Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS2171

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-01-2005
Datum publicatie
12-01-2005
Zaaknummer
200402880/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 april 2003 heeft appellant (hierna: het college) [wederpartij] gelast het gebruik van het perceel, kadastraal bekend gemeente Apeldoorn, sectie […], nummers […]), plaatselijk bekend [locatie], naast de woning nummer […] (hierna: het perceel), voor de stalling van vrachtwagens te staken en de aangelegde verharding zo spoedig mogelijk doch uiterlijk zes weken na dagtekening van het besluit te verwijderen en verwijderd te houden, onder oplegging van een dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200402880/1.

Datum uitspraak: 12 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 12 februari 2004 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2003 heeft appellant (hierna: het college) [wederpartij] gelast het gebruik van het perceel, kadastraal bekend gemeente Apeldoorn, sectie […], nummers […]), plaatselijk bekend [locatie], naast de woning nummer […] (hierna: het perceel), voor de stalling van vrachtwagens te staken en de aangelegde verharding zo spoedig mogelijk doch uiterlijk zes weken na dagtekening van het besluit te verwijderen en verwijderd te houden, onder oplegging van een dwangsom.

Bij besluit van 4 december 2003 heeft het college het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 februari 2004, verzonden op 2 maart 2004, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en het college opgedragen om met inachtneming van de uitspraak een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 7 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 3 mei 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 18 mei 2004 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 oktober 2004, waar het college, vertegenwoordigd door G.L. ter Brugge, ambtenaar van de gemeente, en [wederpartij], bijgestaan door mr. L. Bolier, gemachtigde, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    [wederpartij] heeft in 2002 de op een gedeelte van het perceel (hierna: terrein A) aanwezige verharding vernieuwd en op een ander gedeelte van het perceel (hierna: terrein B) een verharding aangebracht. De lastgeving ziet op de verharding van zowel terrein A als terrein B.

2.2.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied, agrarische enclave” heeft het perceel de bestemming “agrarisch gebied met landschapswaarden”.

   Ingevolge artikel 6, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften zijn de op de bestemmingenkaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor onder meer agrarische bedrijvigheid.

   Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden de in het plan begrepen gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan aan deze gronden gegeven bestemming en met het in of krachtens het plan ten aanzien van het gebruik van deze gronden en bouwwerken bepaalde.

   Ingevolge artikel 38, vierde lid, mag het gebruik, dat op het tijdstip van het onherroepelijk worden van de goedkeuring van het plan van in het plan begrepen gronden en bouwwerken in afwijking van het plan – behoudens het in dit artikel bepaalde – wordt gemaakt, worden voortgezet en gewijzigd, mits daardoor de afwijkingen van het plan niet worden vergroot. Het bepaalde in de vorige zin geldt niet, indien:

- het betreft een gebruik dat reeds in strijd is met het vóór het onderhavige plan geldende bestemmingsplan,

- dat strijdig gebruik een aanvang heeft genomen, nadat de goedkeuring van dat vorige bestemmingsplan onherroepelijk was geworden, én

- burgemeester en wethouders vóór het in de aanhef van dit lid bedoelde tijdstip een aanvang hebben gemaakt met een procedure ter beëindiging van dat strijdig gebruik en zulks op de gebruikelijke wijze aan overtreder kenbaar hebben gemaakt.

2.3.    Vast staat dat de verharding niet ten dienste van de op het perceel rustende agrarische bestemming is aangebracht en niet overeenkomstig die bestemming wordt gebruikt.

2.4.    Het college komt terecht op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat het niet bevoegd is handhavend op te treden tegen het gebruik van terrein A. De voorzieningenrechter heeft daartoe overwogen dat is gesteld noch gebleken dat het college ten aanzien van terrein A vóór het tijdstip van het onherroepelijk worden van de goedkeuring van het bestemmingsplan een aanvang heeft gemaakt met een procedure ter beëindiging van het bedoelde gebruik, zoals opgenomen in artikel 38, vierde lid, van de planvoorschriften. Volgens de voorzieningenrechter valt het gebruik van terrein A daarom onder de beschermende werking van het overgangsrecht. De voorzieningenrechter heeft echter ten onrechte niet onderkend dat [wederpartij] na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan de oorspronkelijke verharding van terrein A geheel heeft verwijderd, opnieuw aangelegd en vergroot, zodat het overgangsrecht niet van toepassing is.

2.5.    Derhalve is gehandeld in strijd met artikel 32, eerste lid, van de planvoorschriften, zodat het college handhavend kon optreden tegen de verharding.

   Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.6.    Van een concreet zicht op legalisatie van (een deel van) de verharding was ten tijde van de beslissing op bezwaar van 4 december 2003 geen sprake. Evenmin is gebleken van andere bijzondere omstandigheden op grond waarvan van handhavend optreden had behoren te worden afgezien of dat handhavend optreden onevenredig is ten opzichte van de met het ongemoeid laten van de verharding te dienen belangen.

2.7.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de voorzieningenrechter zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep alsnog ongegrond verklaren voorzover het betrekking heeft op de verharding en de beroepsgronden behandelen waar de voorzieningenrechter niet aan toe is gekomen.

2.8.    Voldoende aannemelijk is geworden dat het perceel reeds op de peildatum voor het stallen van twee vrachtwagens werd gebruikt. Voorts is noch aannemelijk gemaakt dat dat gebruik in aard en omvang is gewijzigd zodanig dat de afwijking van het bestemmingsplan is vergroot als bedoeld in artikel 38, vierde lid, van de planvoorschriften, noch dat het college vóór de peildatum een aanvang heeft gemaakt met een procedure ter beëindiging van dat strijdig gebruik als bedoeld in dat artikellid. Derhalve valt dat gebruik onder het daarin opgenomen overgangsrecht, zodat het college niet bevoegd was daartegen op te treden.

2.9.    Het beroep is derhalve in zoverre gegrond. Het besluit van 4 december 2003 dient te worden vernietigd voorzover daarbij de last om het stallen van vrachtwagens te staken is gehandhaafd. Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zal de Afdeling het primaire besluit van 4 april 2003 herroepen, voorzover daarbij appellant is gelast het gebruik van het perceel voor het stallen van vrachtwagens te staken, en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 4 december 2003, in zoverre dat is vernietigd.

2.10.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 12 februari 2004, Reg.nrs.03/1704 en 03/1705;

III.    verklaart het beroep van [wederpartij] gegrond voorzover het is gericht tegen de bij het besluit van 4 december 2003 gehandhaafde last om het gebruik van het perceel voor het stallen van vrachtwagens te staken, en voor het overige ongegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn van 4 december 2003, VRB/378927/5916, voorzover daarbij de last om het gebruik van het perceel voor het stallen van vrachtwagens te staken is gehandhaafd;

V.    herroept het besluit van 4 april 2003, ROW/357934, voorzover [wederpartij] is gelast het gebruik van het perceel voor het stallen van vrachtwagens te staken;

VI.    bepaalt dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn van 4 december 2003;

VII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 966,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Apeldoorn aan hem te worden betaald;

VIII.    gelast dat de gemeente Apeldoorn aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. F.P. Zwart, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, ambtenaar van Staat.

w.g. Zwart    w.g. Duursma

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2005

66-378.