

   Onder een bouwvlak moet ingevolge artikel 1, onder 19, worden verstaan: een door bouwgrenzen op de kaart omgeven oppervlak waarbinnen volgens de voorschriften een (bepaald type) gebouw of complex van gebouwen mag worden gebouwd.

2.3.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de aanvraag voor de bouwvergunning van een machineloods op het perceel niet volledig was, aangezien het doel van deze loods niet bekend was.

2.3.1.    Dit betoog faalt. In de door appellant aangehaalde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 24 december 2003 in zaak nr. 200303472/1 is overwogen dat onder een onvolledige opgave van gegevens in het kader van een aanvraag om een bouwvergunning mede dient te worden verstaan het verzwijgen van het doel waarvoor de bouw zal plaatsvinden, indien gezien dit doel de voorgenomen bouw in strijd zou zijn met het bestemmingsplan. De rechtbank is tot het juiste oordeel gekomen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de aanvraag voldoende gegevens bevat om daarop inhoudelijk te beslissen, nu uit de bij de aanvraag ingezonden bouwtekening blijkt dat het de bouw van een machineloods betreft ten behoeve van het agrarische bedrijf van de aanvrager en volgens het geldende bestemmingsplan op het perceel de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden (Alca)” en de daarboven prevalerende medebestemming “Agrarische bedrijfsdoeleinden” rust.

    Dat bij de behandeling van het door appellant ingediende bezwaarschrift nader onderzoek is gedaan naar het beoogde gebruik van de loods, betekent niet dat de aanvraag onjuist of onvolledig was. De heroverweging biedt de mogelijkheid de juistheid van het genomen besluit te toetsen naar aanleiding van de daartegen gemaakte bezwaren. Het college kan niet worden verweten daartoe te zijn overgegaan.

    Het betoog van appellant dat aanvragen in de bezwaarfase niet mogen worden aangevuld, waarbij hij verwijst naar een uitspraak van de Afdeling van 4 januari 2001 in zaak nr. E03.98.0481 (Gst. 7143, 5) faalt eveneens, reeds omdat deze uitspraak ziet op het aanvullen in bezwaar van een wegens onvolledigheid niet in behandeling genomen aanvraag, terwijl in het thans aan de orde zijnde geval de aanvraag genoeg gegevens bevatte om in behandeling te worden genomen, die aanvraag in behandeling is genomen en heeft geleid tot een inhoudelijke beslissing.

2.4.    Voorts betoogt appellant dat de rechtbank heeft miskend dat tijdens de hoorzitting van de Gemeentelijke Commissie bezwaarschriften van 2 september 2001 is gebleken dat de loods ten dienste staat van het elders gesitueerde rundveebedrijf van de vergunninghouder.

2.4.1.    Uit de in rechtsoverweging 2.2 genoemde planvoorschriften, in hun onderlinge samenhang bezien, volgt dat de agrarische bedrijfsbebouwing ten dienste moet staan aan het ter plaatse gevestigde agrarische bedrijf. Derhalve is van belang de vraag of de machineloods ten dienste staat aan het ter plaatse gevestigde agrarische bedrijf van de aanvrager.

2.4.2.    Blijkens het advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (hierna: AAB) van 17 januari 2002 exploiteert aanvrager een circa 55 ha groot agrarisch bedrijf dat beschikt over twee vestigingslocaties, te weten het perceel [locatie a] en het perceel [locatie b]. Dit bedrijf functioneert als één geheel en heeft een arbeidsbehoefte van 1¼ volwaardige arbeidskracht. Volgens het advies van de AAB kan geen zuivere opsplitsing worden gemaakt in die zin dat niet kan worden bepaald welke gronden aan welke locatie dienen te worden toegerekend. Het zwaartepunt van de huidige bedrijfsactiviteiten is gelegen op het perceel [locatie b]. Om die reden is de AAB van mening dat de oprichting van bedrijfsruimte voor niet specifiek aan één van beide locaties gebonden activiteiten vanuit agrarisch-technisch ontwikkelingsperspectief op de [locatie b] de voorkeur verdient.

   Niet is gebleken dat het college bij het nemen van het besluit op bezwaar niet het advies van de AAB heeft kunnen betrekken.

2.4.3.    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank terecht tot de slotsom gekomen dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan. Uit de omstandigheid dat volgens de AAB oprichting van niet aan één locatie gebonden bedrijfsruimte, waartoe ook de machineloods moet worden gerekend, bij voorkeur dient te worden opgericht op het perceel [locatie b], volgt niet dat oprichting op het perceel [locatie a] niet mogelijk is.

2.5.    Het betoog van appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn beroep op de aanhoudingsplicht als bedoeld in artikel 52 van de Woningwet niet slaagt, faalt. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is het besluit van 16 april 2002, waarbij voor het perceel een revisievergunning krachtens artikel 8.4 van de Wet milieubeheer is verleend, met de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2002 in rechte onaantastbaar geworden. Gelet hierop was er ten tijde van het nemen van het besluit van 19 maart 2003 geen grond meer voor aanhouding in vorengenoemde zin.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2005

17-444.